Over volk en vaderland

Tussen de twee wereldoorlogen toonden Randstedelijke Nederlanders een opvallende belangstelling voor de 'zuivere, niet gecorrumpeerde' landgenoot. Met de camera legden ze hem vast. Historicus Remco Ensel heeft er een boek over geschreven.

Nadat de industrialisatie in begin van de vorige eeuw het aanzien van Nederland ingrijpend had veranderd, was de bewoner van het platteland opeens een bezienswaardigheid geworden. Niet alleen voor toeristen, maar ook voor volkskundigen, die hoopten buiten de stad de zuivere, niet gecorrumpeerde Nederlander aan te treffen. Met camera's wilden ze deze soort in zijn eigen biotoop vastleggen.


Daarbij stelden zij zich soms aan risico's bloot. Dat ondervond de Franse schrijver Jules Romain toen hij op Paaszondag 1914 met enige reisgenoten Harderwijk aandeed. Ze werden door types die we nu als hangjongeren zouden kenschetsen uitgejouwd, bespuugd en 'onzedelijk betast'. Hun ouders, doorgaans niet afkerig van een oorvijg, lieten hen begaan. Een gealarmeerde politieman greep evenmin in. 'Meneer, dit is Harderwijk', zou hij tegen Romain hebben gezegd. De schrijver nam met deze verklaring geen genoegen. De Franse regering bemoeide zich zelfs met de kwestie. En in de Tweede Kamer werden vragen gesteld over wat al snel als 'het automobielincident' bekend stond. Over dit soort dingen maakte men zich enkele maanden voor de Eerste Wereldoorlog nog druk.


Harderwijk, ooit een universiteitsstad, had als no-go-area voor buitenstaanders trouwens een reputatie hoog te houden. Eerder was een levende mol in de auto van een bezoeker geworpen. In Staphorst kregen toeristen evenmin een warm onthaal. Zeker niet als ze op zondag van hun belangstelling blijk gaven. Zo werden in 1937 twee Nijmeegse dames die dragers van de plaatselijke klederdracht wilden fotograferen 'zonder vorm van proces door een paar Staphorster jongelui (...) beet gegrepen en in een sloot geworpen'. Ook nu luidde het excuus: dit is Staphorst. En in Staphorst hadden ze geen trek in de 'ten minste vijftig en meestal meer toeristische fotografen' die de dorpelingen 'komende uit de Zondagmorgen-godsdienstoefening' belaagden.


Een beetje problematisch was die afwerende houding wel. Want in de jaren tussen beide wereldoorlogen mochten de 'plattelandsbewoners', zoals alle niet-stedelingen toen gemakshalve werden genoemd, zich in een toenemende belangstelling verheugen van volks- en rassenkundigen. Voor hen was het platteland studie-object bij uitstek. Zij stelden zich ten doel de ziel van de plaatselijke gemeenschap te doorgronden en de meest 'karakteristieke koppen' te fotograferen. Dit vergde tact, geduld, overredingskracht en soms ook gewoon een paar muntstukken als tegenprestatie voor het gewillig poseren.


Over de zoektocht naar 'de Nederlander' van fotografen en volkskundigen in de jaren tussen beide wereldoorlogen, schreef de historicus Remco Ensel, verbonden aan de Radboud Universiteit Nijmegen en het NIOD, een boek: De Nederlander in beeld, fotografie en nationalisme tussen 1920 en 1945. Een lastig thema. Want volkskunde is een in onbruik geraakte discipline. Om maar te zwijgen over rassenkunde.


En veel portretfoto's waarmee Ensel zijn - niet geheel consistente - verhaal illustreert, wekken ongemakkelijke associaties met de Duitse fotografe en cineaste Leni Riefenstahl, die de Germaanse mens in zijn volle glorie toonde. Zeker als bij die foto's, zoals het uit 1943 stammende portret van een Urker Visser, het onderschrift wordt geplaatst dat de maker (in dit geval de voor de SS werkende Willem van Heemskerck Düker) in gedachten had: 'Gelijk zijn botter getaand en geteerd'. Of de bijval van de volkskundige Jan de Vries voor Van Heemskerck Dükers boek Friesland Friezenland (1942): 'Die montere jongenskoppen, de struische jongemannen, de ernstige volwassenen, de bezonnen grijsaards, zij doen u allen het Friesche volk liefhebben en doordringen u van het besef welk een prachtige bron van volkskracht hier veilig bewaard is gebleven.'


Het onbehagen wordt versterkt door de gelijkenis van de foto's van Van Heemskerck Düker met die van een onverdachte (en Joodse) fotografe als Eva Besnyö. Beiden gebruikten het scherpe buitenlicht en beiden legden een voorkeur aan de dag voor het kikvorsperspectief: zij fotografeerden hun modellen, die de blik enigszins afgewend hielden, vaak 'van onderen' - net als Riefenstahl. Maar anders dan de bloed-en-bodem-fotografen waartoe Van Heemskerck Düker behoorde, 'had Besnyö niet de neiging het buitenleven te idealiseren en liet zij moderne elementen (elektriciteitspalen, fabrieksschoorstenen, bruggen) toe in haar landschappen'.


Voor de volkskundigen vertegenwoordigden de boeren, de vissers en de ambachtslieden echter een wereld die tot hun leedwezen moest wijken voor de 'asfaltcultuur' van de zielloze stad die de lust tot voortplanten zou onderdrukken. Voor hen was de aanleg van de Afsluitdijk niet zozeer een triomf van de techniek, maar de bezegeling van het einde van de 'Zuiderzee-cultuur'. Ook de Volkskrant somberde overigens mee met de vissers die hun emplooi zouden verliezen. Op 28 mei 1932, de dag waarop de Zuiderzee werd afgesloten, plaatste de krant een foto van Volendammers in rouwstemming. Niet van het waterstaatkundige wapenfeit. Ook in andere periodieken hielden jubel en treurnis over de afsluiting van de Zuiderzee elkaar in evenwicht.


Naarstig gingen volkskundigen, gewapend met camera's, op zoek naar de laatste residuen van het authentieke Nederland, of naar de Nederlanders die mentaal en fysiek nog het sterkst met hun voorvaderen overeenkwamen. Sommigen reisden daarvoor af naar Walcheren, anderen naar Urk of de westhoek van Terschelling. Er werd driftig gegraven naar schedels van Batavieren - de veronderstelde 'oer-Nederlanders' - en er werd gezocht naar een relatie tussen een streek en het temperament van zijn bewoners. Volkskundigen gingen op pad om streekgebonden gelaatskenmerken vast te leggen.


In het fotoboek Volk van Nederland (1937) werd aan de boer uit de Graafschap typisch Saksische trekken toegedicht. 'Zie eens dien man met dien prachtigen ouden kop uit het Oost-Geldersche. Over deze man is het leven heengegaan.' Probleem was alleen dat de boer in kwestie niet in het Oost-Gelderse bleek te zijn gefotografeerd, maar in Bunnik of in Austerlitz - daarover kon fotograaf Hans Gilberg (een Duitser die in de jaren dertig in Nederland werkte) naderhand geen uitsluitsel geven. Volgens de auteur van het boek was dat overigens 'niet erg' aangezien hem na uitvoerige meting van het portret was gebleken 'dat deze boer uit Bunnik een zuiver saksisch type is, die ook in de Graafschap had kunnen wonen'.


Kennelijk was enig opportunisme de volkskundigen, die meenden een serieuze wetenschap te bedrijven, niet vreemd. Dat ondervond tijdens de oorlog ook Eva Besnyö. Met hulp van de fysisch antropoloog Arie de Froe kon zij zich laten 'ariseren'. De Froe stelde op basis van schedelmetingen en foto's van een man van wie Besnyö beweerde dat hij haar vader was een raswetenschappelijk rapport op waarmee Besnyö de Duitsers ervan kon overtuigen dat ze ten onrechte als Joods was aangemerkt. Besnyö mocht haar ster afleggen. Maar haar echte vader werd in Auschwitz omgebracht.

VOLKSKUNDEN

Culturele antropologie en volkskunde worden vaak als uitwisselbare begrippen gebruikt. Ten onrechte. De eerste tak van wetenschap legt zich toe op studie van de verwantschap tussen verschillende culturen. De volkskundigen waren vooral geïnteresseerd in wat culturen van elkaar onderscheidde. Daarbij gingen ze uit van gradaties in beschaving: geïsoleerd levende stammen ('inboorlingen', 'wilden' of 'primitieven') moesten nog aan hun verheffing beginnen. De volken van (West-) Europa en Noord-Amerika zouden het hoogste beschavingspeil hebben bereikt - wat overigens het risico van vervetting en degeneratie met zich meebracht. Fysisch antropologen of rassenkundigen probeerden vergeefs een verband aan te tonen tussen het ontwikkelingsniveau van een volk en zijn fysieke kenmerken, waarbij vooral de schedelvorm en -inhoud van belang zouden zijn.

REMCO ENSEL, DE NEDERLANDER IN BEELD, AMSTERDAM UNIVERSITY PRESS, 240 PAGINA'S, 24,95 EURO

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden