Over troost en standvastigheid bij algemene rampspoed

Boven Basra hingen de rookpluimen van precisiebommen. Je zag de contouren van tanks en soldaten met hun automatische geweren. Iraakse mannen, vrouwen en kinderen doemden op uit de mistige zandstormlucht....

Literatuur kan ook troosten. Voor mij schuilt de troost van literatuur in de evocatieve kracht van een passage, de schoonheid van de taal of de emotionele herkenning van het ongrijpbare dat mensen bindt vanaf de oertijd tot in de eeuwigheid. Bij Tsjechov vind je zulke passages in overvloed, of bij Toergenjev, Coetzee, Faulkner en Malamud. Literaire troost wordt tegenwoordig niet meer zo onverbloemd geboden als eeuwen geleden. Omstreeks 525 schreef de Romeinse filosoof Boëthius, terwijl hij in de kerker wachtte op zijn terechtstelling door de Gothische koning Theodorik de Grote, zijn beroemde boek over de vertroosting der wijsbegeerte. En van de Renaissance-dichter Petrarca kennen we de Troostspiegel in geluk en ongeluk. Zij werden gelezen maar lang niet zo massaal als het troostboek van de Zuid-Nederlandse wijsgeer Justus Lipsius uit de zestiende eeuw, dat welhaast met het oog op de boze, onbezonnen oorlog tegen Irak geschreven lijkt te zijn. Over standvastigheid bij algemene rampspoed heet het. Onder standvastigheid verstaat Lipsius het vermogen om 'vrijwillig en zonder klagen' alles te verduren wat je overkomt. Dat leek me wel wat.

De algemene rampspoed in zijn vaderland bestond voor Lipsius uit de Spaanse Furie (1576), waarbij muitende soldaten in Antwerpen duizenden burgers vermoordden en honderden huizen plunderden en in brand staken, en het Beleg van Leiden (1573) dat ruim een jaar duurde en aan duizenden burgers het leven kostte door honger en de pest. Het boek van Lipsius was een internationale bestseller en werd algauw vanuit het Latijn in vele talen vertaald. 'Waarde lezer, het ga U goed, hopelijk voor een deel dank zij mijn boek', zo besluit hij zijn voorwoord. Zoveel vertrouwen in de macht van het woord doet nu haast kinderlijk aan. Wij kennen de overmacht van gruwelijke beelden.

Ik las Lipsius toen de eerste bommen de hemel boven Bagdad rood kleurden. De beelden van huilende moeders en doodsbange krijgsgevangen met dierlijk heen en weer schietende ogen stonden nog niet op de harde schijf in mijn geheugen. De lijken van jonge, misleide of dwaze mannen moesten zich nog opstapelen. Ik liet me welwillend door de christelijk-stoïcijnse redeneringen van Lipsius meeslepen.

Zijn troost komt voor een deel neer op relativering van grootschalige ellende. Vroeger was het nog erger, en elders op de wereld hebben mensen het nog zwaarder, houdt hij ons voor. Hij wijst ook op de onvermijdelijkheid en de noodzaak van algemene rampspoed. De voorzienigheid, zeg maar God, trekt haar ondoorgrondelijke eigen spoor uit liefde voor ons, want kwaad kan De Goedheid Zelve niet doen. Verzet ertegen is zinloos. Je kunt je er het beste welgemoed bij neerleggen. Wie toch protesteert, lijkt volgens Lipsius op iemand die zijn bootje aan een rots heeft vastgemaakt en denkt dat de rots naar hem toe komt als hij hard aan het touw trekt. Zo'n visie geeft inderdaad rust. Troostender vond ik zijn bewering dat rampspoed, gezien vanuit de Almacht die het beste met de hele wereld voorheeft, altijd ergens goed voor is. Helaas zijn de ware bedoelingen van rampen voor ons mensen meestal verborgen, zoals onderaardse rivieren die toch naar hun monding stromen in de zee. Het is dus een erg abstracte, om niet te zeggen schrale troost.

Dat ellende mensen moediger maakt en innerlijk verrijkt, is al heel wat concreter. Wat Lipsius daarover schrijft klinkt soms merkwaardig actueel. Hij wijst op de 'verwekelijkte welvaartskinderen, die bij de geringste tegenwind en tegenkracht hun evenwicht en verstand verliezen'. Rampspoed zou hun kracht geven, zoals bomen door een harde wind dieper wortel schieten. 'Het ongelukkigst is wie geen ongeluk gekend heeft', meent hij in navolging van Demetrius.

De duidelijkste troost biedt zijn stelling dat rampen als tirannie en oorlog ons uiteindelijk tot voordeel strekken, want de geschiedenis zou leren dat vrijwel altijd 'de beroeringen van de rampspoed door betere en zachtere tijden gevolgd worden'. Oorlogen schudden een volk als het ware op en veroorzaken op velerlei gebied een geestelijke en culturele groei. 'De ondergang van het ene volk of rijk zal de opkomst van het andere zijn', aldus Lipsius. Zo'n uitspraak zou het op CNN wel goed doen, evenals de opmerking dat er niets wijzers bestaat 'dan degene die aan het kwaad het goede ontlokken kan en vernietigingswapens in reddingsmiddelen kan veranderen'. Je hoort het Bush zeggen, op die gespeelde vastberaden toon van hem.

De grootste, maar tevens miezerigste troost ontleende ik aan de hoofdstukken waarin Lipsius een onderscheid maakt tussen algemene rampspoed en persoonlijke ellende. Veel gejammer over algemene rampspoed doet hij af als hypocrisie en effectbejag, want in feite is de mens alleen bang 'voor zijn eigen oogst en akkertje'. Dit betekent ook dat zolang het wereldleed je persoonlijk niet raakt, het verdriet erover niet veel voorstelt. En, als ik heel eerlijk ben, zo treurig waar is het. De oorlog is, ondanks dat we er met camera's bovenop zitten, nog steeds ver van mijn bed. Ik heb van de lange reeks mooie lentedagen genoten en sta evengoed zingend onder de douche 's morgens. De troost van Lipsius' boek zit hierin dat ik dit nu schaamteloos, zelfs met een zekere trots, als een vorm van 'standvastigheid bij algemene rampspoed' mag beschouwen. Echt lekker voelt het niet. Geef mij maar de troost van die ganzen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden