Oudeschild koestert de rede weer

Het VOC-verleden van Texel komt weer tot leven, in een nieuw museum en een Gouden Driehoek.

Op deze dag met uitbundige maartzon oogt de rede van Texel verlaten. Vanaf de Waddendijk bij Oudeschild is op de blikkerende vlakte alleen een hoog op het water liggend binnenvaartschip te zien, met een witte snor voor de boeg. Het vaartuig trekt in stilte voorbij, de wind is noordwest.


Wie een slordige vier eeuwen geleden op dezelfde plek, zij het op een lagere dijk van zeegras en wier, aan deze zuidoostkant van het eiland had gestaan, was op aanmerkelijk meer reuring gestuit. Hier, opder rhée, wachtten de schepen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie voor vertrek naar de Oost en de vrachtvloot voor de oversteek naar de Oostzee. De oorlogsbodems van Michiel de Ruyter of Cornelis Tromp hadden er het anker uitgeworpen. Hier vandaan zetten Willem Barentsz, Jacob Roggeveen, Henry Hudson en Abel Tasman koers naar nog onbekende streken. Hier moeten de zeilen hebben geklapperd, de masten gekraakt, de scheepsbellen geluid, en het zou er geroken hebben naar vis en teer.


Het is een verleden dat Texel weer op de kaart aan het zetten is. Met gevoel voor geografisch jargon van ver overzee is er zelfs een Gouden Driehoek voor aangewezen - met aan de punten de haven van Oudeschild, het fort De Schans aan de Waddendijk en het gebied aan de voet van de Hooge Berg, de stuwwal die met 15,3 meter boven NAP het hoogste punt van het eiland vormt. Daar ligt een cultuurgeschiedenis waar het eiland trots op mag zijn, zegt Esther Bánki, directeur van Kaap Skil, het vroegere Maritiem & Jutters Museum in Oudeschild. Maar de historie van galjoen, fregat, pinas en galjoot is voor de toerist - en Bánki sluit de Tesselaar overigens zelf niet uit - altijd wat in de schaduw gebleven van de natuurpracht van het wad, het Noordzeestrand, de Slufter en het dennenbos.


Haar museum, de belangrijkste bewaarplaats van dat verleden, heeft een andere gedaante aangenomen om die bloeiperiode meer uit te lichten. Met steun van onder meer het Waddenfonds, de provincie Noord-Holland, de gemeente en de Bankgiroloterij is een nieuw hoofdgebouw opgetrokken; de officiële opening is op 30 maart.


Het pronkstuk uit het oude gebouw, een maquette van de Reede van Texel van 18 bij 4 meter met meer dan 100 vaartuigen, is nu ondergebracht in de kelder vol multimediale snufjes. Een panorama met animaties brengt in beeld dat de beschutting op de Koopvaarders en Moscovische Reede, tezamen de Texelse Reede, ook maar betrekkelijk was. Ook op de Waddenzee kan het flink spoken. Een beruchte storm was die op Kerstnacht 1593, toen ruim veertig schepen vergingen en duizend opvarenden de dood vonden. De zwaar gedupeerde Amsterdamse graanhandelaar en dichter Roemer Visscher vernoemde zijn dochter naar de ramp: Maria Tesselschade; ook zij werd dichteres.


In zogeheten wonderkamers passeren de verhalen van enkele protagonisten in de geschiedenis, zoals die van admiraal Tromp, Roemer Visscher, kwartiermeester Harmanus Kikkert en zeemansvrouw Neeltje Schouten. Er is vanzelfsprekend veel aandacht voor de 'Loffelijke Compagnie': tussen 1602 en 1795 vertrokken vanaf Texel 4800 keer VOC-schepen naar de Oost, afkomstig uit Amsterdam, Hoorn en Enkhuizen. Pas bij Texel kwamen de lading en de volledige bemanning aan boord. Slechts in ballast konden de schepen met de grootste moeite de ondiepe Zuiderzee door.


Van het eiland kregen de opvarenden overigens maar weinig mee. Uit angst voor desertie was het niet toegestaan aan land te gaan. En dat terwijl verveling troef was: het was soms weken achtereen wachten op gunstige wind.


In Kaap Skil is de eerste verdieping gereserveerd voor de originele restanten: de archeologische vondsten onder water. Veel is opgehaald door enthousiaste duikers - niet altijd tot grote vreugde van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Ze speuren naar oneffenheden op de zandbodem of worden gealarmeerd als een kotter een roestig of vermolmd object in de netten krijgt. In hun ijver gaat de in wetenschap zo gekoesterde context wel eens verloren.


Maar in een museale omgeving spreken ze toch tot de verbeelding: de vrijwel ongeschonden kanonsloop, het enorme anker, de trompet, een kist met aan elkaar geklonterde spijkers, passertjes, een stuk van een stuurrad, een lederen buideltje, een luizenkam en een tondeldoos. En van een waterscheiding tussen de wrakkenvorsers is toch geen sprake, ook de Rijksdienst zelf is vertegenwoordigd. Van het 17de eeuwse schip dat in 1984 in de buurt van het Molengat werd gevonden, wordt de lading getoond: baren lood, bladen tin, staven smeedijzer, pakketten runderhuiden, ivoor, en Vlaams en Hollands laken. Het was destijds het eerste wrak dat door wetenschappers is opgegraven en onderzocht.


Volgens hoofd educatie en presentatie Maarten Roeper van Kaap Skil moet de bodem van de rede van Texel nog bezaaid liggen met gezonken schepen, maar bijna alles schuilt onder meters zand en slib. 'Een verslag van de strandvonder uit de 17de eeuw maakte in één maand melding van 22 incidenten. Zinken, stranden, aanvaringen. Het was weliswaar januari, altijd een gevaarlijke maand, maar het zegt toch wel iets over wat zich hier allemaal heeft afgespeeld.'


Buiten het museum, maar binnen de contouren van de Gouden Driehoek, doemen langs de dijk al snel de aarden wallen en grachten van de forten Lunette en De Schans op - de laatste was de oudste en belangrijkste vesting, Lunette en de nog verderop gelegen Redoute werden later op bevel van Napoleon aangelegd. De kanonnen van De Schans moesten potentiële vijanden die het op de vloot hadden gemunt op andere gedachten brengen. Met succes kennelijk, er is naar verluidt amper een schot gelost.


De Skilsloot - vanaf Huize Brakestein, waar De Ruyter en Tromp wel eens verbleven, naar de Waddendijk - vormt een andere tastbare herinnering. Hierover voeren pramen met vaten, gevuld met drinkwater afkomstig uit de Wezenputten - bezit van het weeshuis in Den Burg. De vaten waren bestemd voor de schepen van de VOC. Dankzij het hoge ijzergehalte bleef het water lang goed, zeker tot aan Kaap de Goede Hoop. De plek waar de vaten over de dijk werden getakeld, kreeg de naam Jeneverbuurtje, vanwege de herbergen en kroegen waarin de werkkrachten vertier zochten. Een straatje werd het Kollegat genoemd. Daar zaten de hoeren.


De bescheiden omvang van de huizen in het wijkje illustreert dat Oudeschild nooit de allure bereikte die de Zuiderzeebases van de VOC wel bezaten. Historicus Hans Bonke schreef in het boek Texel en de VOC (2002) dat de compagnie maar een uiterst bescheiden bijdrage had geleverd aan de welvaart op het eiland. Hij becijferde de jaarlijkse uitgaven op 14,448 gulden, inclusief de aankoop van biggen, varkens en schapen. Het goud van de driehoek moet dan ook niet te letterlijk worden genomen. Op Texel komt de meeste glans nog altijd van zee, zeker op zo'n dag als vandaag.


Voor openingstijden en activiteiten: www.kaapskil.nl


LATTEN ALS MASTEN

De uitbreiding van het museum Kaap Skil, voorheen het Maritiem & Jutters Museum, in Oudeschild bestaat uit een gebouw dat is ontworpen door Mecanoo Architecten in Delft. De vier puntdaken sluiten aan bij het gevelbeeld in het dorp. Opvallend is de houten gevelbekleding. De verticale latten moeten associaties oproepen met de masten van de schepen in de haven. Het materiaal, de tropische houtsoort azobé, is afkomstig van veertig jaar oude damwanden in het Noord-Hollands Kanaal.


In het museum zitten ook een winkel en een café. Voor de inrichting - veel viskisten - en de tentoonstelling tekende het ontwerpbureau Kossmann.dejong uit Amsterdam. Gerekend wordt op 80 duizend bezoekers per jaar, 20 duizend meer dan in het Maritiem & Jutters Museum. De uitbreiding kostte 6 miljoen euro.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.