Ouders doen er niet zoveel toe KINDEREN RICHTEN ZICH MEER OP LEEFTIJDGENOTEN

Ouders die vinden dat ze te weinig tijd aan hun kinderen besteden, hoeven zich niet schuldig te voelen. Zij spelen bij de opvoeding toch een ondergeschikte rol....

JUDITH HARRIS kreeg in 1960 van George A. Miller te horen dat ze niet goed genoeg was om de doctorstitel in de psychologie te verwerven. Ze moest Harvard Graduate School verlaten. Zevenendertig jaar later won Harris de George A. Miller Award, de prijs die de American Psychological Association haar toekende voor een als 'uitmuntend' gekwalificeerd artikel in de prestigieuze Psychological Review. 'Het was een bewijs', schrijft Harris, 'dat de goden gevoel voor humor hebben.'

In dat artikel uit 1995 stelt Harris zich de vraag of ouders enige blijvende invloed hebben op de ontwikkeling van de persoonlijkheid van hun kinderen. Haar antwoord is nee. Kinderen worden gevormd door zich te identificeren met de groep van leeftijdgenoten met wie ze buitenshuis verkeren, de peer group. Ouders hoeven niet twintig jaar van hun leven op te offeren om te tobben over de juiste manier van opvoeden. Uiteraard bepalen ze de mate van huiselijk geluk, of de kinderen van hen houden en hoe ze zich thuis gedragen. Maar het gedrag van de kinderen thuis heeft niets te maken met hun gedrag op straat, in de crèche, op school, in het buurthuis of op de sportclub. De voornaamste invloed die ouders op hun (jonge) kinderen kunnen uitoefenen, is dat zij die peer group kunnen bepalen.

Harris' theorie gaat niet alleen in tegen de intuïtie, maar ook tegen de heersende opvattingen in de psychologie. Aanhangers van Freud beschouwen de band tussen ouders en kind, met name die tussen de moeder en het jonge kind, als cruciaal voor de verdere levensloop. Behavioristen zien de manier van straffen en belonen als vormend voor het karakter. Onderzoekers als Frank Sulloway beweren dat de oudste kinderen in het gezin de neiging hebben de status quo in de maatschappij te handhaven en dat de vernieuwing in wetenschap, samenleving en cultuur altijd van de later geboren kinderen komt.

Ouders geven miljarden uit aan boeken en tijdschriften over opvoeding, pedagogisch verantwoord speelgoed, kinderboeken en cd-roms. Conservatieve ideologen wijzen het gebroken gezin en de laksheid van ouders aan als de oorzaak bij uitstek van asociaal gedrag. De psycholoog David Lykken meent dat ouders eerst een diploma moeten halen, voordat ze kinderen mogen opvoeden. Ouders die kinderen willen adopteren, moeten overigens al sinds jaar en dag aan allerlei eisen voldoen.

Het boek The Nurture Assumption ('De opvoedingshypothese'), waarin Judith Harris haar theorie over 'groepssocialisatie' - de manier waarop de persoonlijkheid van kinderen tijdens hun opgroeien wordt gevormd - uitwerkt, is in de Verenigde Staten een grote sensatie. Maar ook het Duitse weekblad Der Spiegel pakte op 16 november uit met een omslagverhaal van dertien pagina's: Ist Erziehung sinnlos?

De kracht van het boek ligt in zijn brede opzet. Harris generaliseert niet vanuit beperkte deelstudies, maar combineert onderzoek uit genetica, ethologie, antropologie, sociale psychologie, ontwikkelingspsychologie en interdisciplinaire terreinen als de taalverwerving. Het boek is bovendien toegankelijk geschreven. Harris' beroepsmatige ervaring met het schrijven van handboeken blijkt hier, zij het dat het boek wel wat nodeloze herhalingen bevat.

Belangrijker is dat Harris' gedachtegang overtuigt. Met haar boek zal het onderzoek naar de omgevingsfactoren die de persoonlijkheid beïnvloeden, zich ongetwijfeld verplaatsen van het gezin naar de peer group.

De tegenstelling tussen gezin en peer group is de centrale as van het boek. De genetische factoren die de persoonlijkheid bepalen, worden niet verwaarloosd, maar Harris is ervan overtuigd dat de omgevingsfactoren - buitenshuis wel te verstaan - zeker voor de helft de persoonlijkheidsontwikkeling bepalen.

In de eerste hoofdstukken maakt Harris aannemelijk dat er geen stijl van opvoeden bestaat die bewezen heeft effectief te zijn. Blanke Amerikanen uit de middengroepen zijn geneigd hun kinderen niet te streng en ook niet te slap op te voeden. De manier waarop Aziatische Amerikanen hun kinderen opvoeden, namelijk autoritair, ligt hen niet. Toch scoren de kinderen met een Aziatische achtergrond uitstekend, zowel op school als in het beroepsleven.

Harris gelooft trouwens niet in een consistente opvoeding; het hangt erg van het kind zelf af, of het streng of zacht wordt aangepakt. Opvoeden is tweerichtingsverkeer.

Uit onderzoek naar geadopteerde kinderen blijkt dat deze op hun biologische ouders lijken - en niet op hun opvoeders. De persoonlijkheden van geadopteerde en natuurlijke kinderen in één gezin hebben niets gemeenschappelijks. Kinderen die hun ouders weinig zien, doen het niet slechter op school en in de maatschappij dan kinderen die hun moeder constant om hen heen hebben. Hetzelfde geldt voor kinderen van homoseksuele opvoeders. De kans dat deze kinderen zelf homoseksueel worden, is niet groter dan die van kinderen in hetero-gezinnen. De freudiaanse theorie dat kinderen een vader, respectievelijk een moeder als identificatiemodel nodig hebben, wordt hiermee weerlegd.

Ook de dood van een ouder of een scheiding heeft geen blijvende negatieve invloed. Wel kan de verandering van omgeving of de inkomensdaling als gevolg van de scheiding nadelig werken. Dat kinderen van gescheiden ouders een groter risico lopen zelf later ook te scheiden, moet volgens Harris genetisch worden verklaard.

Een belangrijk onderdeel van Harris' theorie is het 'Assepoester-effect'. Assepoester gedroeg zich binnenshuis bedeesd en onopvallend, om zoveel mogelijk te ontsnappen aan de wreedheid van haar stiefmoeder en stiefzusters. Buitenshuis evenwel was Assepoester de zelfbewuste mooie vrouw die wist dat ze haar omgeving kon bekoren. Toen de prins met het glazen muiltje bij Assepoester aan de deur kwam om het meisje met wie hij had gedanst te zoeken, herkende hij haar niet.

Dit Assepoester-effect verklaart waarom veel ouders verbaasd zijn te horen dat hun kind zich op school of op straat heel anders gedraagt dan thuis. Volgens Harris realiseren kinderen zich heel goed dat wat ze leren in de ene situatie helemaal niet van toepassing is in een andere, zij passen als het ware hun persoonlijkheid aan. In de buitenwereld betekent dat overigens - in tegenstelling tot het sprookje van Assepoester - leren overleven in een omgeving die meestal harder en onrechtvaardiger is dan de beschermde situatie thuis. Juist daarom is deze socialisatie in de groep met leeftijdsgenoten zo bepalend voor de latere persoonlijkheid.

D AT DE invloeden van buiten doorslaggevend zijn, illustreert Harris aan de manier van taalverwerving. Kinderen van dove ouders hebben geen moeite met het leren praten. Kinderen van immigranten spreken de taal van hun nieuwe land zonder problemen of buitenlandse accenten. Een ander sprekend voorbeeld is de onvermijdelijkheid van de identificatie van jongens met jongens en meisjes met meisjes. Roldoorbrekende opvoeding heeft nooit ergens enig effect gehad.

Ouders hoeven zich niet schuldig te voelen als ze naar hun idee te weinig quality time aan hun kinderen besteden. Harris komt met de anekdote van de Amerikaanse minister van Arbeid Robert Reich, die zijn baan opgaf om (onder andere) meer met zijn kinderen van twaalf en zestien te kunnen optrekken. Tot zijn verbijstering bleken die kinderen daar helemaal geen behoefte aan te hebben. 'Sorry, pa, ik ga liever met Diane naar de film dan met jou', kreeg Reich op een van zijn eerste vrije weekends thuis te horen.

Harris beveelt ouders sterk aan zich niet als 'maatjes' te profileren. Kinderen willen zich niet identificeren met hun ouders, maar zich juist tegen hen afzetten. Het - in de ogen van Harris absurde - idee dat ouders hun kinderen moeten amuseren, is trouwens van vrij recente datum, net als het idee dat ouders de schuld hebben van problemen die hun volwassen kinderen in hun latere leven ondervinden. 'Je kunt je kind niet perfect maken, maar ook niet ruïneren', concludeert Judith Harris.

De bevindingen van Judith Harris worden bevestigd door Lawrence Wright, een journalist van het weekblad The New Yorker, die een elegant boekje schreef over de resultaten van het onderzoek onder tweelingen. Tweelingen hebben in elk geval een gemeenschappelijke geschiedenis in het gezin. Wanneer ze eeneiïg zijn, hebben ze bovendien hetzelfde genetische materiaal. Als identieke tweelingen bij hun geboorte worden gescheiden en in verschillende gezinnen worden opgevoed, ontstaat de mogelijkheid erfelijke en omgevingsfactoren tegen elkaar af te wegen.

Identieke tweelingen die gescheiden zijn opgegroeid, gaan in de loop van hun leven vaak weer meer op elkaar lijken. Ze lijken zeker niet minder op elkaar dan eeneiïge tweelingen die wel samen zijn grootgebracht. In het boek staan mooie anekdoten over tweelingen die elkaar na twintig of dertig jaar weer, of soms zelfs voor het eerst, tegenkomen en dan het gevoel hebben dat ze een dubbelganger ontmoeten.

Wright: 'Het is de meest narcistische ontmoeting die je je kunt voorstellen - om niet alleen te kijken naar en te praten tegen je bijna-zelf, maar ook om je bijna-zelf mee te maken, zoals anderen jou moeten ervaren. Het is alsof je je eigen stem op een band hoort of je jezelf voor het eerst op televisie ziet.'

De opvoeding speelt een te verwaarlozen rol bij de ontwikkeling van persoonlijke eigenschappen, hetgeen Wright uitvoerig illustreert met intelligentie-onderzoek. Alleen in het begin van een adoptieperiode is er bij jonge kinderen een effect, maar in de loop van de tijd ebt dat effect weg. Het heeft dan ook weinig zin, meent hij, om via opvoedingsstrategieën te proberen intellectuele prestaties te verhogen.

Wright kent aan de genetische factoren een veel grotere betekenis toe dan Harris: 'De genen sturen de ervaring.' De omstandigheden dicteren niet zozeer het verloop van iemands leven, stelt hij, zij zijn veeleer een uitdrukking van de innerlijke natuur van de persoon. Tweelingenonderzoek bewijst zijns inziens dat we niet iemand worden, maar iemand zijn.

Wright vraagt zich zelfs serieus af of de mens wel een vrije wil heeft. Het antwoord luidt uiteindelijk toch bevestigend en hij ontkracht daarmee zijn eigen stelling omtrent het primaat van de genen over de omgeving.

Een onderzoek onder vierduizend tweelingenparen die in Vietnam hebben gevochten, toonde aan dat de ernst van psychische problemen sterk samenhing met de mate waarin men was blootgesteld aan gevechten. Het verschil in ervaring geeft hier de doorslag, niet de erfelijke aanleg voor psychische stoornissen. Aan het slot moet Lawrence Wright dan ook concluderen dat de menselijke persoonlijkheid toch onafhankelijk is van de genetische identiteit. Tweelingen mogen dan klonen zijn, ze zijn niet één persoon.

Judith Harris heeft hieromtrent nog een mooie anekdote, die ook heel goed in haar eigen straatje past. Van een identieke tweeling, die zeer vroeg werd gescheiden, bracht de ene het tot concertpianiste, terwijl de ander geen noot kon spelen. De één werd geadopteerd door een pianolerares, de ander door twee amuzikale adoptieouders. Maar juist bij de laatsten groeide de concertpianiste op, en werd de tweelingzus die geen noot kon spelen, opgevoed door de muzieklerares.

In de discussie die naar aanleiding van The Nurture Assumption is losgebarsten, blijft Judith Harris tot dusver aardig overeind. Een causaal verband tussen de omstandigheden en de manier van opvoeding van kinderen en het uiteindelijk resultaat, hebben onderzoekers nooit kunnen aantonen. Ook degenen die blijven roepen dat de ouderlijke invloed van doorslaggevend belang is, erkennen over het algemeen dat ze dat niet kunnen bewijzen. Het tegenovergestelde - namelijk dat het deel van ieders levensgeschiedenis dat zich in het ouderlijk huis afspeelt, geen enkele invloed heeft op het latere leven - blijft intussen onwaarschijnlijk.

In haar ijver tot weging van geïsoleerde factoren heeft Harris geen oog voor de interactie tussen al die verschillende invloeden en omstandigheden. Opgevoed worden door één ouder mag op zichzelf niet nadelig voor kinderen zijn, maar als blijkt dat éénoudergezinnen vaker verhuizen en er door dat verhuizen een beduidend groter risico is dat kinderen uit onvolledige gezinnen ontsporen, wordt het moeilijk - en ook een beetje scherpslijperij - de verschillende factoren uit elkaar te halen.

SOMMIGE CRITICI, onder wie Rita Kohnstamm (in NRC Handelsblad van 31 oktober), opperen dat Harris' boek rampzalig kan zijn, omdat 'ouders die zich toch al onzeker, zo niet machteloos voelen, er aanleiding in zouden kunnen vinden zich maar terug te trekken en het grootgroeien over te laten aan de vrije krachten van de peer group'. Dat gevaar lijkt in deze eeuw van het kind niet zo groot. Juist de opvoedingshypothese maakt (potentiële) ouders onzeker over de vraag of ze zelf wel 'rijp' zijn hun kinderen op te voeden. Harris ontkent overigens niet dat de invloed van ouders binnenshuis groot is en moedigt ouders aan hun gezag te laten gelden.

Het isoleren van de peer group als doorslaggevende omgevingsfactor is in theoretisch opzicht relevant, erkennen Harris' critici, maar ook voor de stelling van Harris ontbreekt vooralsnog de empirische bewijsvoering. Daarin hebben ze gelijk. Hetzelfde geldt trouwens ook voor de invloed van genetische en evolutionaire factoren op de ontwikkeling van de persoonlijkheid en het gedrag van volwassenen: het is allemaal nog erg speculatief.

Judith Rich Harris: The Nurture Assumption - Why Children Turn Out the Way They Do.

The Free Press, import Van Ditmar; 480 pagina's * 64,95.

ISBN 0 684 84409 5.

Lawrence Wright: Twins - And What They Tell Us about Who We Are.

John Wiley & Sons; 208 pagina's; * 67,50.

ISBN 0 471 25220 4.