Ouderen zijn straks hard nodig

‘Donner op drijfzand’ schreef Willem Velema vorig week het plan van de minister van Sociale Zaken om de AOW-leeftijd te verhogen....

‘De voortgaande vergrijzing van ons volk is een niet te ontkennen feit. Zij maakt het treffen van voorzieningen voor de oude dag urgenter, maar ook moeilijker, want kostbaarder. Zou de last te zwaar worden in de toekomst, dan is verlichting mogelijk door de pensioengerechtigde leeftijd te verhogen; een mogelijkheid, welke goed aansluit aan een toeneming van de gemiddelde leeftijd en een verbeterende lichamelijke conditie der bejaarden.’

Het zijn memorabele woorden van de minister van Sociale Zaken die de Algemene Ouderdomswet op zijn naam heeft staan. Dat was niet Willem Drees, zoals vaak wordt gedacht, maar Ko Suurhoff. Al bij de invoering van de AOW, in 1957, voorzag hij een verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd. De regering kon dan ook geen garantie geven dat de AOW-leeftijd altijd 65 jaar zou blijven.

Nu zitten we midden in de discussie daarover, zoals ook uit het essay ‘Donner op drijfzand’ van Willem Velema blijkt (het Vervolg, 2 mei). We hebben het langer uitgehouden met die 65 dan de ministers vermoedelijk toen verwachtten en het is ook niet alleen de toegenomen levensverwachting die een verhoging nodig maakt. Wat Suurhoff en minister-president Drees in 1957 niet hebben en niet konden voorzien dat zijn de snelle daling van het aantal geboorten – de ontgroening – en de oplopende kosten van de AOW.

De AOW begon in 1957 als een echt basispensioen. Een echtpaar kreeg nog geen 650 euro per jaar. Samen. Nu krijgen gehuwde partners dat bedrag ongeveer per maand. Per persoon. In de eerste jaren van de AOW werd dan ook minder dan een half miljard euro aan uitkeringen uitgegeven. Nu is dat meer dan 25 miljard euro. En als er niets verandert, dan zal dat in het jaar 2040 het dubbele zijn: bijna 50 miljard euro.

Die stijgende lasten moeten door steeds minder schouders worden gedragen. De potentiële beroepsbevolking – dat is de bevolking tussen de 20 en 65 jaar – zal de komende dertig jaar met ongeveer één miljoen afnemen, terwijl het aantal 65-plussers met zo’n twee miljoen toeneemt. In het jaar dat de AOW werd ingevoerd, waren er voor iedere AOW’er zes potentiële premiebetalers AOW. Nu zijn dat er nog maar ruim vier. En als we niets doen dan daalt dat de komende dertig jaar tot twee. Waar er eerst dus meer dan zes mensen waren om premie te betalen voor één AOW’er, zijn het er straks nog maar net twee.

Straks hebben we voor iedere niet-werkende één werkende, die alle lasten van de verzorgingstaat moet opbrengen. Volgens de prognoses zal de potentiële beroepsbevolking over dertig jaar ongeveer gelijk zijn aan het aantal 65-plussers en 20-minners samen.

Als we niets doen dan zit straks het geheel van de verzorgingstaat in drijfzand. Het kabinet is zich heel wel bewust dat het verhogen van de pensioenleeftijd niet de enig denkbare oplossing is. We kunnen ook de belastingen en premies steeds verder verhogen of we kunnen de uitkeringen, voorzieningen en zorg steeds verder beperken.

Het kabinet kiest echter voor het meest verantwoorde en aanvaardbare alternatief: een uitbreiding van de arbeidsparticipatie door onder meer een verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd. Zo’n maatregel sluit goed aan bij de gezondheidswinst die de afgelopen vijftig jaar is geboekt: mensen leven niet alleen langer, ze worden ook gezónder oud. Van de 65-jarigen die in 1957 voor het eerst AOW kregen, was de verwachting dat ze gemiddeld genomen vijftien jaar ‘van Drees zouden trekken’. Van de ouderen die nu voor het eerst AOW krijgen, is de verwachting dat ze negentien jaar AOW zullen ontvangen. Dat is een kwart langer.

Het gaat ook niet alleen en zelfs niet in de eerste plaats om geld. We hebben ouderen hard nodig. De crisis richt de aandacht nu vooral op de groeiende werkloosheid, maar op iets langere termijn lopen we weer aan tegen een afnemend arbeidsaanbod en een toenemende schaarste aan arbeidskrachten. In de zorg raamt men dat als er niet meer ‘handen’ bijkomen, er straks van de honderd mensen die zorg nodig hebben maar zestig verzorgd kunnen worden.

Niet alleen zorg, onderwijs en politie zijn in het geding, maar ook bedrijfssectoren die wezenlijk zijn voor de economie en onze ontwikkeling. Willen we publieke voorzieningen zoals het onderwijs en de zorg, alsook de economie draaiend houden, dan is het eenvoudig noodzakelijk dat ouderen behouden blijven op de arbeidsmarkt.

Het gaat dus om méér dan een financieel probleem, inzet is het functioneren van de verzorgingstaat. Ik mis die argumenten in het essay van Velema. Het begint met de constatering dat minister Donner vastbesloten is de pensioenleeftijd tot 67 jaar te verhogen. Dat is niet juist. Kabinet en de coalitiefracties samen menen dat dit gegeven de omstandigheden nodig is onder voorbehoud dat we na advies van de SER zullen bezien of er nog een beter alternatief is. Het is ook niet dat alleen Nederland dit van plan is. Andere landen van de Europese Unie hebben al besloten om de pensioengerechtigde leeftijd te verhogen; Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Denemarken, Noorwegen, Zweden.

Velema maakt zich vooral druk over de opbrengst van de verhoging van de AOW-leeftijd, die zou volgens hem geen vier miljard euro zijn, zoals het Centraal Planbureau (CPB) verwacht. Onder verwijzing naar moeilijke situatie nu van ouderen op de arbeidsmarkt stelt hij dat daarin weinig of niets verandert door verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd. Wijzend op de ‘schamele’ 13 procent van de 64-jarigen die nu betaalde arbeid heeft, vreest hij dat verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd eerder meer dan minder geld gaat kosten.

Laat ik de heer Velema gerust stellen; het kabinet is zich bewust dat als de pensioenleeftijd hoger is uitkeringen die mensen hebben ook door zullen lopen. Het kabinet gaat er ook niet vanuit dat iedereen over twintig of dertig jaar tot zijn of haar 67ste door blijft werken. Maar ik erken, de heer Velema heeft gelijk; als de wereld – lees de arbeidsparticipatie van ouderen – na vandaag niet meer verandert, dan wordt het er niet beter op. Maar sinds wanneer verandert de wereld niet meer?

De veronderstelling dat de arbeidsmarkt voor ouderen onveranderlijk en onveranderbaar is, berust niet op feiten. De arbeidsparticipatie van ouderen tussen de 55 en 65 jaar is de laatste jaren juist snel gestegen. Tien jaar geleden was dat nog maar zo’n 40 procent. Nu ligt dat boven de 50 procent en het CPB verwacht dat dit mede dankzij maatregelen die het kabinet heeft getroffen, de komende tien jaar tot 60 procent zal stijgen. In 2000 hielden Nederlanders gemiddeld op hun 60ste op met werken; nu is dat al 62 geworden en uit de Nationale Arbeidsenquête die eergisteren werd gepubliceerd blijkt dat een groeiend aantal Nederlanders verwacht langer te zullen werken.

Veel mensen willen door blijven werken, omdat ze zich op die wijze kunnen blijven ontwikkelen, sociale contacten houden en volop mee blijven draaien in de samenleving. Bovendien: uit onderzoek blijkt dat de bereidheid van mensen om langer door te werken snel toeneemt, naarmate dit vanzelfsprekender is.

Als we tegen die achtergrond naar de cijfers van Velema kijken, komt een ander beeld naar voren. Twee jaar later recht op AOW betekent ongeveer 4 miljard euro per jaar minder aan AOW uitgaven. Daar staat inderdaad tegenover dat de uitkeringen van mensen dan ook langer kunnen doorlopen. Maar hoe meer mensen doorwerken des te positiever is het effect voor de arbeidsmarkt, de belasting- en premieopbrengst en de aanvullende pensioenen.

Zelf meent Velema dat slechts een kwart van de beroepsbevolking tot 67 jaar hoeft te werken om per saldo 4 miljard euro aan besparing te realiseren. Op dit moment werkt al zo’n 20 procent van de beroepsbevolking tussen de 60 en 65 jaar, dus dat moet kunnen. Ook van de mannen tussen de 65 en 74 jaar blijkt momenteel al 13 procent te werken.

Het gaat bovendien ook niet om een verandering die morgen gerealiseerd moet zijn, maar om een termijn van vijftien of twintig jaar of langer aan het eind waarvan die verandering plaats moet vinden. In die tijd zullen we met elkaar de arbeidsmarkt voor ouderen moeten verbeteren; zullen we moeten kijken hoe ouderen die best willen doorwerken maar niet vijf dagen per week, meer mogelijkheden daartoe krijgen; zullen we moeten kijken wat er nodig is om te zorgen dat ouderen niet doorwerken omdat ze moeten, maar ook omdat het iets toevoegt aan hun bestaan.

Het kabinet zal, zoals toegezegd, de Tweede Kamer binnenkort een nota sturen over de verschillende aspecten, keuzen en mogelijkheden die bij een verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd spelen. De staatssecretaris mevrouw Klijnsma en ik werken daar hard aan.

Mede op die basis kunnen we hopelijk een goede discussie voeren, want dat is het waard. De inzet is niet gering. Hoe houden we publieke voorzieningen, sociale zekerheid, zorg en pensioenen op een verantwoord niveau. Daarom moeten we in de discussie niet in het drijfzand geraken van veronderstelde tegenstrijdige berekeningen over een werkelijkheid van over tien of twintig jaar. De werkelijke inzet is hoe we de verzorgingstaat drijvend houden.

pagina 14

Wat levert een hoge AOW-leeftijd op?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden