Oude vijand helpt, ondanks achterdocht

Ook vóór de aardbeving stond de Dominicaanse Republiek er al beter voor dan Haïti.

Ze zijn hard nodig, de extra blauwhelmen die de Verenigde Naties naar Haïti willen sturen om de orde te handhaven en hulpkonvooien te beschermen. Maar toen de Dominicaanse Republiek deze week aanbood voor deze missie 800 mensen te leveren, sloeg Haïti dat direct af: hoe groot de nood ook is, er is geen behoefte aan extra militairen en agenten uit het buurland.

Die vijandigheid gaat terug tot het begin van de 19de eeuw. De slaven op het westelijk deel van het eiland Hispaniola hadden zich onder het juk van de Fransen vandaan gevochten en Haïti werd in 1804 de eerste onafhankelijke zwarte staat ter wereld. Santo Domingo, het Spaanstalige oostelijk deel van het eiland, riep pas in 1821 de onafhankelijkheid uit. Het werd een jaar later door Haïti veroverd en tot 1844 bezet gehouden; daarna werd het de onafhankelijke Dominicaanse Republiek.

Het bleef echter in beide landen onrustig: verscheidene bevolkingsgroepen streden om het geld en de macht, maar ook buitenlandse mogendheden wilden hun investeringen (in met name plantages) veiligstellen. Maar waar de dictators in de Dominicaanse Republiek werden opgevolgd door leiders die relatieve rust en groei brachten, werd Haïti onophoudelijk geteisterd door couppogingen en samenzweringen.

Het westelijk deel van Hispaniola is nog steeds straatarm en stuurloos, terwijl het oostelijk deel overeind is gekrabbeld en een toeristische trekpleister is geworden.

Rijk kan de bevolking van de Dominicaanse Republiek zich zeker niet noemen – het onderwijssysteem en de gezondheidszorg moeten dringend worden hervormd en de regering van president Leonel Fernández (die in 2008 is herkozen) heeft zijn handen vol aan misdaadbestrijding en het uitroeien van corruptie. Maar de Haïtianen, dat zijn pas echte sloebers.

Als ze de kans krijgen, trekken ze de grens over op zoek naar seizoenarbeid, of om te bedelen. Dat leidt in beide landen tot spanningen: de Haïtiaan voelt zich uitgebuit, en de Dominicaan vreest dat de illegale migranten (naar schatting een miljoen personen) voor altijd willen blijven en dan een toename van onrust en criminaliteit zullen veroorzaken.

Toch gedraagt de Dominicaanse Republiek zich na de aardbeving als een goede buur. Terwijl de internationale gemeenschap zich nog over de omvang van de aardbeving verbaasde, werden vanuit Santo Domingo al voedsel, water, medicijnen en artsen gestuurd. Haïtiaanse slachtoffers worden in Dominicaanse ziekenhuizen geopereerd (voornamelijk in de grensplaats Jimaní), en de Dominicaanse president Fernandez vloog twee dagen na de beving als eerste buitenlandse politicus naar Port-au-Prince, waar hij zijn hulp aanbood.

Fernandez hield woord. Er is al een donorconferentie in de Dominicaanse Republiek gehouden, waarop het organiserende land zelf 8,11 miljoen euro heeft toegezegd (ter vergelijking: Spanje heeft 6 miljoen gedoneerd). Bovendien stelde Fernandez tijdens de conferentie voor een fonds te creëren waarmee Haïti er de komende vijf jaar bovenop kan worden geholpen. Hij rekende voor dat hiervoor jaarlijks anderhalf miljard euro nodig is.

De Dominicaanse hulp komt net als die van de Verenigde Staten niet alleen voort uit humanitaire overwegingen. Ook de vrees te worden overspoeld door vluchtelingen speelt mee. En de meeste hulp wordt door Haïti in dank aanvaard – maar zodra het gaat om militairen en agenten, wint de achterdocht het van de nood.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.