Oude soldaten sterven toch

Twee nieuwe biografieën werpen licht op de inmiddels zo goed als verdwenen generatie van grote Amerikaanse oorlogsschrijvers: Joseph Heller en Kurt Vonnegut Jr.

Ach ja, zo gaan die dingen. Op 14 maart 2007 zou Kurt Vonnegut - een van de meestgelezen, geliefdste Amerikaanse auteurs van zijn tijd - even snel de hond uitlaten. Hij lijnde zijn witte keffer Flour aan en liep met haar het stenen geveltrappetje af voor zijn stadsvilla aan 228 East Street, Manhattan. De hond draaide zich onverwachts om, want Flour wilde zien of haar baas er al aankwam. Vonnegut struikelde over haar riem en ging languit tegen het plaveisel. De 84-jarige ongelukkige zou niet meer uit zijn coma ontwaken. Hij overleed op 11 april 2007. Als het allemaal niet zo treurig was, zou je haast zeggen: zo'n lullig einde past wonderwel bij zijn omvangrijke oeuvre, waarin zo veel slapstick en absurdisme verwerkt was. Of, in Vonneguts berustende woorden: And so it goes.


Behalve een abrupt afscheid van een spitsvondig commentator op het menselijk tekort betekende de dood van Vonnegut een slag voor de generatie auteurs die de Tweede Wereldoorlog zelf hadden doorleefd. Zo langzamerhand bleven er niet veel schrijvende veteranen over. Joseph Heller - van de oorlogssatire Catch-22- was al op 12 december 1999 vertrokken, en Norman Mailer - die van het ontluisterende The Naked and the Dead - kreeg op 10 november 2007 zijn finale aanzegging. Generaal Douglas MacArthur zat er dan ook lelijk naast toen hij overmoedig snoefde: old soldiers never die, they just fade away - waar hij dan pas zelf weer op 5 april 1964 achter kwam. Norman Mailer had nog onder de oude ijzervreter gediend.


Wat blijft zijn de verhalen en de romans. En de biografieën, natuurlijk: over Mailer bestonden er al een paar, en door een gelukkig toeval hebben nu ook Joseph Heller (Just One Catch) en Kurt Vonnegut (And So It Goes) er allebei zojuist een gekregen. Je kunt die biografieën kruisen om te zien wat deze tijdgenoten - alle drie uit 1922/23 - over elkaar als persoon te zeggen hebben, alsook wat ze van elkaars werk vinden. Maar het aardigst blijven toch wel de beschrijvingen van hun lotgevallen in de Tweede Wereldoorlog. En hoe die uiteindelijk - in aangepaste, literaire vorm - een onuitputtelijke bron bleken voor hun hoogwaardige schrijverij.


Legerkok

Norman Mailer uit New Jersey was legerkok. Hoe kan het ook anders? Dat zie je hem wel doen. Hij diende bij het 112de legerkorps van de cavalerie, toen dat de Japanners van de Filipijnen verjoeg. Joseph Heller uit Coney Island, Brooklyn, zat bij de luchtmacht. Hij vloog in zijn B-25 vanuit Corsica zestig missies gericht op Zuid-Italië, Frankrijk en Duitsland. Dit is wat hij zei over zijn tijd onder de wapenen, zo lezen we in zijn biografie: 'Ik wilde zien wat er aan de hand was, wat ik allang had gezien in de bioscoop. Ik wilde parachutes zien, en vliegtuigen die in vlammen naar beneden stortten. Maar ik moet bekennen dat minimaal de helft van mijn missies zogeheten milk runs waren, vluchten zonder noemenswaardige weerstand. Er was helemaal geen Luftwaffe meer tegen de tijd dat ik overzee belandde. De oppositie kwam van het luchtafweergeschut, er was in het geheel geen romantische strijd in de wolken. Ik was aanvankelijk enorm teleurgesteld. Ik was een idioot, destijds.'


De kentering kwam bij zijn zevenendertigste missie. Het was 15 augustus 1944, en het mikpunt waren de spoorbruggen over de Rhône bij Avignon. Al tijdens zijn training had Heller geleerd hoe de bommenrichter, de bombardier, in zijn plexiglas koepeltje (the hothouse) op de punt van de kist hooguit drie minuten zou overleven als het op een serieus gevecht aankwam.


Die wetenschap maakte dat hij zich sowieso altijd al kwetsbaar en bekeken voelde, maar deze keer scheen zijn laatste uur werkelijk geslagen. Duits afweergeschut haalde een andere bommenwerper uit het squadron naar beneden, en direct daarop volgden een vonk, een flits en een klap. Vleugel geraakt! 'Ik werd overweldigd door mijn angsten.' Geen wonder dat de protagonist uit Catch-22, kapitein John Joseph Yossarian, er voortaan alles aan zou doen om zijn snor te drukken. In diens onnavolgbare taal: 'Ik wil voor altijd leven of sterven tijdens de poging daartoe.'


En Kurt Vonnegut, toen nog Jr., uit Indianapolis, Indiana dan? Die had vooral een slechte timing. Wat heel gek is als je zijn boeken kent, waarin hij als een schrijvende George ('I Got Rhythm') Gershwin zo'n fijne staccato op het papieren klankbord legt. Hij gooide geen bommen vanuit een B-25. Nee, hij kreeg ze op zijn hoofd. Toen hij zich in 1943 - bij wijze van vlucht vooruit na een halfmislukte bèta-studie aan de Cornell University - vrijwillig had aangemeld bij het Amerikaanse leger, kende hij nog visioenen over 'Hemingway-waardige kopij, van belang voor een breed publiek'.


Daar sprak de journalist en aankomend auteur in hem, begrijpen we, want met die studie chemie mocht het dan niets zijn geworden, bij de schoolkrant had hij het zonder moeite geschopt tot columnist en adjunct-hoofdredacteur.


Na een militaire opleiding in Fort Bragg, Noord-Carolina en Camp Attenbury, Indiana, werd hij, ondanks zijn slungelige gestalte, ingedeeld als informatie-officier en verkenner bij het 423ste Infanterie Regiment. Met de Queen Elizabeth - destijds het grootste passagiersschip ter wereld, maar voor de gelegenheid overgeschilderd in camouflage-kleuren - werden de militairen met duizenden tegelijk vanuit New York de oceaan overgezet. Tot zijn eigen verbazing bleek Vonnegut te zijn ondergebracht in de bruidssuite, het was er ruim en aangenaam.


Eenmaal aangekomen in Engeland werd het kazerneleven weer vertrouwd routineus en derhalve weinig opwindend. Dat wil zeggen, totdat de orders binnenkwamen. Op 6 december 1944 staken ze Het Kanaal over en arriveerden ze in Le Havre. Het begon onmiddellijk te regenen, en sommigen van de mannen maakten grappen over 'welkom in zonnig Frankrijk'. Daarna ging het richting front, waarmee Vonnegut pardoes terechtkwam in het Ardennen-offensief, die laatste wanhoops-poging van de Duitsers.


Nog voordat hij een schot had kunnen lossen, werden hij en zijn eenheid overrompeld in hun schutters-putje. 'We kunnen jullie zien!' had het omineus geklonken. 'Geef je over!'


Een van de soldaten uit Vonneguts peloton - de doorgaans zo laconieke Ierse-Amerikaan en drinkebroer Bernard O'Hare - frommelde nerveus met zijn bevroren vingers door de standaard-woordenlijst van het Amerikaanse leger, op zoek naar de frase: 'Nicht schiessen!', maar kwam eruit met: 'Nein! Scheisse!' Want waar Vonnegut verschijnt, is de Laurel & Hardy-slapstick-verwarring nooit ver weg, denk je dan als lezer, zelfs niet in oorlogstijd. Vanaf de overkant hoorden ze uitdagend gelach en gegrinnik. Vonnegut legde zijn handen bovenop zijn helm en wachtte af.


Ongetwijfeld zag hij als eerste het idiote van de hele situatie in. We moeten begrijpen: Kurt plus Vonnegut klinkt Duits, niet? Hij was van de vierde generatie Duitsers die vanuit Noordrijn-Westfalen in het midden van de 18de eeuw naar Amerika waren getrokken, soms werd hij in zijn jeugd gecomplimenteerd met: 'Nou, voor een Duitser spreek je heel goed Engels.'


En hoewel hij zich zo Amerikaans als een hamburger voelde, kon hij het aan het begin van de oorlog toch niet laten om zijn mede-studenten bij de schoolkrant van Cornell erop te wijzen dat Duitsland meer was dan nazi-politiek. Denk alleen maar aan Beethoven.


In zijn columns had hij aanvankelijk voor een Amerikaans isolationisme gepleit, totdat het hem duidelijk werd dat het een oorlog was die het waard was om gevochten te worden. En dan dit! Duitse soldaten verschenen voor zijn neus, eentje met een gigantisch machinegeweer voorop. Een jongen nog, hooguit een jaar of 15: Hitlerjugend.


Volgden drie dagen van marcheren met tienduizenden andere Amerikaanse krijgsgevangenen. Daarna werden ze in Gerolstein op een trein gezet, ze kwamen uit in Stalag IV in Mülhberg. Het bleek er zo overvol dat de Duitsers bij het ochtendappèl 150 mannen aanwezen die voor dwangarbeid naar Dresden zouden worden gestuurd: 'Jij... jij... jij.'


En Vonnegut. Slechter had hij het niet kunnen treffen. Tussen 13 en 15 februari 1945 veranderde Dresden - tot dan toe gespaard om zijn culturele erfgoed - in een vuurzee, toen 1.300 geallieerde bommenwerpers in vier aanvalsgolven hun apocalyptische lading loslieten op het 'Florence aan de Elbe'. Het dodental werd aanvankelijk geschat op 200 duizend, een cijfer dat onlangs aanzienlijk naar beneden is bijgesteld, maar de controverse over deze gezamenlijke actie van de Britse en Amerikaanse luchtmacht is nog altijd niet helemaal verstomd.


En daarover schreef Kunt Vonnegut dus uiteindelijk zijn anti-oorlogsroman, het in 1969 verschenen Slaughterhouse-Five, vernoemd naar het slachthuis waarin hij noodgedwongen schuilde tijdens die luchtaanvallen. Zoals hij memoreerde in zijn essaybundel Palm Sunday (1981): 'Het onmenselijke bombardement op Dresden, buitenproportioneel kostbaar en zorgvuldig gepland, bleek uiteindelijk zo onzinnig, dat er maar één persoon op de complete planeet is die er profijt van trok. Die persoon ben ikzelf. Ik schreef dit boek, waarmee ik een boel geld verdiende en dat mij mijn reputatie schonk. Op de een of andere manier verdiende ik 2 tot 3 dollar aan iedere persoon die daar gedood werd. Some business I'm in.'


Achter de schermen

Het leuke van biografieën is dat je een blik achter de schermen wordt vergund. En hoewel direct moet worden gezegd dat Tracy Daugherty van Hellers biografie Just One Catch een aanzienlijk betere pen heeft dan Charles J. Shields van de Vonneguts And So It Goes, steken de liefhebbers van Angelsaksische literatuur van beide boeken toch heel wat op. Nu weten we bijvoorbeeld wie er model stond voor kapitein John Joseph Yossarian uit Catch-22, en dat is niemand minder dan de brave soldaat Švejk uit de gelijknamige oorlogssatire van Jaroslav Hašek uit 1923. Heller vermengde deze klassieke Tjechische antiheld met de observaties over piloten die hij tijdens de oorlog had leren kennen, en zo schiep hij weer zijn eigen tijdloze antiheld.


En Billy Pilgrim, de verknipte protagonist van Vonneguts Slaughterhouse-Five? Hij is wat je noemt helemaal een real life character: Edward 'Joe' Crone uit Rochester, New York. Een wat wereldvreemde jongen die nooit in dienst had moeten zitten, buitengewoon onhandig, de pain in the ass van het peloton, en die het liefst na de oorlog priester zou willen worden, vandaar natuurlijk dat 'Pilgrim'.


Hij zou het einde van de oorlog niet halen, getroffen door ondervoeding en opeenvolgende ziektes. 'Hij eindigde met een starende blik, de thousand yard stare', haalde Vonnegut op. 'Zitten, met de rug tegen de muur, niet willen praten, niet willen eten... de volgende ochtend was hij dood. Hij was een prachtige, bijna heilige soort van idioot.'


Nog gekker werd het toen Vonnegut in 1997 een lezing gaf in Rochester, New York. De organisatrice, bekend met zijn werk, reed hem naar het tweehonderd jaar oude Mount Hope Cemetery, en toonde hem het militaire graf van Edward 'Joe' Crone. Vonnegut raakte in verwarring. Per slot had hij zelf gezien hoe de overleden Joe in Dresden in een papieren bodybag was afgevoerd. Het bleek dat zijn ouders na de oorlog vijf jaar bezig waren geweest om het stoffelijk overschot thuis te brengen, inclusief een reis naar (inmiddels) Oost-Duitsland. Vonnegut vroeg een moment voor zichzelf bij het graf, stak een sigaret op, huilde, en keerde terug naar de auto: 'Zo... dat sluit het boek over WO II voor mij.'


Want zo gaan die dingen.


Eén vraag blijft voor exegeten onbeantwoord. Het is natuurlijk pure speculatie, maar het hád gekund. Stel dat Joseph Heller piloot was geweest in een van de Britse Lancasters of Amerikaanse B 17's, de vliegende forten, toen die boven Dresden verschenen. Dan had de ene Amerikaanse literaire held de andere bestookt (Catch-22 staat nummer 7 en Slaughterhouse-Five nummer 18 op de gezaghebbende Modern Library List of the 100 Best English-language Novels of the Twentieth Century), en schreven ze dus in feite over elkaar. Hoeveel literaire crosslinks willen we hebben?


Heller en Vonnegut hebben het er onderling vast weleens over gehad, want ze kenden elkaar allemaal goed, daar in Manhattan, tijdens een borrel, of beter nog bij een etentje van topkok Norman Mailer.


Charles J. Shields: And So It Goes. Kurt Vonnegut: A Life - Henry Holt and Company, New York. Winkelprijs: 26 euro 99. ISBN: 978-08050-8693-5


Tracy Daugherty: Just One Catch. A Biography of Joseph Heller St. Martins Pres's, New York. Winkelprijs: 30 euro 99. ISBN: 978-0-312-59685-9


WO II-GENERATIE


Generatiegenoten als Gore Vidal (gestationeerd op de Aleoeten, de eilandenreeks voor de kust van Alaska)


en de crooner Tony Bennett (voordat hij in de legerband terechtkwam, moest hij lijken ruimen aan het westelijk front) leven nog (net). Veel andere kunstzinnige representanten van de Amerikaanse WO II-generatie zijn inmiddels overleden, maar hun werk kent een blijvende impact. Op de gezaghebbende Modern Library List of the 100 Best English-language Novels of the Twentieth Century staat Norman Mailer met zijn oorlogsroman The Naked and the Dead (1948) op nummer 51, Kurt Vonneguts Slaughterhouse-Five (1969) op plaats 18, en Joseph Heller staat met Catch-22 (1961) op plek 7. Voor de volledigheid: nummer 1 is James Joyce's Ulysses.


EINDELIJK GERESTAUREERD


Het heeft zestig jaar geduurd voordat de tussen 13 en 15 februari 1945 door de Britten en Amerikanen verwoeste Frauenkirche in Dresden weer was gerestaureerd. Dat het zo lang heeft geduurd komt mede doordat er pas in 1995, enkele jaren na de val van De Muur in 1989, een begin mee werd gemaakt. De DDR had er het geld niet voor en gebruikte de ruïne tevens als monument voor het lijden van de Duitse burgers tijdens de Tweede Wereldoorlog. De restauratie van de 18de- eeuwse protestantse kerk nam vervolgens tien jaar in beslag. De herbouwde kerk werd op 30 oktober 2005 opgeleverd, wat bij de eindafrekening 180 miljoen euro bleek te hebben gekost.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden