Oude monsters op nieuwe bladen

Wie geïnteresseerd is in de poelomp of de butskop, kan zijn hart ophalen met het Walvisboek uit 1585. Een prachtige nieuwe uitgave komt eraan....

Door Marieke Aarden

Kerstmiddag 1999 was marien bioloog Kees Lankester niet weg te slaan uit de bibliotheek van de Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde in Antwerpen. Om zes uur ' s avonds zat hij nog te watertanden boven het Walvisboek van Adriaen Coenen uit 1585. De geduldige conciërge liet toen blijken dat kerstavond in België in huiselijke kring wordt gevierd.

'Dit boek moet bij het grote publiek komen. Het is te leuk om het te laten verstoffen', besloot Lankester toen. En zo zocht hij sponsors om zijn favoriete boek opnieuw gepubliceerd te krijgen in Nederland en het Verenigd Koninkrijk. Begin november komt het uit.

Wie geraakt wordt door Coenens naïeve illustraties van zeer herkenbare zeedieren, laat zich meevoeren in de wereld van de poelomp (octopus), butskop (een tandwalvis), de maanvis, sidderrog, hoosmond (zeeduivel), zeeslangen, zeevarkens, ondochten (zeewormen), vijfvoeten (zeesterren), zeedraken en -meerminnen. De heruitgave van het Walvisboek van Coenen, visveilingmeester te Scheveningen, bevat niet alleen 127 afbeeldingen van (wal) vissen en zeemonsters, zoals deze man die zag. Ze is ook gemoderniseerd en aangevuld met eigentijdse kennis. Mede daardoor is het boek zeer leesbaar.

Wordt er bijvoorbeeld op bladzijde 13 een 'Balena' getoond, een walvis met baleinen in plaats van tanden, dan geeft Coenen op pagina 12 een beschrijving van dit dier, waaruit Lankester opmaakt dat het om een Groenlandse walvis gaat: 'Deze walvissen hebben pijpen boven op het hoofd waaruit ze water blazen', schrijft Coenen. 'Als het gaat onweren verbergen ze hun jong in hun bek en na het onweer spuwen ze het weer uit.'

En in een tekst in kleinere letter op dezelfde bladzijde krijgen we van Lankester de geschiedenis van de Groenlandse walvis: 'Coenen leefde enkele decennia voordat Engelsen en Nederlanders in de buurt van Spitsbergen de Groenlandse walvis ontdekten. Een goede bron van lampenolie. Vanaf 1611 begon de grootschalige commerciële jacht.' De Groenlandse walvis raakte dan ook nagenoeg uitgestorven, maar heeft zich nu enigszins hersteld.

Er is nog méér gedaan om het oude boek nieuw leven in te blazen. Coenens teksten zijn bewerkt door de cultuurhistorici Florike Egmond en Peter Mason, die in 1990 op een ander manuscript van de Scheveninger stuitten en sindsdien verslaafd zijn aan zijn werk. Zij hebben de 16de-eeuws Nederlandse tekst omgezet in begrijpelijke taal. En het duo weet goed raad met anekdotes en levendige beschrijvingen van de visveilingmeester.

Coenen (1514-1587) was visserszoon en schreef het Walvisboek in twee jaar. Het is vermoedelijk een van de oudste geschriften in Nederland dat helemaal gewijd is aan walvissen, andere zeezoogdieren, vissen en andere zeewezens.

Coenen, een man die niet tot de elite behoorde, tekende aangespoelde walvissen, tikte bijzondere vissen op de kop die hij afbeeldde of liet vereeuwigen door schilders, en nam in zijn Walvisboek ook illustraties uit andere boeken over. 'Dat een man uit het volk het zo ver schopte dat hij boeken samenstelde, was uniek in Europa', zegt Florike Egmond. 'Zeker als je kijkt naar het kaliber van de tekeningen.'

Coenen zuigt kennis en feitjes op die de hedendaagse lezer meer inzicht geven in de zeden van die tijd. Zo verhaalt hij over een man uit Egmond die in Engeland een oneetbare toenhaai als steur verkocht. Hij werd opgehangen.

Hij beschrijft ook hoe de kaken van de aangespoelde walvis in Scheveningen (1577) tot eind 18de eeuw aan de Ridderzaal op het Binnenhof hebben gehangen waar het Hof van Holland rechtsprak. Ook elders in Europa werden walviskaken aan gerechtshoven en paleizen gehangen om de samenhang te symboliseren tussen de koning der dieren en de hoogste menselijke machten.

Coenen werkte zich op tot klerk, assistent-veilingmeester en meester van de visafslag in Scheveningen. Officieel werd hij ook strandvonder van een deel van de Zuid-Hollandse kust. In die rol mocht hij zich toeëigenen wat de zee voor hem aan land spoelde.

Veilingmeester werd je niet zomaar. De functie vereiste vaardigheid in lezen en schrijven, inzicht in financiën en een zekere mate van welstand, omdat deze functionaris vaak voorschotten uitbetaalde aan vissers.

Coenen beeldde niet alleen zeedieren af, hij ontleedde en droogde ze ook, verzamelde schelpen, gezegden en overleveringen over visvangst en de zee. Verzamelen zat deze Renaissance-mens in het bloed: versteende haaientanden, geslachtsdelen van walvissen, koraal, de zaag van de zaagvis en gedroogde rogjes. Die curiositeitencollecties hoorden een beetje bij de ontdekking van de nieuwe wereld. Het was de tijd van de opkomst van de Kunst-und Wunderkammern, waarmee de invloedrijke aristocratie haar vertrekken verfraaide.

Coenen paste dus in die tijd. Als leergierig mens die zich ook in andere milieus dan het zijne bewoog, kon hij snel stijgen op de maatschappelijke ladder. Hij was dan ook het nieuwe type 'intellectueel' met zijn nieuwsgierigheid naar dieren en zijn fascinatie voor het exotische. Zo hield hij thuis een tijd lang een levende zeehond.

Al snel raakte in het wereldje van vissers bekend dat Coenen vreemde exemplaren kocht. Hij verdiende aan zijn verzamelwoede. Als een marskramer reisde hij door het land en wie betaalde, mocht naar zijn curiosa kijken. Ook informatie verkocht hij voor geld.

Van de drie omvangrijke manuscripten die Adriaen Coenen schreef en illustreerde, bestaan er nog twee. Het tweede, zijn Visboeck, ligt bij de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Het wordt gerestaureerd en gedigitaliseerd. Het eerste gaf Coenen aan Willem van Oranje. Om de Oranjelijn door te trekken is prins Willem-Alexander gevraagd het eerste exemplaar van de heruitgave in ontvangst te nemen. De waterprins hapte niet.

Soms zijn er aardige overeenkomsten tussen Coenen en de huidige tijd. De zendiumreclame op de buis bijvoorbeeld, met het vogeltje dat voedselresten uit een opengesperde krokodillenbek haalt, lijkt rechtstreeks overgenomen uit het Walvisboek. 'Men zegt', aldus Coenen 'dat als de krokodil slaapt, met zijn bek open, een klein vogeltje met de naam trochilus, dat wil zeggen: roitelet, zijn bek ingaat en zich voedt met wat het tussen de tanden aantreft. Er is een bepaald soort rat die zelfs tot in de maag van de krokodil kruipt en als hij zich gevuld heeft met wat hij daar vindt en niet via dezelfde weg kan terugkeren, zich naar buiten vreet uit de maag waardoor de krokodil sterft.'

Het Walvisboek begint met de butskop die in 1584 komt aandrijven bij het eiland Schouwen. Dat het om zo'n tandwalvis ging, blijkt uit de begeleidende tekst. De laatst gesignaleerde butskop is in Nederland in 1997 gezien, toen het dier enkele dagen in de haven van Zierikzee rondzwom – dus op precies dezelfde plek waar Coenen het dier in 1584 had aangetroffen. Net als vierhonderd jaar geleden haalde deze soort het nieuws.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden