Oude kinderboeken aan de vergetelheid ontrukt

IN De hele Bibelebontse berg - De geschiedenis van het kinderboek in Nederland & Vlaanderen van de Middeleeuwen tot heden uit 1989 bleef de negentiende eeuw wat in de schaduw van de eeuw van de Verlichting, de achttiende....

Samen met zijn vrouw, Leontine Buijnsters-Smets, maakte hij de Bibliografie van Nederlandse school- en kinderboeken 1700-1800, in 1997 verschenen, een indrukwekkend boekwetenschappelijk werk. Mede door de inleidingen bij de verschillende genres en de talrijke illustraties werd deze bibliografie ook een kleine cultuurgeschiedenis, waarin de ideeën van de achttiende-eeuwse salons en geleerdenvertrekken in de kinderkamer zichtbaar werden.

Alleen ingewijden zullen het speur- en jachtwerk achter de 'catalogus' hebben kunnen vermoeden: heel veel van de boekjes zijn zeldzaam en werden hier voor het eerst gepresenteerd. Zeker de bibliograaf van kinderboeken moet een ontdekker zijn. Ook door hun eens zeer minieme aanzien waren zij nog maar met weinigen, toen de wetenschap interesse voor hen kreeg. Het even verleidelijke als ontmoedigende woord 'zeldzaam' komt in de Bibliografie dan ook geregeld voor.

Ook weer samen met zijn vrouw (en misschien juist daardoor) heeft Buijnsters nu het onmogelijke volbracht. Deze week, nog geen vier jaar na de Bibliografie, verscheen Lust en leering - Geschiedenis van het Nederlandse Kinderboek in de negentiende eeuw. Geen 'kinderliteratuur', maar 'kinderboek', want wat voor kinderen werd geschreven, is zowel fictie als non-fictie en dat laatste op vele gebieden. Kinderboek is ook meer dan zijn inhoud: de illustraties zijn van gelijk belang als de tekst, de vormgeving als geheel trouwens ook.

Het boek staat bij Buynsters centraal. Hij moet daarom niet alleen bijna onvoorstelbaar veel hebben gelezen, maar ook ontelbare boeken zelf in handen hebben gehad, gezien de vele opmerkingen over verschijningsvorm van een boek (welke dan weer met die van andere wordt vergeleken). De zeer nauwkeurige bibliografieën, die een aantal hoofdstukken afsluiten, bewijzen het ook. De boekenkenner en bibliofiel die hij is, verraden zich het hele boek door.

Juist de vele verschillende soorten boeken maken het een schrijver van een geschiedenis als deze onmogelijk de traditionele vorm van een literatuur-historie te volgen (er vanaf gezien dat hij voor een groot deel zelf het materiaal eerst bij elkaar moet brengen). De titel van het eerste hoofdstuk kan een traditionele vorm suggereren: 'De erfenis van de Verlichting', maar grote geestesbewegingen van de negentiende eeuw worden verder in het boek alleen even ingeleid. De meeste hoofdstukken behandelen genres en van die genres weer representatieve boeken, waarbij in de geschiedenis van het boek die van schrijvers en uitgevers, illustratoren ook soms, is opgenomen.

Twee auteurs krijgen een eigen hoofdstuk: de ongewoon veelzijdige en zeer productieve Jan Goeverneur en de al bijna even onvermoeibare Jan Schenkman, die de schrijver is van het enige gedicht waarvan elke Nederlander de eerste strofe kent: 'Zie ginds komt de stoomboot/ Uit Spanje weer aan.'

Door het zeer vele dat in een enkel hoofdstuk is ondergebracht - vaak ook prachtige beknopte biografieën van de auteurs die of predikant, of onderwijzer zijn - is elk hoofdstuk in feite een geschiedenis apart: van een aantal boeken uit een bepaald genre. De geschiedenis van het geheel wordt pas zichtbaar voor wie het omvangrijke boek uit heeft: een geschiedenis van zeden en gewoonten, van schrijvers, boeken, tijdschriften, uitgeverijen, buitenlandse kinderboeken - heel belangrijk - veronderstelde kinderzielen.

Schrijvers beoefenden vaak verschillende genres, waardoor hun werk verspreid over het hele boek aan de orde komt. Een van die figuren is P. Louwerse, die ook wel een eigen hoofdstuk had verdiend. Aan zijn grootheid wordt op vele plaatsen recht gedaan, het meest in het hoofdstuk over 'Het vaderlands gevoel'- waarin ook de liedjes van Jan Pieter Heije en het werk van de ook niet geringe P.J. Andriessen worden besproken - en in dat over 'Tijdschriften voor het 'Jonge Volkje' '.

Alleen al de manier waarop Buijnsters leven en werk van Louwerse beschrijft, is voorbeeldig, geestig ook vaak. Ook met de in het leven van veel schrijvers aanwezige tragiek - het leven berijmde zich toen nog als een smartlap - weet hij schitterend om te gaan.

De niet zo dikke chronologische lijn van het boek wordt zowel bepaald door veranderingen in inhoud - het wijken van de leer voor het leven, maar het ten slotte weer terugkeren van de leer - als ook in vorm. En die laatste wordt weer bepaald door ontwikkelingen in de druktechniek, die steeds fraaiere uitvoeringen in kleur, met name van prentenboeken, mogelijk maakten.

Maar er is nog een ander chronologische lijn: die van de buitenlandse voorbeelden, vertalingen en invloeden die het karakter van het Nederlandse kinderboek hebben gevormd. Door de manier waarop het Nederlandse boek in verband wordt gebracht met ontwikkelingen in Duitsland en Engeland is Lust en Leering zonder meer voorbeeldig. De hoeveelheid informatie is ronduit verbijsterend.

Tussen de twee woorden uit de titel - lust en lering - strekt zich de evenwichtsbalk uit, waarop de schrijvers van het kinderboek zich bewegen. Gelukkig de tijd wanneer zij er ter linkerzijde, aan de kant van de lust, afvallen. Dan ontstaan boeken die alleen maar willen amuseren (al blijft beleren niet helemaal afwezig). Juist in de vroegste uitingen, natuurlijk geïnspireerd vanuit Engeland, is de humor bijna een opstand tegen de bestaande orde. Dat geldt uiteraard ook voor de onder Duitse invloed - Struwelpeter! - ontstane Piet de Smeerpoets-boeken. Het lijkt erop dat de Duitsers en de Engelsen de Nederlandse brave Hendriken aan het lachen hebben moeten maken.

Vallen de schrijvers aan de rechterkant, dan ontstaan er deugdzame, moraliserende, opvoedkundige boeken die de kinderkleren al in de plooien van de voorbeeldige volwassenheid strijken. Voorbeelden - ook in vaak mooie citaten - te over in het boek. Tegen het einde van de negentiende eeuw verschijnen onbekommerde klassiekers als Dik Trom en Pietje Bell. Het kinderboek wordt even niet ernstig genomen; maar in het slothoofdstuk figureert Nelleke van Kol die - met gezagvolle uitwerking - meende dat het kinderboek naar het beginsel religieus, naar de strekking ontwikkelend, naar de inhoud alzijdig, naar de vorm helder moest zijn. Waarmee zij in 1899 een mooie bundeling gaf van een aantal hoofdlijnen uit talloze door Buijnsters behandelde boeken.

Heel leerzaam zijn de hoofdstukken over sprookjes, sagen en legenden, over de baker- en kinderrijmpjes en hun verschillende collecties en illustratoren, over het zo echt-Nederlandse genre van de Sinterklaasboeken en over de ingenieuze beweegbare boeken waarin uiteraard de vorm soeverein is.

Het is de niet geringe grootheid van het boek dat het zich met zoveel plezier laat lezen - daar is de lust. De stijl is bijna altijd zeer licht, geestig soms, en ondanks de ontzagwekkende hoeveelheid details, nooit vervelend. Misschien is de aanstekelijkheid van het boek nog de mooiste eigenschap: het echtpaar Buijnsters weet zijn enhousiasme voor het onderwerp over te brengen zoals het de ontdekkers die zij zijn, past. Hun altijd overwogen oordeel ontstaat steeds uit vergelijkingen, waardoor schrijvers en illustratoren de historische plaats krijgen die zij verdienen. Meer is niet mogelijk. Want ze zijn allen nu vergeten (wat niet willen zeggen dat de auteurs hun alles vergeven).

Zelf had ik graag meer biografische gegevens gehoord over de illustratoren. Onder de vele illustraties in het boek staat nooit een naam. Er waren uiteraard veel anonymi, maar toch ook bekenden. En wat een vaklui waren erbij! Er staan zoveel, veelal gekleurde platen in het boek dat het ook nog een prentenboek is geworden.

De mooiste correctie die de brave Nederlander heeft aangebracht, staat in het beroemde versje 'Altijd is Kortjakje ziek'. Iedereen kent het. Op zondag is zij beter: dan gaat zij naar de kerk 'met een boek vol zilverwerk'. Ze wil gezien worden. Maar de onderliggende tekst luidt:

Altijd is Kortjakje ziek

Middenin de weeck en sondags niet.

Dan gaet zij haer hart versterken.

Midden in de week wil zij niet werken.

Altijd is Kortjakje ziek

Midden in de week en Sondags niet.

Het is het refrein van een lied over 'een Secrete vrouw in den Stad die zo gerne de borrel had'.

Midden in de week is daar ineens een standaardwerk.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.