Oude en nieuwe conservatieven

Paars heeft zin in een derde regeringstermijn. Maar het neoliberalisme waar het voor staat, wordt zowel door links als rechts aangevallen....

EEN GROTER verschil in politieke uitgangspunten had er niet kunnen zijn. Toch blijken ze elkaar geheel onverwacht tegen te komen. De een presenteert zich onder de naam stichting Stop de Uitverkoop van de Beschaving, de ander als de Edmund Burke Stichting. De eerste naam riekt naar ouderwets links en activisme, de tweede naar nog ouderwetser conservatisme en bedachtzaamheid. Hun gemeenschappelijke vijand heet Paars, voor de een synoniem met de dictatuur van de vrije markt, voor de ander met moreel verval.

Heeft Paars er werkelijk zo'n bende van gemaakt dat we moeten vrezen voor het voortbestaan van onze beschaving? Het lijkt te getuigen van wereldvreemdheid om op het moment dat we zwemmen in het geld de noodklok te luiden over de toekomst van de samenleving. De begroting voor volgend jaar is klaar, iedereen krijgt er geld bij, en de coalitie lijkt steviger in het zadel te zitten dan ooit.

Dat SP'er Jan Marijnissen, de initiator van de stichting Stop de Uitverkoop van de Beschaving, meer geld wil voor de collectieve sector, zal niemand verbazen. De Edmund Burke Stichting, onder aanvoering van de Leidse rechtsfilosoof en voormalig VVD-ideoloog Andreas Kinneging, houdt zich verre van dit soort platvloerse pleidooien, al was het maar omdat er in haar ogen eerder te veel dan te weinig overheid is. Toch is er onmiskenbaar iets dat beide initiatieven bindt.

Niemand zal bestrijden dat het Nederland onder Paars economisch beter gaat dan ooit, ook al heeft de coalitie daar zelf misschien betrekkelijk weinig invloed op uitgeoefend. De rijkdom heeft in een aantal opzichten zelfs zulke vormen aangenomen dat, indachtig onze egalitaire, calvinistische cultuur, een gevoel van ongemak ontstaat. Het gaat daarbij niet alleen om de door Marijnissen c.s. gesignaleerde discrepantie tussen private rijkdom en collectieve armoede. Het is het gevoel dat iemand bekruipt die na jaren van hard werken financieel binnen is - tweede huis, tweede auto, tweede vrouw - en zich op een dag afvraagt: is that all there is?

Wat Paars betreft, luidt het antwoord naar we moeten vrezen: ja. Sinds de PvdA haar laatste ideologische veren heeft afgeschud en de VVD onder Dijkstal lijkt terug te keren naar het Veronica-liberalisme uit de dagen van Nijpels ('gewoon jezelf zijn'), is politiek meer en meer een kwestie van management geworden. Nadat we ons een kleine acht jaar geleden eindelijk wisten te bevrijden van het 'eeuwige' CDA, surfen we op de golven van het neoliberalisme de 21ste eeuw in. Moraal is iets voor een SIRE-campagne en conservatieven wekken vooral de lachlust.

Het succes van Paars is vooral het succes van de markt en de markt houdt zich niet bezig met de vraag of het geld rechtvaardig wordt verdeeld en wil evenmin weten of we liever naar de opera gaan of naar de hoeren, of we 's avonds een goed boek willen lezen of liever naar commerciële pulp kijken. Wat overblijft, is wat het best verkoopt. Het is hier dat de kritiek van links en rechts op het neoliberalisme elkaar ontmoeten.

Dit leidt soms tot opmerkelijke positiewisselingen voor wie altijd dacht dat links geen taboe respecteerde. Het was Marijnissens partijgenoot en collega-Kamerlid Harry van Bommel die zich eind vorig jaar in een open brief tot tv-producent John de Mol richtte. Aanleiding voor het schrijven was het nieuwe tv-programma Ja, ik wil een miljonair.

'Waar houdt dit op?', wilde Van Bommel weten. 'Zijn jullie niet tweeduizend jaar te laat geboren, hadden jullie spelletjes niet beter in het Caligula-tijdperk gepast? Wat is je drijfveer om de voosheid en de afbladderende beschaving te etaleren als het hoogste goed? Wat wil je ermee bereiken, behalve kijkcijfers en persoonlijke rijkdom? Interesseert het je niet dat onze kinderen zo een volslagen vertekend beeld krijgen van de wereld waarin wij leven?'

Een publiciteitsstunt? Dat was het ook, maar dan rijst de vraag waarom de SP zich uitgerekend op dit gebied zou willen profileren. De partij was misschien altijd al een buitenbeentje, maar hier begaf zij zich onmiskenbaar op een terrein dat tot dusverre het domein was van christelijk rechts. De brief vormde zo onbedoeld een voorbeeld van de betekenisverandering die de begrippen conservatief en progressief, links en rechts hebben ondergaan.

Met de ogenschijnlijk definitieve overwinning van het kapitalisme in de ideologische machtsstrijd is geloof in de vooruitgang synoniem geworden met geloof in de vrije markt. De progressieven van nu beleggen in aandelen, propageren privatisering en vrijhandel en verdedigen de soevereiniteit van de consument, die zelf wel uitmaakt wat goed voor hem is.

De nieuwe conservatieven, ook wel oud links genoemd, zijn zij die na 1989 de boot hebben gemist, die nog steeds geloven dat de staat sommige maatschappelijke problemen beter kan oplossen dan de markt, die geloven dat er ook zaken zijn die niet in geld zijn uit te drukken en daarom door de markt worden genegeerd, en die menen dat waar de markt geen normen kent, de staat verplicht is die normen zelf te formuleren en op te treden als hoedster van de publieke moraal.

Het is tegen deze achtergrond geen toeval dat, ruim een eeuw nadat in Nederland de conservatieven als politieke formatie van het toneel verdween, ook de 'oude' conservatieven hun plaats weer opeisen. De aftrap werd verricht door Joshua Livestro, een van de oprichters van de Edmund Burke Stichting en. Op 3 februari verscheen van zijn hand in NRC Handelsblad onder de kop 'Het conservatieve moment is gekomen' een soort Conservatief Manifest.

De discussie die sindsdien op de opiniepagina's wordt gevoerd, heeft iets ambivalents. Veel discussianten haastten zich te verklaren dat het natuurlijk nooit iets kon worden met dit zielige clubje moraalridders, dat kennelijk niet besefte dat de samenleving na '1968' en '1989' echt was veranderd. Maar waarom dan al die aandacht? Apelleren de conservatieven misschien toch aan een breder gevoel van onbehagen, waar men als linkse intellectueel liever over zwijgt, om niet, zoals Herman Vuijsje, die zich openlijk tot de ChristenUnie heeft bekend, in het 'verkeerde' kamp terecht te komen?

De weerstand die de conservatieven in met name het linkse kamp oproepen, komt voort uit hun afkeer van politiek en de nadruk die zij leggen op eerherstel voor de 'kerninstituties' van de samenleving: het gezin, de school, de vereniging, vanuit het idee dat deze instituties bepalend zijn voor iemands persoonlijke vorming. 'Hier leert men op concrete wijze over het belang van mijn en dijn, het verband tussen prestatie en beloning, het oefenen van geduld en verdraagzaamheid', zoals Livestro het verwoordt.

Meer dan de hybride ideologie van de christen-democratie is het conservatisme een kritiek op het vooruitgangsgeloof, waarmee men zich zowel tegenover het socialisme als het liberalisme plaatst. In december vorig jaar publiceerde Kinneging in het tijdschrift Philosophia Reformata een uitvoerige beschouwing onder de titel 'Het conservatisme: kritiek van de Verlichting en de moderniteit', waarin hij het conservatisme opnieuw probeert te definiëren.

Zowel socialisten als het liberalen gaan in het voetspoor van de Verlichtingsfilosofen uit van de idee dat de mens zich door kennis meester kan maken van zijn eigen lot, waar conservatieven dit beroep op de rede en de daarmee gepaard gaande breuk met de traditie een gevaarlijke dwaling achten, die slechts tot rampspoed kan leiden.

In het Verlichtingsdenken moet de oorsprong van het kwaad niet in de mens worden gezocht, maar in de maatschappij. De maatschappij heeft de mens gemaakt tot wat hij is. Het is niet de mens die zich moet schikken in zijn beperkingen, maar omgekeerd, de maatschappij moet in overeenstemming worden gebracht met de strevingen van de mens. Socialisten en liberalen geloven ieder op hun eigen manier in de 'maakbaarheid' van de samenleving.

Volgens Kinneging getuigt deze opvatting van 'psychologische blindheid en onnozelheid'. Zij ontkent immers dat de mens van nature geneigd is tot het kwade. 'De geneigdheid tot het kwade, het morele tekortschieten van de mens, is voor het conservatisme de meest wezenlijke dimensie van de conditio humana, de ontkenning ervan de bron en oorsprong van het grootste deel van maatschappelijke en individuele miserie.'

Dit veroordeelt de mens in de ogen van de conservatieven niet tot machteloosheid. Waar het op aankomt, is de bereidheid de strijd aan te binden met het kwaad in onszelf. Alleen dan zullen we in staat zijn tot het goede te komen, alleen door zelfbeheersing kan de mens werkelijk vrij zijn. Karaktervorming, daar gaat het om. Daarbij is voor de overheid slechts een bijrol weggelegd. Het gezin, de school, de vereniging, de kerk; dat zijn traditiegetrouw de instituties die de conservatieve waarden bevestigen en overdragen. De overheid is slechts een laatste redmiddel waar het de handhaving van normen en waarden betreft. 'Moreel goed is een handeling pas als ze voortkomt, noch uit een streven naar eer en vrees voor blaam, noch uit angst voor een juridische sanctie, maar uit een besef van behoren', aldus Kinneging.

Een belangrijk punt van kritiek op de conservatieven betreft de veronderstelling dat er zoiets bestaat als een voorgegeven, universeel geldige morele orde. Bovendien rijst de vraag waarin deze orde eigenlijk verschilt van de christelijke normen en waarden zoals die zijn vastgelegd in de Tien Geboden. Zijn conservatieven eigenlijk niet gewoon 'seculiere christenen', die met de laatsten alleen van mening verschillen over het bestaan van God? Immers, ook volgens Kinneging en Livestro moeten de conservatieven in Nederland buiten de VVD vooral worden gezocht in het CDA en de kleine christelijke partijen.

Toch zou het jammer zijn als de discussie bleef steken in de bekende verwijten over de geur van spruitjes en een terugkeer naar de jaren vijftig. Want hoe staat het na honderd jaar met de claim van de conservatieven?

Volgens NRC-columnist J.L. Heldring volstaat een terugblik op de geschiedenis van de twintigste eeuw, waarin tientallen miljoenen mensen werden geofferd op het altaar van de maakbaarheidsgedachte, om de conclusie te rechtvaardigen dat de mens inderdaad een gevaarlijk wezen is dat maar beter in toom kan worden gehouden. Zo bezien zou iedereen alsnog conservatief moeten worden, maar daarmee zou de discussie toch te makkelijk zijn beslecht.

BEPERKEN WE ons tot de situatie in Nederland, dan kan er volgens de conservatieven geen twijfel over bestaan waar we alle problemen van nu aan hebben te danken: de jaren zestig, vanwaar een rechte lijn loopt naar de libertaire moraal van Paars. 'Het lijkt erop dat, als we niet snel op onze schreden terugkeren, ''de jaren zestig'' de doodklap hebben gegeven aan wat eeuwenlang de twee pijlers van de westerse beschaving waren: het klassieke humanistische erfgoed en de christelijke tradities', schreef Kinneging, toen nog lid van de VVD, reeds in 1996 op de Forumpagina van de Volkskrant.

De mythe van de jaren zestig leidt een hardnekkig bestaan. De Amerikaans-Nederlandse historicus James Kennedy toonde in zijn boek Nieuw Babylon in aanbouw (1995) overtuigend aan dat het met die revolutie wel meeviel. Bovendien, zoals de Utrechtse historicus Hans Righart heeft benadrukt, ging het in die periode om meer dan blowen en vrije seks. De 'opstandige generatie' had wel degelijk ook politieke idealen die zich vertaalden in kritiek op de consumptiemaatschappij, de milieuvervuiling, de atoombewapening en de uitbuiting van de Derde Wereld.

'In tegenstelling tot de cynische tijdgeest (van nu) werd die van de jaren zestig getekend door een hoge moraliteit. Het was een bij uitstek ethisch tijdperk, waarin sociale betrokkenheid als een grote deugd gold', betoogde Righart in mei 1998, dertig jaar na '1968'.

Zijn de jaren zestig hiermee in ere hersteld? Zo eenvoudig ligt het niet, maar wanneer, met recht, kritiek wordt geuit op het hedendaagse hedonisme en individualisme, is dat kritiek op het individualisme van de vrije markt, waarin hooguit nog een geperverteerde vorm van de vrijheid van de jaren zestig is te herkennen. Gebruikmakend van de vergrote morele speelruimte en sinds 1989 bovendien verlost van noemenswaardige politieke tegenstand, heeft het neoliberalisme zich op bekwame wijze meester gemaakt van de zelfontplooiingsgedachte.

Dat maakt de kritiek van de conservatieven niet minder interessant. Met het primaat van de politiek verwerpen de conservatieven immers ook het primaat van de markt, deze meedogenloze vernieler van waarden en tradities. (Bush is in deze optiek allerminst een conservatief, net zomin als Thatcher dat was). Het 'welbegrepen eigenbelang' dat er toe zou leiden dat het marktmechanisme in ieders voordeel werkt, is in de ogen van de conservatieven niet meer dan een cynisch excuus voor hebzucht. Het goede leven bereikt men niet door te streven naar steeds meer, maar juist door zelfbeperking. De markt faalt niet als haar werking wordt getoetst aan het doel van nutsmaximalisatie, maar wel als het gaat om de vraag of alles wat de markt ons kan geven, ook begerenswaardig is.

Livestro bekritiseert 'de verabsolutering van het marktdenken', Marijnissen c.s. 'het verdachtmaken van de overheid en het ophemelen van de markt als panacee voor alle maatschappelijke kwalen', en de bij Paars levende overtuiging dat 'de onzichtbare hand van de markt de samenleving beter zou kunnen vormgeven dan een democratisch gecontroleerde overheid.' Hier lopen de meningen dus uiteen, en vooralsnog blijven de conservatieven het antwoord schuldig op de vraag hoe de destructieve krachten van de markt kunnen worden ingetoomd als ook de politiek zich afzijdig moet houden.

Dit is allemaal erg moraliserend, en als Paars ons één ding heeft willen doen vergeten, is het dat de politiek op dat gebied nog een taak heeft, zoals kardinaal Simonis onlangs bitter vaststelde. Onder het neoliberalisme is de autonomie van de burger onaantastbaar en diens wil als consument heilig. De dynamiek van de markt verdraagt geen statische moraal, maar vereist constante vernieuwing, aanpassing, keuzes. In de postmoderne samenleving is de moraal een kwestie van onderhandelen. 'Samen komen we er wel uit.'

Nu de autonomie van de burger tot in het graf wettelijk is geregeld, rest de vraag wat die burgers elkaar nog hebben te vertellen. Misschien moesten we toch maar niet te hard lachen om die conservatieven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden