Oude bokken

HET OVERSPEL. DE ORGIE. DE OUDE BOK EN HET GROENE BLAADJE. DE LIKKEBAARDENDE WOLF EN EEN RONDBORSTIG ROODKAPJE...

Het geheugen is een machtige bibliotheek, zij het zonder index. Van alle herinneringen die daarin zijn opgeslagen, is het grootste deel onzin of onbereikbaar. Dingen die je je wilt herinneren - een naam, een citaat, een situatie - ontsnappen keer op keer aan de zoekmachine; dingen die je niet wilt weten dringen zich op. Zo bevat mijn geheugen een collectie cartoons, sluimerend in het donker - ooit gezien, nooit vergeten. Het zijn niet noodzakelijk de beste of de leukste die me onder ogen zijn gekomen; het zijn de beelden die bleven plakken. Een handvol daarvan stamt uit het Amerikaanse mannenblad Playboy.

Deze bijvoorbeeld:

Het circus is in de stad. De directeur betreedt zijn woonwagen en betrapt zijn vrouw in bed met de clown. Waarop hij verontwaardigd uitroept: 'En ik dacht nog wel dat jij vanbinnen huilde!'

En deze:

Tarzan betreedt de boomhut en betrapt Jane in bed met een dronken Cheetah. 'Mijn drank!... Mijn vrouw!!... Mijn beste vriend!!!'

De ene is niet meer dan een variant op de andere, zoals zo vaak. Het ijzeren repertoire van de cartoon kent een aantal thema's waarop sinds jaar en dag wordt voortgeborduurd. De schipbreukeling op het onbewoonde eiland. De kunstenaar en zijn model. De ontdekkingsreiziger in de kookpot van de kannibaal. De man op de bank bij de psychiater.

Variaties op deze thema's zijn allemaal te vinden in de pagina's van Playboy, maar ze worden overschaduwd door andere. Het overspel. De orgie. De miljonair en de showgirl. De man in de bar. En in zoverre de oude thema's opduiken, hebben die een bijpassende invulling gekregen. De schipbreukeling heeft gezelschap gekregen van een meisje. Het model van de kunstenaar is naakt. Niet de ontdekkingsreiziger, maar zijn dikke vrouw eindigt in de kookpot. De man op de bank bij de psychiater verdenkt zijn vrouw van overspel.

In het universum van Playboy draait alles om seks. Dit is de wereld van de oude bok en het groene blaadje, van de likkebaardende wolf en een rondborstig Roodkapje, van de (mannelijke) voyeur en de (vrouwelijke) exhibitionist.

Toen het blad 35 jaar bestond schreef oprichter en hoofdredacteur Hugh Hefner trots in zijn inleiding bij dat jubileumnummer: 'Playboy bevrijdde een generatie van schuldgevoelens over seks, veranderde enkele wetten en hielp een revolutie of twee lanceren. Dus u moet het niet onbescheiden van ons vinden als we zeggen dat Playboy het blad is dat Amerika heeft veranderd.'

Of die claim op waarheid berust, kan getoetst worden in de Rotter damse Kunsthal, waar een keuze uit de Playboy Cartoon Classics wordt getoond, 'de originelen uit de jaren vijftig en zestig'. Dat wil zeggen, een selectie van 146 tekeningen van dertien cartoonisten. Wat vertellen die over hun tijd en de veranderende cultuur?

In de jaren vijftig en zestig publiceerden alle grote kranten en tijdschriften cartoons. Niet alleen daar, maar ook hier. In Amerika waren het legendarische tijdschriften als Collier's, The Saturday Evening Post, Esquire, Playboy en The New Yorker die ruimte maakten voor de grafische onderbreking van hun grijze kolommen, allemaal met hun eigen soort humor. Als die titels al niet verdwenen zijn, dan zijn ze in de jaren zeventig in ieder geval gestopt met het publiceren van cartoons. Alleen Playboy en The New Yorker vormen nog bastions van de getekende humor, elk met hun eigen karakter.

De cartoons in The New Yorker behandelen de sleur van het dagelijks leven, thuis, op kantoor of bij de psychiater (het New Yorkse dagelijks leven.) We worden deelgenoot gemaakt van het kleine leed van de executive, of het gestrande huwelijk aan de ontbijttafel - hij achter de krant, zij onder de krulspelden. Het vignet wordt vervolmaakt door een spits onderschrift, dat niet zelden haaks op de situatie staat. Soms zien we geen mensen maar dieren op deze tekeningen, maar het resultaat is hetzelfde. Een typische New Yorker-cartoon is bijvoorbeeld deze: Zegt de olifant tegen de krokodil: 'Great news: Tarzan is out in paperback!'

Het terrein van Playboy (niet alleen van de cartoons, maar ook van de fotografie) is dat van de dagdroom. Een man kijkt naar een vrouw met een hoofd vol ontucht, zichtbaar in het wolkje boven zijn hoed. Ook de gedachten van de vrouw openbaren zich in zo'n wolkje: zij ziet de man als een wandelende portemonnee. De seksen volgen verschillende scenario's: de vrouwen willen hebben; de mannen willen doen.

In de jaren vijftig was dit de status-quo. Mannen wilden seks, vrouwen waren bereid toe te geven in ruil voor een huwelijk, huis en kinderen. De cartoons in Playboy gingen over het luilekkerland van ongelimiteerde seks zonder bindingen, of - omdat het hier grappen betrof - de frequente mislukking die droom in praktijk te brengen.

Hugh Hefner was een exponent van die jaren vijftig. Te vroeg getrouwd, opgescheept met een kind en een baan; een bestaan dat hem benauwde. Hij droomde van een artistiek beroep en een opwindend vrijgezellenbestaan als playboy. Maar de cartoons die hij tekende en opstuurde naar tijdschriften werden geweigerd en de meisjes zagen hem niet staan.

Het tijdschrift dat hij in 1953 oprichtte was een vehikel voor zijn cartoons en voor de gedroomde wereld van vrijheid en overvloed. Hij modelleerde Playboy naar het toen succesvolle maandblad Esquire, waar hij werkte op de afdeling promotie, een mengeling van stijl, literatuur en pikanterie. Maar hij ging een stapje verder. In plaats van de Petty en Varga(s) Girls, tekeningen die Esquire als pin-ups publiceerde, besloot hij foto's van naakte vrouwen af te drukken. Niet de schimmige zwart-wit kiekjes uit de 'modellen'-bladen, maar snoepkleurige foto's van het 'buurmeisje'. Seks plus stijl, was zijn formule. Hij wilde breken met het heersende concept van de vrouw als Madonna of hoer. Nette meisjes verlangen ook naar seks, was de gedachte (en zijn stille hoop). Dat is de context waarin Playboy moet worden gezien.

Er bestaat een ironische definitie van opera - de bas zit de sopraan achterna wat de tenor tracht te verhinderen - die ook van toepassing is op de typische Playboy-cartoon, waarbij de rolverdeling (man, vrouw; jong, oud) kan wisselen. De directeur begeert de secretaresse, wat zijn vrouw tracht te verhinderen. Vader lust naar het vriendinnetje van zijn zoon. Moeder lonkt naar het vriendje van haar dochter. In de droom van de erotomaan denkt iedereen alleen maar aan van dattum.

Concreet gesteld: op de cartoons van Buck Brown zit een omaatje alle jongemannen achter de broek. Op die van Smilby jaagt een oude aristocraat op het dienstmeisje, wat zijn statige echtgenote probeert te voorkomen. En op de tekeningen van Dedini bevinden we ons in de mythische, dat wil zeggen: voor-christelijke wereld, van geile saters en kirrende nimfen. De saters gaan in dit Arcadië getooid met horentjes, baard en hoefjes; de nimfen zijn een en al roze Rubensiaanse rondingen. Hier paart onschuld met wellust.

De overtreffende trap van dit geërotiseerd universum vormen de cartoons van John Dempsey. Doorgaans zijn die gesitueerd in het nudistenkamp vol onschuldige, blauwogige, blonde, grootborstige maagden en dikke of tanige, maar altijd geile heertjes. De dialoog is die van de toespeling ('Lovely ornaments you have there, Miss Abbott!'), de dubbelzinnigheid in een eindeloze reeks varianten ('Either of you gentlemen care for something to nibble on?')

Zoals alle cartoons, grossieren ook deze in stereotypen. De man wil altijd, de vrouw zelden, en het dienstmeisje is Frans. Het is allemaal upstairs, downstairs, meneer en meisje, kunstenaar en model, melkboer en huisvrouw, verpleegster en patiënt, directeur en secretaresse, miljonair en dansmeisje. Dit is een wereld van rollen en uniformen - bankier, hoer, melkboer - waarin zelfs het naakt het karakter krijgt van een kostuum: gespannen bollend vel. Vleeskleur is roze, zo uit de verfpot, met blozende rode schaduwen.

De toneelschrijver David Mamet heeft eens opgemerkt dat alle drama de structuur heeft van een schuine mop: een handelsreiziger klopt aan bij de boerderij... De stilzwijgende afspraak tussen verteller en publiek is dat beiden zich aan de regels moeten houden. De vraag die het publiek moet stellen is niet: waar staat die boerderij? Of: wie is die handelsreiziger? De vraag is: en wat gebeurde er toen?

Ook cartoons - althans deze cartoons - voldoen aan die regel. Wat we zien is altijd de climax van een 'drama', aanloop en afloop zijn weggelaten, vallen hooguit af te leiden uit de gegeven situatie. Van de lezer, die een kijker is, wordt verwacht dat hij vertrouwd is met de scenario's en de referenties aan de populaire cultuur. (Zowel de Kerstman als King Kong.) Vooral filmkennis strekt tot aanbeveling, niet zelden wordt een scène of dialoog geciteerd. Zo is in Hollywood de openbare bibliotheek altijd het symbool van mislukking, eenzaamheid of kuisheid, domein van de bibliothecaresse met bril en knotje. Ook in Playboy figureert ze als zodanig, maar gefilterd door Freud, als het symbool van onderdrukte verlangens.

Van de dertien tekenaars op de tentoonstelling - Robert 'Buck' Brown, Jack Cole, Jack Davis, Eldon Dedini, John Dempsey, Jules Feiffer, John Bernard 'Bud' Handelsman, Harvey Kurtzman, Arnold Roth, Shel Silverstein, Francis Wilford Smith ('Smilby'), Erich Sokol en Gahan Wilson - werd het merendeel net als Hefner (1926) geboren in de jaren twintig. Ze zijn nu, voorzover nog in leven, tussen de 70 en 80 jaar. Dat is te merken.

In de jaren vijftig, toen Playboy begon, waren het twintigers en dertigers, net als Hefner opgegroeid met een verstikkend wereldbeeld. De cartoons waren een mogelijkheid om zich te bevrijden van conventies, een Walter Mitty-achtige ontsnapping in de fantasiewereld, waar alles zo anders en zo veel opwindender was dan thuis. Met de seksuele revolutie van de jaren zestig werden hun dromen werkelijkheid - eindelijk vrije liefde, zonder angst voor vaderschap! - en hun tekeningen uit die tijd weerspiegelen dat optimisme en plezier. Het merkwaardige is alleen dat met het voortschrijden van de tijd, de thematiek nauwelijks is geëvolueerd. Wie het laatst verschenen nummer van Playboy opslaat ziet goeddeels dezelfde namen en vertrouwde situaties. De cartoons zijn, net als het blad en zijn oprichter, verstard in een ver verleden. De tekeningen vormen een tijdreis naar toen: toen mannen Oude Snoepers waren of Bedrogen Echtgenoten, en vrouwen de Wandelende Onschuld of Fortuinzoekers in Vermom ming.

Natuurlijk bestrijken niet alle cartoons hetzelfde terrein. Gahan Wilson bijvoorbeeld heeft zijn reputatie gevestigd met macabere grappen waarin alle angsten uit de kinderkamer bewaarheid worden. Alle planten zijn vleesetend, alle oude omaatjes zijn gifmengsters en zelfs het aantrekken van een bontjas is niet zonder gevaar. De wereld van de dag is hier omgeslagen in zijn nachtelijke tegendeel: monsters houden mensen als huisdier en het voedsel neemt wraak op de consument. Maar de tekeningen zijn te vaak gebaseerd op de omkering en na verloop van tijd word je het maniertje zat.

Harvey Kurtzman had al naam gemaakt met zijn satirische beeldverhalen in Mad, Trump en Help!, toen hij in 1962 in samenwerking met Will Elder de strip Little Annie Fanny begon te publiceren. In naamgeving en opzet was het een parodie op Little Orphan Annie. Onder zijn handen trans formeerde het hol ogige weesje tot een Playmate, die als een moderne Candide (verwant aan Candy van Terry Southern) zich met wijdopen ogen een weg baande door de turbulente jaren zestig. Het was leuk, voor zo lang het duurde. (Kurtzman stierf in 1993; de strip bestaat nog steeds.)

De beste cartoonist van het hele stel is ongetwijfeld Jules Feiffer, maar hij is ook het minst karakteristiek voor Playboy. Feiffer begon midden jaren vijftig in het linkse weekblad The Village Voice, kreeg bij Playboy de kans om in kleur te werken en te experimenteren met strips over seks (maar meer nog over relaties). Hij is veelzijdiger dan de anderen, behandelt existentiële problemen naast politieke, bedgeheimen naast tijdverschijnselen. Feiffer is, in de woorden van Kenneth Ty nan, 'de beste cartoonist die nu schrijft, en de beste schrijver die nu cartoons tekent'. Feiffer publiceert dan ook niet meer in Playboy, maar in The New Yorker - een betere context voor een sociaal criticus.

Playboy heeft met zijn formule van Wein, Weib und Gesang ongetwijfeld bijgedragen aan een klimaatsverandering in de jaren vijftig en zestig, met zijn fotografie, artikelen en cartoons. Het blad liet zien dat het leven ook vrolijker, vrijer en lichtzinniger kon zijn dan in de jaren vijftig voor mogelijk werd gehouden, en het zal daarbij - in Amerika - zeker gezorgd hebben voor een aanpassing van de zedenwetgeving. Het verbazingwekkende is niet zozeer dat het zulks met succes heeft gedaan, maar dat decennia later in de kolommen van het blad nog steeds hetzelfde wordt gedaan. Playboy volhardt in een wereldbeeld dat niet meer van deze tijd is. Wat ooit taboe was, is dat allang niet meer.

De ontbrekende sleutel is E. Simms Cam p bell, wiens werk in de Gouden Tijd volop in het blad te vinden was, maar die op de tentoonstelling merkwaardig genoeg ontbreekt. Simms Campbell (1906-1971) was waarschijnlijk de eerste succesvolle zwarte cartoonist (zijn huidskleur kon je aan het werk niet aflezen) en de ster van Esquire uit de jaren dertig, veertig en vijftig. De introductie van dat werk in Playboy laat precies zien welk element Playboy van Esquire kopieerde, en vooral wat Hefner daarin moet hebben aangesproken.

Campbell was in Esquire beroemd geworden met zijn pagina-grote kleurplaten van een kleine, dikke sultan met een harem van lange, mooie, blanke vrouwen. Op dat luilekkerland varieerde hij van maand tot maand in Playboy. Het was de kortste samenvatting van de wereld zoals Hefner zich die wenste.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden