Oud uit Afrika

De muzikale geschiedenis van Afrika heeft zich decennialang afgespeeld op 78-toerenplaten. Deze geschiedenis is nu blootgelegd in Opika Pende.

Het is zo'n goed idee dat je je afvraagt waarom niet meer mensen erop gekomen zijn. Ook in Afrika heeft de muzikale geschiedenis zich decennialang afgespeeld op 78-toerenplaten, maar behalve etnomusicologen en fanatieke verzamelaars hebben weinigen die historische rijkdom verkend. Liefhebbers en labels beginnen meestal bij de muziek van na de dekolonisatie van veel Afrikaanse landen, in de jaren zestig, gespeeld en vastgelegd met moderne apparatuur. Een van de fanatici deelt nu de eerste klap uit van een inhaalslag: de Amerikaan Jonathan Ward presenteert honderd nummers uit zijn collectie, nooit eerder gedigitaliseerd, via de onvolprezen muziekarcheologen van het label Dust To Digital. Opika Pende: 'wees sterk' of 'verzet je' in het Lingala.


Behalve dat we zigzaggend van noord naar zuid door het continent reizen, ligt er geen centraal idee ten grondslag aan deze pan-Afrikaanse verzameling: Ward heeft vooral opnamen uitgekozen die hem raken. In het mooi vormgegeven boek bij de 4-cd-box verschaft hij veel interessante informatie over sociale en culturele achtergronden, al gaat het vooral om de muziek. Soms zijn dat veldopnamen, maar omdat wetenschappers vaak niet de beschikking hadden over 78-toerenopnemers, zijn de meeste tracks commerciële registraties, bedoeld voor de lokale markt. Die daar overigens nog tot in de jaren zestig behoefte aan had, want veel kopers waren bij gebrek aan elektriciteit aangewezen op met de hand opgewonden grammofoons.


Dit betekent dat niet de geschiedschrijver, maar de smaak van de consument bepaalde wat er vastgelegd werd. Soms had de muziek een ceremoniële of religieuze functie, meestal was puur plezier, geleverd door professionals, de motivatie. Daarom zijn hier de wortels te horen van latere Afrikaanse popstijlen als raï, Congolese rumba, highlife, juju en township jive; met wat goede wil kunnen we Ngosingosi van Pancras Mkwawa (Tanzania, 1950) beluisteren als vroege rap. Dat is één mogelijke manier om contact te maken met deze geheimzinnige geluiden uit een verdwenen wereld.


Vijftig jaar (de oudste opname is uit 1909) en een heel werelddeel in een paar uur samenvatten is uiteraard ondoenlijk. De diversiteit is dan ook enorm, de contrasten zijn weleens schokkend. De traditie en de moderne tijd: eeuwenoude liederen van de jeli's, een soort troubadours, maar ook de invloed van Duke Ellington. Een solo op de duimpiano (die in verschillende gedaanten opduikt) door een onbekende artiest, gezangen in een taal die nu nog slechts door een paar duizend mensen wordt gesproken, naast een gelikt dansorkest voor een Europees publiek, dat Afrikaans moest klinken, 'maar niet té Afrikaans'. Percussiebegeleiding op lege colaflesjes, maar ook goed gedrilde bands van de politie of het leger, of orgelspel door een klassiek opgeleide muzikant. Vreemde titels: een stuk dat March Guitar heet, voor accordeon, zonder ook maar één gitaar. Vreemde uitvoerders, zoals Rshisha en Hlima, zogenaamde Shikhat: prostituees uit Marokko, vrijgevochten vrouwen die rookten en dronken, en zo klinken ze ook. Vreemde omstandigheden: een blaffende hond bij de studio, vrachtwagens die voorbijrazen, het ruisen van de wind tijdens een buitenopname. Soms lijkt de muziek te zijn vastgelegd terwijl er een feest aan de gang was.


De puristen krijgen andermaal ongelijk, want al heel vroeg was er kruisbestuiving, omdat schijven van schellak nu eenmaal konden reizen. De Ghanese highlife in de jaren dertig had naast de West-Indische calypso gelegen. De grote bloei van de Congolese labels in de jaren vijftig verspreidde de rumba, die vanwege de slavenhandel al Cubaanse wortels had, door de buurlanden. En natuurlijk rukte de westerse cultuur onherroepelijk op. De meeste namen zullen de gemiddelde luisteraar niets zeggen, maar Joseph Kabasele, alias Le Grand Kalle, is ook nu nog bekend; met zijn Orchestre African Jazz uit Kinshasa deed de elektrische gitaar zijn intrede.


Hoewel een aantal stukken voor onze oren van heel ver lijken te komen, als in een fascinerende audiodocumentaire, bevat Opika Pende veel wat ook nu nog direct aanspreekt: ontroerende zangers en koren, opwindende ritmes, verbluffende instrumentale finesse. En 78-toerenplaten kunnen uitstekend klinken, vooral als er door liefdevolle restauratie de hoogst mogelijke geluidskwaliteit uit is getoverd. Er zijn er nog vele duizenden te ontdekken, dus is het passend dat de compilatie eindigt met het Zulu volkslied Nkosi Sikelel' iAfrika: God zegene Afrika.


Opika Pende: Africa at 78 RPM


Dust To Digital, distributie Munich Records


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden