‘Orgelpubliek is vaak wat achterdochtig’

Saxofonist en fluitist Pieter de Mast speelt melodieuze jazzimprovisaties in combinatie met kerkorgel. ‘Het is een soort goedkoop orkest, met zo veel kleuren.’..

Wie christelijk is opgevoed, zal het kerkorgel vaak associëren met pompeuze, plechtige klanken. Dat er ook subtiele en lyrische figuren uitgehaald kunnen worden, bewijst jazzmusicus Pieter de Mast, die net een prachtige tweede cd uitbracht, Offshore, waarop hij klassiek met jazz combineert, en zijn dwarsfluit en sopraansax met het orgel. Net als op zijn eerste, Windstreken, wordt er flink op geïmproviseerd. Het orgel is het enige instrument in de klassieke muziek dat nog een improvisatietraditie kent, ‘dus zou het verband met jazz voor de hand moeten liggen. Maar er wordt vaak geschokt op gereageerd’.

De Mast (43) kwam in 2003 bij toeval in aanraking met deze ongebruikelijke samenkomst van instrumenten. Hij was al actief met een eigen kwintet en de wereldjazzformatie Synergy Group, toen hij in zijn woonplaats Leiden door een kerkorganist werd gevraagd tien minuten mee te spelen. Hij was meteen onder de indruk van de schoonheid van de melange, en van de mogelijkheden die hij bood. ‘Het is een soort goedkoop orkest, nietwaar. En het bevat zo veel kleuren.’

Er moesten wel wat vooroordelen overwonnen worden. ‘Het traditionele orgelpubliek is vaak een beetje achterdochtig als we komen optreden. Het wordt toch niet goedkoop, hè, vragen ze dan. Of misschien zijn ze bang dat de boel wordt afgebroken. Maar achteraf zijn ze meestal enthousiast. Ook bij jazzliefhebbers merk je soms een zekere huiver, het kerkorgel heeft niet zo’n goede naam. Ik ken bijvoorbeeld jazzpianisten die een verborgen verleden hebben als organist, dat houden ze liever stil.’

De Mast heeft op zijn beide instrumenten een volle, stralende toon, met weinig vervorming. Hij is aan het Rotterdamse conservatorium opgeleid, met als hoofdvak dwarsfluit, ‘en hoewel het de sectie lichte muziek was, komt daar veel klassiek bij kijken, in het repertoire en de techniek. Veel jazzmusici die fluit spelen vormen wel mooie lijnen, maar met een geluid dat me niet zo aanspreekt. Ik hou van strak, met een stevige kern. En meezingen terwijl je blaast, om de boel op te ruwen, daar doe ik niet aan. Daar heb ik de sax voor, want een heel concert alleen maar fluit spelen is me te beperkt.’

In samenspraak met de organist – op de eerste cd Jozef Dumoulin, op de tweede vooral Sebastiaan van Delft – bepaalt De Mast welke registers worden opengetrokken, want het risico bestaat dat hij wordt weggeblazen. ‘Soms vraag ik inderdaad of het wat minder kan. En je moet ook wel anders spelen, in deze bezetting. Minder, voornamelijk, anders komt het niet over. Want zo’n kerk is een over-akoestische ruimte, met veel galm, en als je snel en ritmisch ingewikkeld varieert, wordt het een paar rijen naar achteren voor het publiek al een brij.’

‘Een ander probleem is dat de toetsen van het kerkorgel niet aanslaggevoelig zijn, je kunt geen gevoel leggen in het toucher. En veel orgels, vooral middeleeuwse, zijn ongeschikt omdat ze niet gelijkzwevend zijn gestemd, dat botst met moderne blaasinstrumenten. En je moet goed letten op het weer, want als het warm is klinken ze al snel te hoog.’

Niettemin heeft De Mast vooral voor cd-opnamen een paar geschikte locaties gevonden, met name het Orgelpark, een fraai verbouwde voormalige kerk aan het Vondelpark in Amsterdam. Het Orgelpark fungeert sinds vorig jaar als concertzaal, bezit een flink aantal uitstekende orgels en wil daarmee het instrument wat meer in de belangstelling brengen. ‘De initiatiefnemer, Loek Dijkman, heeft me destijds in Leiden gehoord, en aangemoedigd opnamen te maken. De cd’s zijn ook op het Orgelpark-label uitgebracht. Voor het podium programmeer ik een serie jazzoptredens, vaak in duoverband, met musici als Jeroen van Vliet en Eric Vloeimans, Theodosii Spassov en Franz von Chossy.’

Gezien zijn eigen stijl is het geen verrassing dat De Mast vooral melodieuze spelers als Lee Konitz, Lester Young en Chet Baker noemt als favorieten uit de jazztraditie. ‘Maar ik wil niet overdoen wat al zo vaak veel beter is gedaan. Behalve in Dolphinwise op het nieuwe album, dat gebaseerd is op het akkoordenschema van On Green Dolphin Street, maak ik geen gebruik van standards. Jazz is van nature een genre dat voor alles openstaat, dus ook voor klassieke harmonieën. En de klassieke stukken die ik speel zijn van twintigste-eeuwse componisten die door jazz zijn beïnvloed, zoals de vroeg gesneuvelde Jehan Alain.’

Daarnaast wordt De Mast ook geïnspireerd door Arabische en Indiase muziek, vooral vanwege de ritmische afwisseling en de ruimte voor melodische improvisatie. Op zijn eerste plaat deed in een aantal stukken tablaspeler Sandip Bhattacharya mee, wat het gezelschap nog bonter maakte, maar niettemin uitstekend werkte.

‘Vanwege de tala’s, die lange ritmische patronen met veel vreemde maatsoorten, was het beter om daarvoor het kleine kistorgel te gebruiken, dat een wat fellere attaque heeft. Binnenkort ga ik zo’n ding huren, voor een aantal optredens.’

Daarmee is De Mast wat minder afhankelijk van godshuizen, wat speelmogelijkheden betreft. Hoewel hij zich daar op zich prima thuis voelt. ‘Nog een voordeel is, geen gedoe met snoertjes. We spelen er volledig akoestisch, want de kerk is een klankkast.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden