Opvolger F16 moet Europees vliegtuig zijn

Laten we ophouden met de ondersteuning van de Amerikaanse defensie-industrie en kiezen voor Europese waar, meent Abe van der Schraaf....

BINNENKORT zal Nederland een vervanger kiezen voor de F16 van de luchtmacht. Daarmee is een bedrag gemoeid van ongeveer zes miljard euro. De belangrijkste kandidaten zijn de Amerikaanse JSF (Joint Strike Fighter), de Eurofighter Typhoon (van het Europese consortium EADS/Bae) en het Franse Dassault Rafale.

De ontwikkeling van een nieuw jachtvliegtuig vergt een investering van miljarden. Het is dan ook essentieel voor de fabrikant dat er van zijn ontwerp voldoende vliegtuigen in serie worden geproduceerd om een rendement op deze investering te verkrijgen. Daarmee kan vervolgens de ontwikkeling van een volgende generatie vliegtuigen worden gefinancierd. Blijft dit rendement uit, dan wordt het erg moeilijk en kostbaar om technologisch bij te blijven.

Vanaf 1960 tot heden is door Nederland driemaal een nieuw type jachtvliegtuig gekocht: de Lockheed F104, de Northrop F5 en de General Dynamics F16. Zonder uitzondering Amerikaanse producten.

Er waren telkens Europese jagers op de markt, die qua prestaties zeker als serieuze concurrenten golden, maar steeds koos een aantal Europese NAVO-landen, Nederland vaak voorop, voor het Amerikaanse product. De Europese industrie liep zo telkens een flink rendement op de eigen investering mis.

De keuze voor de Amerikaanse waar werd in hoge mate beïnvloed door een effectieve Amerikaanse politieke lobby en marketingtechnieken. Nederland liet zich ompraten met argumenten als 'kies voor de beste prijs/kwaliteitsverhouding', 'de NAVO-partners moeten allemaal hetzelfde materieel gebruiken', of 'de KLM krijgt sneller landingsrechten in Los Angeles'.

Het was dus een vicieuze cirkel: elke keer dat een Amerikaans product werd gekocht, verkreeg de vliegtuigindustrie aldaar een extra rendement op hun investering, die het hun vergemakkelijkte om de daarop volgende keer een aantrekkelijke verhouding tussen prijs en kwaliteit te bieden. Met elke keuze voor de Amerikaanse industrie benadeelde men de kansen van de volgende generatie Europese vliegtuigen.

Daarentegen deed Amerika het met zijn defensie-aankopen heel anders. Toen rond 1980 de US Navy een vervanger zocht voor één van haar transportvliegtuigen, gooide een door Fokker voorgestelde versie van de F28 hoge ogen. Het toestel was het modernste en bood de beste prijs/kwaliteitsverhouding. In de top van de marine waren belangrijke voorstanders van de F28. Maar de Amerikaanse politiek heeft de plannen voor de aanschaf getorpedeerd met als argument 'dat het toch niet zo kon zijn dat de Verenigde Staten voor haar defensie afhankelijk zou worden van het buitenland'.

Thans dreigt de geschiedenis zich te herhalen. Nederland heeft zich nu reeds aangemeld bij de VS als potentiële medefinancier van de aldaar nieuw te ontwikkelen JSF. Hiermee is een bedrag van 750 miljoen dollar gemoeid.

Bovendien heeft een zestal Nederlandse bedrijven op voorhand al een MoU (Memorandum of Understanding) afgesloten met Pratt & Whitney, de Amerikaanse fabrikant van motoren voor het Amerikaanse JSF-project, hoewel er officieel nog geen beslissing is. Ook is een aantal topfunctionarissen uit het bedrijfsleven, onder wie de directeur van Schiphol, aan het lobbyen voor de JSF via de minister van Economische Zaken.

En wederom laat Nederland zich (mis-)leiden door valse argumenten. Zo schreef bijvoorbeeld professor Bart Tromp in NRC Handelsblad dat Nederland zich bij de keuze van een opvolger van de F16 vooral moet laten leiden door de beste verhouding tussen prijs en kwaliteit en niet naar Europa moet kijken, omdat de markt hier te klein zou zijn. Hij stelde voorts dat wij het in Europa moeten hebben van strategische allianties met de Verenigde Staten, en beweerde onder meer: 'Een groot deel van de productie van Boeing verkeersvliegtuigen vindt plaats in Europa, zoals omgekeerd het geval is bij de bouw van Airbus toestellen.'

Deze argumenten zijn echter onjuist. Afgezien van ruime exportmogelijkheden, hebben de Europese landen zelf op dit moment al ruim 4500 operationele gevechtsvliegtuigen. Onze eigen Europese markt is dus wel degelijk groot genoeg.

Voorts is er geen enkele productielijn in Europa voor Boeing-vliegtuigen, evenmin is er zoiets voor Airbus-vliegtuigen in Amerika. Er is geen sprake van enige strategische alliantie - sterker nog, beide fabrikanten staan elkaar al jaren naar het leven.

Precies zoals in het verleden belijden wij Europa met de mond, maar zodra de portemonnee getrokken moet worden, laten we ons verleiden door allerlei marketingbabbels in plaats van ons te richten op Europa en de toekomst. Laten we deze keer eens voor Europa kiezen en ophouden met het mede-financieren van de Amerikaanse defensie-industrie. Laten wij de Europese vliegtuigindustrie na veertig jaar van verwaarlozing een kans geven. Al is zo'n keuze de eerste keer misschien niet optimaal wat betreft de verhouding tussen prijs en kwaliteit, het is een essentieële investering in de toekomst en een belangrijk signaal van Nederland naar Europa.

Want, om met de Amerikanen te spreken: 'Het kan toch niet zo zijn dat Europa voor zijn defensie van het buitenland afhankelijk blijft.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden