Opschudding op zaal

Wat waren de beste tentoonstellingen van het jaar? De zes Volkskrant-recensenten voor beeldende kunst en fotografie kozen de spannendste exposities voor het volk - niet voor de kenner.

Wat of hoe?, dat was de kwestie het afgelopen jaar. Want was 2013 nu zo'n speciaal kunstjaar om wát er op alle exposities te zien was of juist hóé het werk werd gepresenteerd? Opmerkelijk was in ieder geval dat tentoonstellings-makers steeds meer oog lijken te hebben voor nieuwe manieren om kunstwerken met elkaar te combineren.


Voorbeelden te over. Denk aan het Frans Hals Museum, dat tot begin volgend jaar niet alleen een tentoonstelling heeft van de Engelse schilder Glenn Brown (geboren in 1966), maar zijn postmoderne portretten presenteert tussen die van 17de-eeuwers als Cornelis van Haarlem en Pieter Claesz. Denk aan de manier waarop Massimiliano Gioni, deze zomer op de Biënnale van Venetië, de hedendaagse kunst in een breed historisch en cultureel perspectief plaatste door archeologische vuistbijlen te combineren met het postmoderne werk van Mike Kelley. En bordtekeningen van de Oostenrijkse antroposoof Rudolf Steiner met een performance van Tino Sehgal.


Hoe in het Rijksmuseum de zwierige penseelvoering en het smeuïge verfgebruik van de Brit Frank Auerbach (1931) wordt vergeleken met Het Joodse bruidje van Rembrandt, om aan te tonen dat 'ruw' schilderen van alle tijden is. Dat op de tentoonstelling Oud Geld, in het onlangs heropende Fries Museum, de Friese rijkdom niet alleen wordt weergegeven met portretten van de oude elite, maar ook met witte maatschoenen van haaienleer en een peperdure sportwagen.


En wat te denken van De Grote Kunstshow, eind november in de Amsterdamse Stadsschouwburg. Waar in een theatrale belichting met videobeelden en geluidsfragmenten kunstwerken ten tonele werden gevoerd, die daardoor een nieuwe betekenis kregen. Een verschuiving die aansluit op de manier waarop in musea wordt geëxperimenteerd met luistertours en iPhone-beeldschermen waarop geavanceerde filmpjes zijn te zien.


Wat je laat zien of hoe je iets laat zien, het is misschien een grof, gechargeerd en kunstmatig onderscheid, maar toch niet onzinnig. Want bij tentoonstellingen geldt doorgaans welke kunst er wordt getoond - het 'wat' dus. Belangrijk is of op de overzichtstentoonstelling van kunstenaar X of Y ook het jeugdwerk inbegrepen is. Of op een expositie over minimal art alle belangrijke vertegenwoordigers aanwezig zijn. Op een tentoonstelling over het kolonialisme het onderwerp wel van alle kanten is belicht. In veel gevallen lijkt de inrichting van een show, de presentatie, daaraan ondergeschikt te zijn.


Maar tegenwoordig is onder tentoonstellingsmakers dus ook het 'hoe' in opmars. De wijze waarop kunstwerken uit diverse perioden bij elkaar kunnen worden gebracht. Hoe kunst met gebruiksvoorwerpen kan samengaan. Westerse en niet-westerse objecten in een overzicht door elkaar worden gemixt. Hoge en lage kunst, of niet-kunst: in een poging om nieuwe verbanden te leggen en andere inzichten te genereren.


De opening, dit voorjaar, van het Rijksmuseum in Amsterdam vormde een (verwacht) hoogtepunt. Aangekondigd was dat de inrichting van de eerbiedwaardige, oude dame onder de vaderlandse musea na de verbouwing volslagen anders zou zijn. Het klopte. In plaats van schilderijen bij schilderijen, keramiek bij keramiek en kasten bij kasten te presenteren in afzonderlijke zalen, is de hele verzameling gehusseld. Het is een opmerkelijke ontwikkeling. Tot nu toe keek de kunstwereld met enig dedain naar de Nederlandse cultuurmusea (zoals het Scheepvaartmuseum en het Amsterdam Museum) die bij deze aanpak het voortouw namen. Met interactieve, technologische hoogstandjes en historische objecten die worden opgesteld naast artistiek verantwoorde schilderijen uit de Gouden Eeuw brengen zij hun objecten aan de man.


Het was voor de hardcorekunst- wereld lange tijd een gruwel. Maar zie: de conventionele zaalopstelling, ingedeeld naar stroming en tijdvak, heeft bij de musea voor oude, moderne en hedendaagse kunst concurrentie gekregen. Artistieke kwaliteit is niet langer leidend. Kunstzinnige autonomie geen dogma. En de chronologische kunstgeschiedenis niet meer het enige motief voor de inrichting van museumzalen.


Het is alsof de afbeeldingen uit de kunsthistorische handboeken zijn gescheurd en opnieuw geordend. En aangevuld met plaatmateriaal van zaken die nooit eerder tot de kunst werden gerekend, zoals gebruiksvoorwerpen, boekillustraties en werk van amateurkunstenaars.


Met als bijkomend effect dat winkeldochters die lange tijd in de kelder van het museum verbleven, nu weer uit de mottenballen worden gehaald. Omdat ze een culturele betekenis hebben die belangrijker is dan hun artistieke waarde - op het gevaar af van nivellering, dat wel. Door de gelijkschakeling van hoge en lage kunst, historische meesterwerken en alledaagse gebruiksvoorwerpen steekt ook het egalitarisme de kop op.


Want dat was de kwestie over 'wat' en 'hoe' ook: alles wordt gelijkgeschakeld in een ver doorgevoerd ideaal van beelddemocratisering. Zonder onderscheid van wat kwalitatief hoogstaand is of ondermaats. En er geen verschil meer is te zien tussen een interieurschilderij van Vermeer en een alledaagse melkkan uit 1665.


De echte kunstliefhebber zal de ontwikkeling naar het 'hoe' een doorn in het oog zijn. Omdat hierdoor de verschillen tussen Auerbach en Rembrandt, Glenn Brown en Cornelis van Haarlem, een prehistorische vuistbijl en Mike Kelley teniet worden gedaan. En er méér aandacht is voor hun onderlinge overeenkomsten en mínder voor hun onderscheidende eigenaardigheden.


Tegelijkertijd zou daar ook de winst kunnen liggen. Dankzij het nieuwe tentoonstellingsmodel breekt de kunst- wereld zijn eigen, gesloten domein langzaam maar zeker open. De hokjesgeest van gescheiden categorieën en verifieerbare, wetenschappelijke indelingen wordt meer en meer losgelaten. De kunstwereld zit niet langer zichzelf in de spiegel te bekijken.


De Venetiaanse Biënnale, het Rijks- museum en De Grote Kunstshow laten zien dat de kunst een onvervreemdbaar onderdeel is van een bredere cultuuropvatting. Iets om toe te juichen.


Il Palazzo Enciclopedico


Il Palazzo Enciclopedico, Biënnale van Venetië. Niet eerder waren er zo veel landenpaviljoens, zo veel stijlen en smaken en was er zo veel ongemak dit allemaal prachtig te vinden. Toch was de Biënnale van Venetië dit jaar een van de interessantste van de laatste jaren. Juist omdat de Westerse smaakpapillen danig op de proef werden gesteld door de overdaad aan kunstwerken uit Afrika, Azië, Zuid-Amerika en het Midden-Oosten.


Maar ook dankzij de twee centrale tentoonstellingen, Il Palazzo Enciclopedico, in de Arsenale en het Italiaanse paviljoen, die door Massimiliano Gioni waren samengesteld. En waarin hij als een soort Charles Darwin zocht naar de gemeenschappelijke oorsprong van al die stijlen en culturen. Want Gioni zal hebben gemeend dat, hoe de kunst zich ook door de eeuwen heen in verschillende richtingen en over diverse continenten heeft vertakt, er altijd een onderliggend verband moet zijn.


Om dat aan te tonen, stelde hij zijn expositie samen uit een ongekende historische, culturele diversiteit. Met cartoons, psychedelische aquarellen, pompeuze architectuurontwerpen, moderne Indiase miniaturen, spiritualistische kaartsystemen, vuistbijlen en geslepen kwartskristallen. Maar ook met schilderijen van Maria Lassnig, foto's van Viviane Sassen en de bronzen staven van Walter De Maria.


Een wonderlijke presentatie die, inderdaad, een holistische samenhang vertoonde. Verrassend.


Rutger Pontzen





Woelig & Enerverend


2013 was een uitzonderlijk woelig en enerverend kunstjaar. Nederland werd liefst vier nieuwe museumgebouwen rijker: in Zwolle, Leeuwarden en Den Bosch (zelfs twee). Het Rijksmuseum opende, in een walm van oranjerook, zijn deuren (in de vermaledijde fietstunnel). Ann Goldstein nam, na veel ontevredenheid, vervroegd afscheid als directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Twee belangrijke documenten over de Goldreyer/Newman-affaire werden na meer dan twintig jaar (opnieuw) vrijgegeven. De geplande fusie tussen de Rijksakademie en De Ateliers ging niet door. Een drieluik van de Britse schilder Francis Bacon werd geveild voor het monsterbedrag van 112 miljoen euro bij Christie's in New York. En in november werd in München het krankzinnige aantal van 1.406 entartete kunstwerken gevonden in het huis van de 80-jarige kluizenaar Cornelius Gurlitt.


Wit


Wit. Nederlands Fotomuseum, Rotterdam. Misschien is dit de toekomst van de fotografietentoonstelling: geen statische rijen meer van 'plaatjes' aan de muur, maar frisse één-tweetjes en haasje-overs met andere kunstvormen, waarbij wordt gemikt op een zo breed mogelijk publiek. Aldus het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam, waar in september de grote concepttentoonstelling Wit werd geopend, naar een idee van samensteller Anne van der Zwaag.


Dat het veel en groot zou zijn, had de geoliede pr-machine al duidelijk gemaakt. Toch overvalt het je als bezoeker alsnog: die wondere, witte wereld waarin zich een verzorgd traject ontvouwt van grote en kleine ruimten, een soort Wunderkammers, die thematisch zijn ingericht en waar alle disciplines kriskras door elkaar zijn opgesteld. Elke ruimte werd aangekleed met een eigen 'textiele interventie', door kunstenaar Fransje Killaars.


Er is gloednieuw werk te zien en er is oud werk dat je opnieuw laat kijken, zoals de prachtige schilderijen van Jan Schoonhoven, uit de collectie van het Van Abbemuseum in Eindhoven. Zo rijk dus kan een Nederlandse tentoonstelling zijn, als je slim gebruikmaakt van wat in de museumarsenalen aan schatten wordt bewaard. Ondanks een paar onhebbelijkheden, is dit een mooi begin van iets nieuws.


Merel Bem


Utopia, 1900-1940. Visies op een Nieuwe Wereld. Museum De Lakenhal Leiden. Nog te zien t/m 5/1.


Je moet het maar durven. Twee bijkans heilig verklaarde stromingen uit de kunstgeschiedenis onder handen nemen en die dan zo presenteren dat de vastgeroeste denkbeelden daarover op drift raken. Dat deed Lakenhalconservator Doris Wintgens Hötte. Ze ontdekte dat niet alleen het constructivisme, met vaandeldrager Piet Mondriaan en zijn geometrische beeldtaal, maar ook het expressionisme, met zijn woest-emotionele schilderijen, eenzelfde brede revolutie nastreefden. Compleet met een ander mensbeeld en een andere maatschappij.


Hoe verstrekkend het werkterrein van de kunstenaars begin 20ste eeuw was, is overtuigend te zien in de strakgeregisseerde thema's met een grote hoeveelheid werk. Er wordt kunst gepresenteerd naast gebruiksvoorwerpen, schilderijen naast foto's van dansvoorstellingen, er zijn filmfragmenten, theaterkostuums, maquettes, asbakken en kinderspeelgoed. En via bewegend beeld komt de realiteit van de Eerste Wereldoorlog het museum binnen.


Wat deze tentoonstelling bijzonder maakt, is niet alleen dat de gebruikelijke hiërarchie wordt doorbroken, met de van hun context losgezongen schilderijen. Ook de stilzwijgende museum afspraak alleen perfect gerestaureerd werk te laten zien, wordt doorbroken met werk dat de sporen toont van gebruik en hoe het werd gemaakt. In Leiden draaien kunst, kunstgeschiedenis en Utopia niet om helden, maar om mensen van vlees en bloed. Die timmerden, knutselden, vreeën, schilderden en boetseerden aan hun gedroomde Wereld. Een goed getimede tentoonstelling bovendien, nu de behoefte aan do it yourself herleeft.


Marina de Vries


Rijksmuseum


Wonderkamers. Gemeentemuseum, Den Haag.


2013 was uitzonderlijk rijk aan geslaagde vernieuwende tentoonstellingsmodellen, maar geen enkel initiatief was zo inventief, brutaal, fris en leuk als de Wonderkamers in het Haags Gemeentemuseum.


Stelt u zich voor: een speurtocht met tablets waarbij je punten moet halen door opdrachten te doen en aan het eind van de rit kun je met je verzamelde aankopen je eigen minimuseum inrichten. Het is niet eenvoudig - zet maar eens een Berlagepaviljoen in elkaar zonder binnensmonds vloeken - en je bent er uren zoet mee, maar het is zo mooi en slim gemaakt dat tijd danwel frustraties snel zijn vergeten.


Hoe zet je dat deel van de collectie in dat normaal gesproken vooral stof ligt te vergaren? Nou, zo dus. En hoe breng je kinderen in aanraking met kunst zonder dat het schools, flauw of nivellerend werkt? Exact: zo. Hier kunnen kinderen zich vermaken met glaskunst of de composities van de late Mondriaan, maar als ze willen rondbanjeren in een jurk of danspasjes willen oefenen op een oplichtende vloer dan kan dat ook. Ze zien iets, ze leren iets, ze steken iets op. Reken maar dat ze daarna terug willen komen.


Stefan Kuiper


Wonderkamers


The Bride and the Bachelors, Barbican Centre, Londen. Hadden we ons erger kunnen vergissen? The Bride and the Bachelors, een tentoonstelling in The Barbican Centre in Londen (onderdeel van de zomermanifestatie Dancing around Duchamp) leek bij de aankondiging een droge kunsthistorische exercitie. Maar een tóch-even-kijkenbezoek in een verloren uurtje in Londen leverde de verrassing van het seizoen op.


Curator Carlos Basualdo liet kunstenaar Philippe Parreno dit allegaartje van muziekstukken, theaterdecors, partituren en kunstwerken arrangeren en kijk: er dampte een verhaal op van vriendschap en wederzijdse, opwindende inspiratie halverwege de vorige eeuw. Het grote glas van Marcel Duchamp in het midden, aangelicht als een operadiva; er omheen partituren van John Cage, dansopvoeringen van Merce Cunningham en kunst van Jasper Johns en Robert Rauschenberg; de jongere generatie die Duchamp herontdekte en hem wakker kuste uit zijn schaak-winterslaap.


Door een ingenieus systeem van oplichtende tekstpanelen en automatisch spelende vleugels was er, waar je ook was in de twee open verdiepingen van The Barbican, steeds verband te zien en te horen tussen deze verwante zielen, in alle mogelijke combinaties.


'Een elegante en toegankelijke koorddansact', omschreef The Economist adequaat. Deze ongrijpbare kunst, 'niet voor het netvlies maar voor de geest', was na een dikke halve eeuw weer kakelvers. Opgefrist verlieten we het pand, met zin om met touwtjes te gooien, anagrammen te maken en het hele stadsleven als één grote opvoering te zien.


Sacha Bronwasser


The Bride and the Bachelors


Utopia, 1900-1940


Rijksmuseum. Mag een museum moeilijk zijn? Ja, een museum mag verhalen en objecten presenteren waarvan we vandaag geen chocola meer kunnen maken. En het hoeft daar geen uitgebreid abc bij te geven ook. We hebben Google, jongens, en elkaar,om te praten over voorwerpen en kunstwerken. En laat dat nou precies de bedoeling zijn van het museum: vragen oproepen, gesprekken, kennis en bewondering, tot je je voelt opgetild. Door wat je zelf hebt ontdekt. Het enige wat nodig is, is een onberispelijke, tot in details perfecte en verleidelijke presentatie en combinatie. Zodat al die objecten werken als de ontsteking van een vlam in je gedachten. En dat is wat het Rijksmuseum deed, zo zagen 2 miljoen bezoekers sinds de opening dit jaar. Onder meer geïnspireerd op Neil MacGregors bestseller The History Of The World In 100 Objects bracht het museum kunst en context, esthetiek en geschiedenis samen. Lof voor het ridderlijk directeursduo Wim Pijbes en Taco Dibbits, dat Nederland liet zien hoe je dat doet, meespelen op wereldniveau. Was er dan niks op aan te merken? Jawel. De keuze voor enkel een concentratiekampjas blijft een zwakte en een miskenning van de massaliteit van de holocaustmachine, zoals die ook in Nederland huishield. Daar kunnen we nog even over napraten, wat voor het debat over het Nederlands verleden helemaal niet slecht zal zijn. Musea moeten gedachten losmaken, immers. En bewustzijn.


Lees verder op pagina V4


Vervolg van pagina V3

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden