OPNIEUW KIJKEN

Op Snap Judgments wil Okwui Enwezor afrekenen met het clichématige beeld van een zielig Afrika. Hij toont daarom een uiterst gevarieerde mix van kleuren en genres uit de nieuwe Afrikaanse fotografie....

Het is een simpele, maar verdraaid goede vraag, en een antwoord – of een poging daartoe – zou zeer welkom zijn: hoe te kijken naar en te schrijven over Afrikaanse fotografie?

De website van Africalls?, een multimedia initiatief uit Barcelona, gewijd aan Afrikaanse kunstenaars, belooft gelukkig een antwoord. Volgens een tip in een tijdschrift zou zich op deze site een link moeten bevinden naar een betoog van de Keniaanse schrijver Binyavanga Wainaina. Hierin buigt hij zich over de vraag: hoe te schrijven over Afrika?

Helaas. De link naar Wainaina’s betoog is verdwenen. Geen hulp dus bij het thema dat al dagen door het hoofd rondspookt.

Terwijl de kwestie nooit zo dwingend was als nu. Naast kunst uit China is het deze zomer de Afrikaanse fotografie (en overigens ook andere kunstvormen) die de agenda’s bepaalt. In het Amsterdamse Foam is werk te zien van de Malinese studiofotograaf Malick Sidibé, het Afrika Studie Centrum in Leiden presenteert Helden op stokken, een fototentoonstelling over gehandicapten in Afrika. En het Stedelijk Museum CS in Amsterdam opende vorige week Snap Judgments, een groot overzicht van het werk van 35 Afrikaanse kunstenaars/fotografen.

Het grootste deel van hen is geboren op het continent (in zestien verschillende landen). Anderen leven in andere delen van de wereld, maar voelen zich nog altijd sterk verbonden met Afrika. Samen voorzien zij, volgens samensteller Okwui Enwezor (1963, Nigeria) in ZAM Africa Magazine, in ‘een idee van Afrika, dat in geen enkel opzicht monolithisch is maar juist heel divers’.

Enwezor, adjunct tentoonstellingsmaker bij het International Center of Photography in New York, is inmiddels een expert op het gebied van de Afrikaanse fotografiegeschiedenis. In 1996 was hij medesamensteller van In/Sight: African Photographers, 1940 to the Present, een tentoonstelling in het New Yorkse Guggenheim Museum. Daar lag de nadruk op de portretfotografie van onder anderen Seydou Keïta, Malick Sidibé (beiden uit Mali) en Cornelius August Azaglo (Togo), de ‘klassieke modernisten’.

Er is sindsdien veel veranderd. Lopend door de zalen van Snap Judgments kun je in elk geval constateren dat het (studio)portret niet langer de boventoon voert. Keïta, Sidibé en Azaglo zijn afwezig in het Stedelijk Museum.

Hedendaagse fotografie uit Afrika wordt vertegenwoordigd door de meest uiteenlopende stijlen, van ingetogen reportagefotografie tot uitbundige collagekunst en van vrolijke modefotografie tot aangrijpende zwart-wit journalistiek. Verrassende binnenkomer zijn de manshoge foto’s van Hentie van der Merwe (Namibië, 1972), historische militaire uniformen, die de bezoeker als indrukwekkende spookverschijningen verwelkomen.

Er zijn films, clips en videowerken, kranten en installaties. In een decennium lijkt Afrikaanse fotografie uit haar voegen te zijn gebarsten en zich in een duizelingwekkende en aantrekkelijke mix van kleuren en genres te hebben verspreid over het continent, en daarbuiten.

Wat echter volgens Okwui Enwezor nog steeds niet is veranderd, is de blik van het Westen op Afrika. Het afro-pessimisme, dat zich, als het om het beeld van Afrika gaat, uit in foto’s van ziekte, honger, geweld en armoede, is nog altijd niet verdwenen. In de lijvige tentoonstellingscatalogus haalt Enwezor, in zijn bekende statige schrijfstijl, een paar voorbeelden aan.

In afstandelijke zinnen vertelt hij het verhaal van de Zuid-Afrikaanse (blanke) journalist Kevin Carter. Die werd in 1993 in één klap beroemd met een aangrijpende foto van een stervend meisje in zuidelijk Soedan. Het kind ligt voorover geklapt op de grond, terwijl op de achtergrond een gier al zit te wachten.

Het beeld verscheen groot in de New York Times, en Carter won er dat jaar de Pulitzer Prize mee. Hij oogstte lof, maar werd tegelijkertijd bekritiseerd; aan zijn motieven werd getwijfeld. Het debat laaide zo hoog op dat de fotograaf het niet meer aankon. Hij pleegde enkele maanden na het ontvangen van de prijs zelfmoord.

Dit soort dramatische en stereotype afbeeldingen die Afrika al lange tijd symboliseren, roept, schrijft Enwezor, ‘serieuze vragen op over het wezen van de fotografie, waar ze voor staat, en de ethiek rond verslaggeving’. Ook hij twijfelt openlijk aan fotografen als Kevin Carter. Enwezor is in zijn betoog zelfs dicht bij een zware veroordeling van zowel de doorgaans blanke fotografen die deze foto’s maken, als van de Westerse wereld die de beelden vervolgens tot iconen bestempelt.

Ronduit cynisch is hij over het internationale muziekproject Life Aid en de opvolger van twintig jaar later, Life 8. Bob Geldof die tijdens het concert in Hyde Park grote foto’s laat zien van alweer een kind dat op het randje van de dood zweeft (waarna datzelfde kind, nu een gezonde jonge vrouw, als uit de dood opgewekt op het podium verschijnt) – Enwezor moet er niets van hebben.

Dat is een begrijpelijke reactie. Voor iemand die zich dagelijks zo intensief met beelden bezighoudt en vooral met het doorbreken van de grenzen ervan, moet het frustrerend zijn om te zien hoe moeilijk het is om buiten de stereotype hokjes te kijken en denken.

Snap Judgments wil dan ook een aantal nieuwe manieren aanreiken om naar Afrika en Afrikaanse beeldenmakers te kijken. Opdat iedereen kan zien hoe zij de fotografie inzetten om de dagelijkse realiteit van het continent te vangen, die echt niet altijd bestaat uit dood en verderf.

Wie goed naar de foto’s op de tentoonstelling kijkt, zegt Enwezor in feite, heeft dus een antwoord op de vraag uit het begin van dit stuk.

Dat klinkt vanzelfsprekend, maar makkelijk is het niet. Elke blik die ik werp wordt vergezeld van het besef dat mijn manier van kijken ‘blank’ is, en dus gekleurd, en dat ik hier dan wel intensief kan gaan staan kijken, maar dat het maar de vraag is of ik zie wat ik moet zien. Dat maakt Snap Judgments tot een wonderlijke en boeiende tentoonstelling, waarin je continu met jezelf wordt geconfronteerd.

Het beoordelen van kunst uit een andere cultuur stuit nu eenmaal op problemen, hoeveel correcte informatie je er ook tegenaan gooit. Continu onderwerp je die ‘andere kunst’ aan een vergelijking met dat wat door je eigen, plaatsbepaalde kunsthistorische kaders is gevormd. Een waardeoordeel vellen is dan lastig.

Dat die problematiek eveneens verantwoordelijk is voor haar grote aantrekkingskracht, en dat het de eigen (kunst)geschiedenis in een ander perspectief plaatst, de boel prettig relativeert – dat is ook allemaal waar. Maar het ongemak blijft.

Zo kan het bekijken van de kitscherige en geënsceneerde foto’s van Tracey Rose (Zuid-Afrika, 1974), waarop ze de spot drijft met passages uit de Bijbel, uitmonden in een eindeloos welles-nietes gesprek in je hoofd. Mag ik zeggen dat ik ze lelijk vind? Ja. En eigenlijk ook weer niet. Wanneer ik overhaast constateer dat fotografen in Zuid-Afrika blijkbaar nog midden in de performance- en lichaamskunstfase zitten, suggereer ik zomaar dat ze daar achterlopen op het Westen. Zonder me af te vragen of dit soort lichamelijkheid niet voortkomt uit een heel ander soort traditie.

Hiermee is niet gezegd dat een (esthetische) beoordeling van Afrikaanse kunst voor iemand met een West-Europese achtergrond onmogelijk is. Maar misschien is het in dit geval beter om eerst een andere vraag te stellen, eentje waarbij je je minder schuldig, betrapt en ongemakkelijk voelt.

Als het zo is dat de fotografen van Snap Judgments hun Westerse publiek nieuwe inzichten geven in de realiteit van Afrika, welke fotografen zijn dan het meest overtuigend in het scheppen van dat nieuwe beeld, dat anders en alledaagser is dan we tot nu toe zagen?

Om met de tegenovergestelde groep te beginnen: Sada Tangara (Mali, 1984) en Zohra Bensemra (Algerije, 1968) overtuigen wat dat betreft het minst. Tangara’s serie Le grand sommeil (1998-2003) toont dakloze jongeren die in de straten van Dakar moeten slapen, net zoals de fotograaf dat zelf ook ooit deed. Zijn zwart-wit foto’s mogen door zijn ‘poëtisch formalistische benadering’ misschien eerder ‘empathisch’ dan meelijwekkend zijn, zoals het bijschrift vermeldt – het blijven beelden die veel lijken op het stereotype Afrika.

Bensemra fotografeerde de verschillende gezichten van ‘de vrouw’ in Algerije. Hoewel haar foto’s als serie een redelijk genuanceerd beeld opleveren, roepen ze afzonderlijk toch bekende plaatjes op: moslimvrouw rouwt tussen de puinhopen van haar huis, of zit met haar kinderen en een grote koffer op straat.

Opvallend is dat beide fotografen afkomstig zijn uit de journalistieke en documentaire hoek. Anders dan zij die zich in de mode of reclame bekwaamden, of meer de kant van de beeldende kunst opgingen, kunnen Tangara en Bensemra een stuk minder verbeeldingskracht aan de dag leggen.

Toch zijn het ook niet de mode- en hippe straatfotografen op Snap Judgments die een radicaal andere blik op Afrika bieden. Misschien komt het doordat hun werk ook te herkenbaar is, maar dan in positieve zin. Fotografen die mooi geklede mensen op straat aanhouden en fotograferen, zoals Nontsikelelo ‘Lolo’ Veleko (Zuid-Afrika, 1977) doet, heb je ook elders. Bij het bekijken van dat overigens zeer aanstekelijke en vrolijke werk, vergeet je eigenlijk dat de maker afkomstig is uit Afrika.

Het zijn uitzonderingen. Want met deze nieuwe vraag in het achterhoofd, blijkt het leeuwendeel van de werken op Snap Judgments inderdaad een ander beeld van Afrika tevoorschijn te toveren. Het blijkt uiteindelijk een combinatie van verbeelding, realiteit en aandacht voor kleine, persoonlijke gebeurtenissen te zijn die het beste werkt.

Op zijn zevende emigreerde Allan deSouza (Kenia, 1958) vanuit Nairobi naar Engeland. Pas veertig jaar later zou hij zijn geboorteland weer bezoeken. Terug in Los Angeles, zijn huidige verblijfplaats, plakte hij prints van oude familiekiekjes uit zijn jeugd op verschillende plekken in zijn huis. Tegen de muur van de douche, tegen het aanrecht, de wasbak – daar waar ze het meeste stof en viezigheid zouden vangen.

Hij fotografeerde de beschadigde fotoprints, en manipuleerde ze zodanig dat van sommige nauwelijks iets over bleef. Nu hangen zijn jeugdfoto’s groot aan de muren van een museum.

DeSouza creëerde herinneringen met ruis. Hij toont het Afrika zoals dat in zijn hoofd bestaat. Als er een geluid bij The Lost Pictures hoorde, dan was dat het monotone gekraak van een stoorzender met af en toe een flard van een stem erdoorheen. Allan deSouza overtuigt, omdat hij bij het kleine, voor iedereen herkenbare begon en van daaruit naar iets groters, iets universelers, toe werkte: wat het betekent om ergens te wonen terwijl een vroegere plek nog zo aan je trekt. Dat gevoel beleven veel mensen, niet alleen Afrikanen.

En voordat u nu roept: ‘Ja maar, geen wonder dat deze kunstenaar overtuigt; hij woont al meer dan veertig jaar in Amerika!’ – er zijn andere, wel in Afrika levende, fotografen die ook laten zien dat er nieuwe manieren zijn om naar Afrika te kijken. Romuald Hazoumé (Benin, 1962) bijvoorbeeld, die de complexe economische verhoudingen tussen Nigeria en Benin op een bijna conceptuele en visueel aantrekkelijke manier verpakt. Hij fotografeerde straatverkopers met enorme bossen jerrycans, gevuld met goedkope olie, op hun rug steeds van achteren. Zo lijkt het of bundels plastic bakken over straat zweven.

Het verhaal achter deze beelden is even schrijnend als die achter menig stereotype beeld van Afrika. Alleen leverde dat verhaal deze keer een foto op die geen ethische bezwaren veroorzaakt. Op deze manier is kijken naar Afrika minder moeilijk dan verwacht.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden