Opnieuw betoverd door Berlin van Lou Reed

Ik zal een jaar of zestien zijn geweest toen ik de elpee Berlin van Lou Reed kocht. Die was toen al bijna zes jaar oud, maar anders dan op de voorganger Transformer stonden er geen hitsingles op dus ik was er altijd aan voorbijgegaan.

Wel hoorde ik her en der mensen die ik geloofde er de loftrompet over afsteken: meesterwerk, de mooiste plaat ooit gemaakt, u kent dat wel. Ik ben er pas echt naar gaan luisteren toen ik Unknown Pleasures van Joy Division hoorde (begin 1980). 'Jij houdt toch zo van depressieve muziek, moet je dit eens proberen' was geloof ik het advies.

Ik vond het inderdaad een mooie plaat, die ik graag 's avonds in het donker draaide voor het slapengaan. Wel wat angstaanjagend vond ik altijd het geschreeuw van die kinderen in The Kids op kant twee, maar meestal hield ik het bij kant 1.

Ik heb altijd gedacht dat de status die Reeds Berlin in Nederland genoot universeel was, totdat de heer Reed me er zelf twee jaar geleden op wees dat zijn plaat door iedereen gehaat werd, wat hem een tot op de dag van vandaag voortdurende weerzin tegen de popjournalistiek heeft gegeven.

Ik sprak Reed twee jaar geleden in New York specifiek over Berlin, dat hij een half jaar eerder integraal had gespeeld in Brooklyn, en dat hij ook in Europa zou gaan spelen. Die shows heb ik helaas gemist. Ook de film die Julian Schnabel ervan maakte heb ik nog niet gezien. Ik ben er vreemd genoeg ook niet zo nieuwsgierig naar, omdat ik de beelden die de muziek bij mij al bijna dertig jaar oproept voldoende acht.

Maar gisteren zat er bij de post de cd Lou Reed Berlin: Live At St. Ann's Warehouse en die heb ik toch maar opgezet. Mooie soundtrack bij het voetballen. Tijdens Men Of Good Fortune maakte Van Nistelrooy 2-1 tegen Juventus, maar dat terzijde.

Van het voetballen kreeg ik verder weinig meer mee, want ik werd volledig in beslag genomen door de uitmuntende uitvoering van Berlin. Alle details, de geweldige drumpartijen, de basloopjes (oorspronkelijk van Jack Bruce), de schitterende pianopartijen: alles klonk zoals ik hoopte alleen nog beter. De muzikanten waren behalve Reed en gitarist Steve Hunter allemaal anderen, maar ze deden hun uiterste best de partijen te spelen zoals indertijd door producer Bob Ezrin vastgelegd.

Als bonus krijgen we nog een bijzonder mooi door Antony gezongen Candy Says (Antony zingt samen met Sharon Jones de achtergrondpartijen). Sweet Jane valt daarna wat tegen omdat ik had gehoopt dat Steve Hunter dit nummer net zo beestachtig zou inleiden als op het klassieke live-album Rock And Roll Animal.

Deze plaat volgde in 1974 op Berlin en werd door de Amerikaanse pers uitgelegd als de revanche van Reed.
Dat de zanger nog altijd zit met de ontvangst van Berlin blijkt uit de korte toelichting in het cd-boekje waarin hij het heeft over the present status of masterpiece. It took 33 years to get there.

Is dat zo? Vroeg ik me af, en ben even gaan zoeken in Rolling Stone naar de recensie uit 1973. Sinds een klein jaar heb ik alle jaargangen van dat tijdschrift digitaal op schijf, en wat een plezier verschaft me dat iedere keer weer.

Niet alleen is het leuk oude recensies enzo te lezen, maar ook vooral hoe die werden opgemaakt, en wat de contekst was.

Goed, op 20 december 1973 opent de platenrubriek van Rolling Stone met Quadrophenia van The Who, en moet je zes pagina's verder zoeken naar een bespreking van Berlin, die staat ingeklemd tussen een lang vergeten plaat van Harold Melvin & The Blue Notes 'one of the best lp's of 1973' en de prachtige 3+3 van The Isley Brothers die de band volgens de recensent niet van hun b-status af zal helpen.

98 woorden heeft Stephen Davis daartussen nodig om Berlin neer te sabelen. Ik neem die even integraal over, dan begrijpt u dat Reed daar toch van ontdaan was.

Lou Reed's Berlin is as disaster, taking the listener into a distorted and degenerate demimonde of paranoia, schizophrenia degradation, pill-induced violence and suicide.

There are certain records that are so patently offensive that one wishes to take some kind of physical vengeance on the artists that perpetrate them.

Reed's only excuse for this kind of performance (which isn't really performed as much as spoken and shouted over Bob Ezrins limp production) can only be that this was his last shot at a once promising career. Goodbye, Lou.

Dat was alles. En dat moet hard zijn aangekomen bij Reed, die sindsdien iedere journalist met grote argwaan te woord staat. Ik probeerde twee jaar geleden nog even dat wij in Nederland de plaat wel goed vonden. En ja, dat wist hij ook nog: het had hem zelfs een Edison opgeleverd. Zijn enige, voegde hij er streng aan toe.

Later begreep ik van collega Nathalie Kester dat hij zich daarin had vergist. Die Edison had hij gekregen voor New York uit 1989.

Toch hadden we een aardig gesprek, vond ik. En Reed leefde zelfs even op toen ik bij het weggaan de naam Bert van de Kamp liet vallen. Als journalist voor Oor was hij het die Berlin al van meet af aan de hemel had in geprezen.

'Bert, Bert, do you know him? How is he doing. Bert was great, he knew a lot about music', aldus Reed die deze laatste woorden bijna verwijtend uitsprak. Bert, die wist nog eens wat, anders dan dat volk dat ik nu voor mijn kiezen krijg, leek hij te willen zeggen. 'Bert moet naar mijn show komen, kun je hem uitnodigen?' vroeg Reed aan zijn manager die net de lunch had afgerekend.

Of Bert en Lou elkaar nog ontmoet hebben weet ik niet. Maar ik heb Lou Reed in de drie keer dat ik hem gesproken heb nooit zo enthousiast gezien als toen de naam van de journalist viel. Iemand die wel begrepen had dat Berlin een echt belangrijk kunstwerk was.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden