Opkomst euroverkiezingen viel nog mee

Bij zo weinig verschillen en zo weinig inhoudelijk debat valt het nog mee dat 30 procent van de kiezers is komen opdagen....

OP DE morgen van de Europese verkiezingen werd ik via mijn wekkerradio gewekt met de verkiezingsboodschap van VVD-fractievoorzitter Dijkstal die mij vertelde dat alle mensen die niet gaan stemmen zich blijkbaar niet goed realiseren hoe belangrijk de democratie is. En dat wij als kiezers maar een voorbeeld moesten nemen, ik citeer uit de losse pols, aan de kiezers in Zuid-Afrika en Indonesië die om te mogen stemmen rijen en lang wachten in de hete zon trotseren.

Tot op dat moment had ik nog geen moment overwogen om niet te gaan stemmen voor het Europees Parlement. Ik ben dat nu eenmaal zo gewend: als er een oproepkaart komt, dan ga je. Maar nu de zwarte piet zo duidelijk naar de kiezer werd geschoven, werd ook bij mij de verleiding groot om me aan te sluiten bij de grootste groep kiezers: de nietstemmers.

Dijkstal is, ook al wees hij wel erg expliciet met zijn vinger naar de kiezer, bepaald niet de enige politicus die de kiezer verwijten maakt. Het wordt rond verkiezingen steeds meer een vast ritueel dat politici zich ernstig zorgen maken over de kiezers die in steeds geringere getale naar de stembus komen.

Een analyse van de oorzaken, zeker voor zover het gaat om de eigen rol van de politiek, ontbreekt vrijwel geheel. Het doet me denken aan de soms aanwezige arrogantie van het gesubsidieerde toneel: wat wij doen is kunst en dat is goed. Als er geen publiek komt ligt dat aan het publiek dat ons niet begrijpt.

Het idee van een verkiezing is dat er gekozen moet worden tussen verschillende alternatieven. Wat voor keuze werd een doorsnee kiezer nu voorgelegd tijdens de campagne voor de Europese verkiezingen?

Afgelopen woensdagavond mochten in het NOS Journaal een aantal lijsttrekkers in een paar korte zinnen hun boodschap uitdragen. Ik hoorde vijf keer hetzelfde. Fraude en vriendjespolitiek moesten worden bestreden. Dat had de hoogste prioriteit. Bij de ene politicus kwam het wellicht wat overtuigender over dan bij de ander en sommige politici keken wat vriendelijker uit hun ogen dan de anderen. Maar daarmee hebben we ook wel ongeveer alle verschillen gehad.

Dat is typerend voor de campagne: ze willen allemaal dat het goed gaat en dat het slechte bestreden wordt. Gegeven dit inhoudelijke gehalte van het debat zijn er nog veel mensen gaan stemmen. De campagne benaderde het democratische dieptepunt van dit jaar: de campagne voor de waterschappen waarbij ik op basis van een fotootje en een paar zinnen waarin stond dat de desbetreffende kandidaat veel van water hield en/of er veel van afwist een keuze moest maken.

Samen met een aantal collega's van de Vrije Universiteit heb ik uitgebreid onderzoek gedaan naar de verkiezingscampagnes voor de Tweede Kamer van 1998. Acht maanden lang (we deden een vergelijkbaar onderzoek ook al in 1994) volgden we het politieke debat in de media en keken we naar effecten op kiezersvoorkeuren.

Een opvallend resultaat van dat onderzoek is dat het inhoudelijke debat uiteindelijk de doorslag geeft bij het bepalen van de partijvoorkeur. Natuurlijk zijn er af en toe wat reclame-achtige acties nodig om de aandacht te trekken van de kiezer. Hij heeft nu eenmaal een heleboel aan zijn hoofd in onze moderne samenleving. Een charismatische leider, een kernachtige uithaal naar een politieke concurrent en een aai over de bol van een kind kunnen daarbij belangrijk zijn.

Maar uiteindelijk, dat leert althans ons onderzoek, laat de kiezer zich bij de keuze leiden door de inhoud van het politieke debat. Het is dan ook logisch dat die kiezer afhaakt als de inhoud ontbreekt. En voor de politicus die dit misschien misverstaat: bij dit politieke debat gaat het niet om ambtelijke nota's maar om een debat waar het publiek iets van merkt.

Bij de Kamerverkiezingen lijkt het publiek nog steeds wel te mobiliseren (de opkomst van 73 procent bij de laatste verkiezingen is nog steeds redelijk hoog). Overigens kunnen ook bij die campagnes vraagtekens worden gezet bij het gehalte. Niet omdat er geen inhoud is, maar omdat het publieke debat soms ver af staat van de werkelijke strijdpunten. Ook dan kan er uiteindelijk, al duurt het misschien wat langer, afhaakgedrag ontstaan.

Het grote probleem bij de Europese verkiezingen is het gebrek aan zichtbare inhoudelijke verschillen tussen de alternatieven waar we uit kunnen kiezen. Politici moeten bij het zoeken naar een remedie niet met hun vinger wijzen naar de kiezer en ook niet naar de media, maar hun eigen verantwoordelijkheid nemen.

Het is hun taak om onderlinge verschillen van inzicht over relevante kwestie duidelijk over het voetlicht te brengen. Een complicatie bij de Europese verkiezingen is dat de verschillen met vertegenwoordigers van verwante partijen uit andere landen soms groter zijn dan met andere partijen uit het eigen land. Echte Europese partijen waaruit alle Europeanen kunnen kiezen, zou de duidelijkheid ten goede komen.

Zolang dat nog niet haalbaar is zou het wellicht een idee zijn om het aantal zetels dat een land bezet in het Europees Parlement te koppelen aan de opkomst in dat land. Ofwel geen verdeling op basis van het potentiële, maar op basis van het feitelijke aantal kiezers. Dat zou recht doen aan het idee dat verschillen tussen landen ook nu nog steeds een rol spelen en dat je de positie van je eigen land kan versterken door te gaan stemmen. En daarnaast is het ook mooi meegenomen dat politici zich waarschijnlijk meer zullen inspannen om de opkomst te bevorderen omdat ze bij een lage opkomst veel directer in hun eigen belang worden geschaad.

Verkiezingen zijn een belangrijk onderdeel van de democratie en iets waar we zuinig op moeten zijn. Dat betekent ook dat politici elke keer weer moeten laten zien dat het echt iets voorstelt en dat het ergens over gaat. Als politici dat niet kunnen, dan kunnen we de desbetreffende verkiezing wel afschaffen.

Ook afgezien daarvan is het wellicht een goed idee om wat zuiniger te zijn met het aantal verschillende verkiezingsmomenten. Het concentreren van alle verkiezingen op één dag of eventueel twee dagen (een lokale/regionale en een landelijke/Europese dag) lijkt een zeer pragmatische oplossing van het probleem van een lage opkomst bij bepaalde verkiezingen.

Maar aan de andere kant zit er ook een meer principiële stellingname in die past bij mijn voorafgaande betoog. Zuinig zijn op de democratie betekent ook momenten creëren waarop het er echt op aankomt. Veel verkiezingen en vele verschillende inspraakprocedures op allerlei niveaus in de samenleving hebben een zekere verwatering van de democratie tot gevolg. Soms lijkt het wel dat de burger minder te zeggen heeft naarmate hij meer mag meepraten.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden