Opkomst en ondergang van een dagblad; GEDETAILLEERDE GESCHIEDENIS VAN HET PAROOL

HALVERWEGE DE jaren zestig moet de fatale omslag zijn begonnen in de naoorlogse geschiedenis van Het Parool. Sinds de krant in 1945 bovengronds was geworden - als het enige Nederlandse dagblad zonder vooroorlogse wortels - was de krant stap voor stap gegroeid naar een voor die tijd riante oplage van...

Anderhalf decennium later evenwel was de krant de helft van haar abonnees kwijt, had de progressiviteit zich massaal bekeerd tot de ontzuilde ex-katholieke Volkskrant, en werd het kwaliteitswaarmerk geclaimd door het uit een liberale fusie voortgekomen avondblad NRC Handelsblad. Anno 1996 krijgt het verliesgevende Parool van zijn uitgever een allerlaatste kans: in een drastisch afgeslankte vorm mag de grote landelijke krant van weleer proberen het als regionaal dagblad alsnog te redden.

Opkomst en ondergang in een tijdsbestek van nog geen halve eeuw: voor zo'n dramatisch kader, gratis aangeboden door de geschiedenis, zou elke historicus z'n handen dichtknijpen.

Dat moeten Mulder en Koedijk ook gedaan hebben, toen ze vijf jaar geleden de opdracht aanvaardden om over Het Parool - en de gelijknamige stichting - een boek te schrijven dat in 1995 het gouden jubileum van de krant zou markeren en dat de periode van 1945 'tot begin jaren negentig' zou bestrijken.

Maar door tijdnood zijn ze daar jammer genoeg niet aan toegekomen. Onderweg moest besloten worden het voorgenomen traject maar liefst te halveren en als eindpunt het jaar te kiezen waarin Parool en Volkskrant een samenwerkingsverband aangingen binnen de Perscombinatie nv. Op dat moment, in 1968, zijn de signalen van de neergang misschien al wel zichtbaar geweest, maar het echte 'drama' had zich nog lang niet afgetekend - en in een epiloog sommen de auteurs weliswaar nog even de fasen op waarin de aftakeling zich na 1970 voltrok, maar alleen al in omvang (vijftien pagina's op een totaal van meer dan vijfhonderd ) staat dat summiere aanhangsel nauwelijks in verhouding tot het buitengewoon gedetailleerde 'moederboek'.

De auteurs zijn wat mij betreft ruimschoots geëxcuseerd voor het feit dat ze liever 'verantwoord' ophielden in 1968 dan in een wanhopige strijd tegen de klok met 'een veel oppervlakkiger werk' te komen dat tot 1995 zou hebben gereikt. Maar ze hebben er uiteraard een prijs voor moeten betalen. Als je een historisch proces wilt beschrijven waarvan de afloop alom bekend is, kun je nou eenmaal niet ongestraft de eerste helft met grote precisie in kaart brengen, om vervolgens de tweede bijna te 'verzwijgen'. De val van Het Parool had, anders gezegd, een ten minste even consciëntieus en diepgaand onderzoek verdiend als nu is gegund aan zijn opkomst; zelf had ik graag een poosje langer gewacht (het jubileumjaar was toch al gemist) om in een desnoods nog tweemaal zo dik boek het hele verhaal te lezen.

Persgeschiedenis is altijd samenlevingsgeschiedenis, en een gedegen analyse van de ontwikkelingen in de Nederlandse samenleving tussen 1945 en 1995 had mogelijk een helder antwoord opgeleverd op de vraag waarom nou precies een krant verloren moest gaan waarvan de toekomst in 1965 nog onbedreigd leek. Maar daar kom ik nog op.

Eerst mag gezegd wezen dat Mulder en Koedijk zich met grote toewijding en zorgvuldigheid van hun 'halve' taak hebben gekweten. Het moet in zoverre een lastig en inderdaad tijdrovend karwei zijn geweest, omdat ze niet alleen de (journalistieke) geschiedenis van de krant, maar ook de bedrijfsgeschiedenis van de Stichting Het Parool op hun bord hadden. Dat wringt bijna altijd, hoezeer in dit geval stichting en dagblad al sinds hun ontstaan in de illegaliteit met elkaar verweven waren. Maar altijd dreigt het gevaar van een al te eenzijdige, 'institutionele' benadering van de werkelijkheid - de redactionele werkvloer legt het op dat punt bijna altijd af tegen de directie- (of stichtingsbestuurs-)kamer, al was het maar omdat journalisten als vastleggers van hun eigen geschiedenis een stuk slonziger zijn dan hun uitgevers. Mulder en Koedijk troffen het extra ongelukkig: het redactie-archief van de krant bleek tot 1980 spoorloos verdwenen.

Des te vindingrijker moesten ze omspringen met het 'afgeleide' materiaal (gesprekken met oud-redacteuren, notulen van bestuursvergaderingen waarin ook journalistieke onderwerpen natuurlijk aan de orde kwamen), om toch een zeker evenwicht te bewaren tussen top en basis, en hun titel te blijven rechtvaardigen die tenslotte primair en letterlijk naar de krant verwijst.

De balans is ook bewaard dankzij een slimme structuur, waarbij na twee min of meer inleidende hoofdstukken, die de even eufore als chaotische als roezige periode beschrijven van de eerste maanden na de bevrijding, telkens 'mijlpalen' aan de orde komen die zowel voor het bedrijf als voor de krant van betekenis waren: de komst van de eerste hoofdredacteur (Van Heuven Goedhart), de herverschijning van De Telegraaf, het aantreden van Koets - ex-leraar klassieke talen, ex-kabinetschef van Van Mook in Batavia, maar geen journalist - als tweede hoofdredacteur, en vervolgens een aantal casussen met grote politieke neveneffecten, zoals de zaak-Schokking, de affaire Greet Hofmans, de Nieuw-Guinea-politiek, de breuk met de Partij van de Arbeid, tot en met de reacties op Provo, Vietnam en de oorlog(en) in het Midden-Oosten.

Aan zo'n opzet zit één levensgroot risico: vóór je het weet dijen al die zaken, die tenslotte aangestipt moeten worden, onwillekeurig uit tot een soort autonome mini-monografieën die het evenwicht op weer een andere manier bedreigen. In eerdere publicaties - de biografie van H.M. van Randwijk bijvoorbeeld - hebben Mulder en Koedijk zich al laten kennen als auteurs van wie maatgevoel niet 't allersterkste punt is: als de dood om beticht te worden van onvolledigheid. Het aantal uitweidingen in hun boek is ontelbaar - niet zelden vergeet je als lezer wanneer en waarom ergens een haakje is geopend voor pagina's lange 'bijzinnen', en soms lijkt de (her)aansluiting bij de hoofdzin ook niet meer helemaal logisch.

Dat geldt in versterkte mate voor de excursies rond één figuur, wiens faits et gestes als een rode draad door de hoofdstukken lopen: Frans Goedhart, met wiens Nieuwsbrief van Pieter 't Hoen - eerste exemplaar al in juli 1940 - de geschiedenis van Het Parool feitelijk is begonnen, en die deswegen als het ware recht had op uitweidingen. 'Om hem historisch naar waarde te kunnen schatten', stellen de schrijvers in hun epiloog vast, 'is een biograaf nodig', en je zou daar - zonder ironie - aan kunnen toevoegen dat zij voor die biograaf het halve werk al gedaan hebben.

O NTHULLEND AAN Léés die krant is wat Goedhart betreft niet het 'nieuws' dat hij zich als rabiaat anticommunist voor allerlei Amerikaanse propagandakarretjes heeft laten spannen en zelfs op de payroll van de CIA zou hebben gestaan - in de jaren dat ik (1952-1954) bij Het Parool het vak heb mogen leren, waren die activiteiten, ook van reiscorrespondent Sal Tas, al een 'publiek' geheim, en Mulder en Koedijk benadrukken ook terecht dat de Parool-medewerkers (er waren er toen nog een paar 'verdacht') hun bedrijvigheden ook allerminst onder stoelen of banken staken. Zij beschouwden dat werk, evenals in het geval van Goedhart het kamerlidmaatschap, als een natuurlijk verlengstuk van hun journalistieke taak die in de statuten van de stichting ook min of meer stond aangereikt: het bovengrondse Parool zou welbewust een politieke rol moeten spelen om de samenleving te vernieuwen en bovenal te helpen beschermen tegen elke nieuwe vorm van totalitarisme.

Onthullender is in die zin ook wat Mulder en Koedijk verzameld hebben aan blijken van verregaande verstrengeling tussen Het Parool en het politieke establishment van met name de jaren vijftig, en dan nog meer speciaal de binding met de Partij van de Arbeid, die aanzienlijk nauwer was dan in de professionele journalistiek van nu voor wenselijk of zelfs welvoeglijk zou worden gehouden.

'Hoe vrij en onverveerd was Het Parool eigenlijk?', vragen zij zich af als in hun verhaal de jaren zestig naderen, en andermaal een hoofdredacteurswisseling voor de deur staat, omdat Koets zijn termijn heeft uitgediend. Het antwoord luidt: aan de ene kant heel vrij en heel onverveerd, zoals in 1952 bleek toen Goedhart als enige in de Nederlandse journalistiek het verantwoordelijke kabinet-Drees durfde te kapittelen over het al te dweepzieke vredesgedrag van de onschendbare Juliana. Maar aan de andere kant net zo gebonden en net zo gedwee als alle andere Nederlandse kranten, toen het er in 1956 op aankwam werkelijk journalistiek te handelen in een zaak (Greet Hofmans) die Goedhart nota bene al vier jaar eerder had gesignaleerd.

Maar het verschil was duidelijk. Goedharts beroemde hoofdartikel uit 1952 (A queer country) was de opinie van een verontruste communistenhater die in de Amerikaanse toespraken van de koningin 'Derde-Weg'-geluiden meende te hebben gehoord. Maar gesteld voor de vraag of het beroemde omslagartikel in Der Spiegel misschien nieuws bevatte, liet Koets zich door de minister-president net zo afschepen als al zijn collega's werden afgescheept. Er is ook geen sprake van dat Goedhart - die zijn leven lang de hoofdredacteurszetel is blijven opeisen, en dus met al zijn 'rivalen' in een soort onmin heeft verkeerd - het als informatieverschaffer anders zou hebben gedaan.

Hij komt uit het portret van Mulder en Koedijk te voorschijn als een even markante als querulanterige man met een in het verzet gescherpte pen. Maar de grote, Engels-Amerikaanse journalistieke adagia die voorschrijven dat het nieuws zonder last of ruggespraak moet worden doorgegeven, en dat bij alle vrijheid van meningsuiting de feiten heilig zijn, waren hem tamelijk vreemd. De krant was voor hem een middel waarmee hij een uitgesproken politiek doel nastreefde, en wat dat betreft was hij representatief voor de cultuur van de hele Parool-familie uit die jaren.

In het effect van zijn journalistieke werk was Het Parool op die manier niet onverzuilder dan het liberale Handelsblad, de katholieke Volkskrant of het socialistische Vrije Volk. De krant had dan wel geen formele band met enigerlei kerkelijke of politieke instantie, maar in de praktijk liet ze zich evenzeer leiden door buiten-journalistieke overwegingen als de concurrentie die 'openlijk' een verzuilde boodschap uitdroeg.

Op het eerste gezicht, betogen Mulder en Koedijk, markeerde de komst van H.W. Sandberg als opvolger van Koets een breuk. Sandberg, die voor de krant correspondent was geweest in Bonn en Londen, was een volbloed journalist, die volgens de auteurs van Lées die krant althans in de eerste tien jaren van zijn twintigjarig regime niet alleen een groot aantal vernieuwingen op de redactie introduceerde, maar vooral ook een eind maakte aan de semi-afhankelijkheid waarin de krant zich sinds 1945 ten opzichte van de Partij van de Arbeid had bevonden. 'Sandberg', schrijven zij prijzend, 'had halverwege de jaren zestig misschien niet alle, maar toch al veel palen geheid waarop een dagblad dat voldeed aan het signalement van een kwaliteitskrant, kon verrijzen.'

Maar niettemin.

Wat is er, blijkbaar onvoorzien om niet te zeggen onverhoeds, misgegaan met een krant die juist in een periode dat driekwart van de dagbladpers in crisis verkeerde, prat kon gaan op een sterke, haast ongenaakbare positie?

Zoals gezegd voeren Mulder en Koedijk aan het eind van hun boek een aantal oorzaken aan, waarvan de meest gehoorde de consequent pro-Amerikaanse houding is die Het Parool weigerde op te geven op het moment dat tienduizenden ongeveer wekelijks de straat op gingen om te protesteren tegen de Vietnamoorlog. Er zit heldhaftigheid en tragiek in die verklaring: de oude verzetskrant zou bij wijze van spreken de martelaar zijn geworden van haar onbuigzame geloof in de democratie, die een even onbuigzame afwijzing van alle dictatuur impliceerde. En 'het gelijk van rechts' kwam te laat om haar nog te redden, of zelfs maar te belonen.

De schrijvers noemen meer mogelijke factoren van onderling uiteenlopende aard. Het 'verzetsaura' van de krant zou na twintig jaar goeddeels zijn uitgewerkt. De ontvolking van Amsterdam ten gunste van diverse overloopgebieden zou de band met een oude, trouwe aanhang hebben verbroken. De groei van De Telegraaf en meer speciaal het zusterblad Nieuws van de Dag heeft de hoofdredactie voor een onoplosbaar dilemma geplaatst: moest met populariseren om in ieder geval de slag om Amsterdam (traditioneel het Parool-bolwerk) te winnen, maar met de kans dat dan de hoger opgeleide abonnees, van wie er sinds 1945 heel veel waren, zouden afhaken?

De 'vergrijzing' van de redactie kan een rol hebben gespeeld: de jonge, goeddeels onervaren dertigers die de krant met ongelooflijke toewijding en geestdrift op de rails hadden helpen zetten, waren intussen meer of minder vermoeide vijftigers geworden, en het 'clubgevoel' dat voor die eerste naoorlogse jaren zo typerend was geweest voor Het Parool, bleek niet automatisch overdraagbaar op een generatie van jongelui die tussen '40 en '45 nog te klein waren om de illegale krant rond te brengen. En ten slotte - Mulder en Koedijk leggen daar de nodige nadruk op - zou de vernieuwingsdrift van Sandberg na tien jaar zijn uitgewerkt.

Moet de verklaring worden gezocht in de optelsom van al deze omstandigheden?

Dat kan.

Maar er kan ook iets anders.

N IET ZO LANG geleden duidde Geert Mak in een beschouwing in NRC Handelsblad de krant van Pieter 't Hoen treffend aan als 'de krant van één generatie', en dat is ze intussen dus ook zo goed als zeker gebleken. Als dat zo is, gold het de generatie van mensen die in de oorlog volwassen werden en die niet alleen waren 'getekend' door hun afkeer van de (vreemde) dictatuur, maar vooral ook door hun verlangen naar een samenleving die zich drastisch zou onderscheiden van de vooroorlogse. Voor hen belichaamde Het Parool een ideaal dat in de politiek al snel was vervlogen, dat van de doorbraak. De relaties tussen leden van de 'Paroolgroep' en de aanhangers van een Nederlandse Volksbeweging waren in het verzet al talrijk geweest.

In die geest werd het bovengrondse Parool ook groot: vrij en onverveerd, dus kritisch, maar wel degelijk toch gouvernementeel in die zin dat men de democratische verhoudingen binnen het herrezen koninkrijk niet alleen respecteerde, maar ook bereid was de regering in grote lijnen het vuur niet al te na aan de schenen te leggen.

De geest van Het Parool werd daarbij niet alleen beheerst door het felle (nieuwe!) verzet tegen het ondemocratisch communisme, maar ook door wat je het samenlevingsklimaat van de jaren vijftig zou mogen noemen: het door Mulder en Koedijk enigszins veronachtzaamde universum van amusement (jarenlang elke dag een vrolijke, onpolitieke tekening op pagina 3: we leven in het tijdperk van Chaval, Searl, Steinberg, New Yorker, Punch, de grappenboekjes en Mandril), van het Amsterdams Dagboek, van de jaarlijks uitgereikte 'Paroliebollen' in de categorie Goed zo, van lieverdje en oom-agent - van een argeloos soort 'fatsoen' kortom, vermengd met een nu wat oubollig ogende olijkheid die de inrichters van het nieuwe onderkomen aan de Wibautstraat er nog in 1965 toe verleidden hun kantine de krantine te noemen.

Net als het anticommunisme is die geest tot ver in de jaren zeventig en tachtig over de krant vaardig gebleven - en tot op deze dag hoor je in Journaille de vage echo van Henri A.A.R. Knap. Anders dan de grote concurrenten die zich aan nieuwe tijdgeesten flexibel wisten aan te passen, bleef Het Parool koppig zichzelf en misschien, zou je kunnen opperen, wreekte zich het feit dat Mulder en Koedijk overigens terecht als iets unieks aanduiden: dat de krant geen wortels had in de vooroorlogse Nederlandse samenleving.

Misschien, zou je bij wijze van hypothese kunnen veronderstellen, heeft die oude samenleving toch een hardnekkiger continuïteit dan vaak wordt aangenomen, en heeft ze inderdaad geen radicale breuk gedoogd. De oude kranten van confessionele of liberaler snit hoefden hun veren maar inschikkelijk op te strijken om 'bij de tijd' te blijven. De krant van de doorbraak moest het loodje leggen.

Jan Blokker

Gerard Mulder & Paul Koedijk: Léés die krant! - Geschiedenis van het naoorlogse Parool 1945-1970.

Meulenhoff; ¿ 89,90 (gebonden), ¿ 69,90 (paperback).

ISBN 90 290 4815 8.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden