Opgewekte dameszang

In de herfst van 1981 was er plotseling God. Begrepen deed je het niet, maar alles aan de plaat fascineerde.

Er verschenen veel grimmige, politiek gekleurde platen in het najaar van 1981. Het was de tijd van het doemdenken in de popmuziek. Veel sombere, in mineurakkoorden gedrenkte gitaarmuziek maakte de dienst uit binnen wat we later post-punk zijn gaan noemen.


Joy Division was met de dood van Ian Curtis in mei 1980 weliswaar ten grave gedragen, maar de muziek was nu, bijna anderhalf jaar later populairder dan ooit. En dan was er de treurige straaljagermuziek van The Cure, de ook niet erg opgewekt klinkende Echo & The Bunnymen en The Sound, die openlijk zongen over hun zorgen over kruisraketten.


Zelfs U2, een jaar eerder zo optimistisch begonnen, maakte met zijn tweede album October in het najaar van 1981 een van zijn meest sombere platen.


En dat waren dan nog betrekkelijk toegankelijke 'new wave' bands. Iets verder in de marge bevonden zich groepen als This Heat en Cabaret Voltaire, die met hun respectieve platen Deceit en Red Mecca asgrauw commentaar leverden op de wereld.


Mocht er dan niet vrolijk gedanst worden? Natuurlijk wel. Britse synthipopbands als Soft Cell, Depeche Mode, Spandau Ballet en Human League deden voor het eerst van zich spreken en Duitse (elektronische) muziek raakte dankzij bijvoorbeeld Deutsch Amerikanische Freundschaft in de mode. Maar deze muziek werd door velen ook als te klinisch en machinaal afgedaan.


Warme, organische dansmuziek kwam er in het najaar 1981 als overblijfsel van de ska-golf die ook Nederlandse clubs een jaar eerder had overspoeld met bands als The Specials, Madness, The Beat, Bad Manners en UB 40.


De post-punk, een paar jaar eerder voortgekomen uit de punk was een heel divers genre geworden, maar in 1981 toch nog vooral erg duister gekleurd.


Bepaald niet feestelijk oogde ook het album dat in september 1981 ineens in de platenbakken opdook. God stond er in bloedrode letters op een bruingele achtergrond boven een afbeelding van een vervaarlijk springend, ondefinieerbaar dier (een aap, hond of kat?) met daaronder in het zwart de letters Rip Rig + Panic.


Het waren de jaren lang voor internet en Google, dus dat deze drie woorden verwezen naar een jazz-album van saxofonist Rahsaan Roland Kirk uit 1965, wisten alleen de wat breder georiënteerde muziekliefhebbers.


De hoes paste volledig in het tijdsbeeld van 1981, maar de muziek klonk anders dan gebruikelijk. Hysterische blazers, hamerende piano's, ploppende bassen en afwisselend wanhopige en opgewekte dameszang. Het mooist waren meteen al de titels van de nummers: Wilhelm Show Me The Diagram (Function Of The Orgasm), Those Eskimo Women Speak Frankly en It Don't Mean A Thing If It Ain't Got That Brrod.


Begrepen deed je het niet, maar alles aan de plaat fascineerde. Later bleek dat Rip Rig + Panic was voortgekomen uit het al even illustere The Pop Group uit Bristol. Een sterk politiek gekleurde band die in 1978-1980 platen had uitgebracht waarop funk, free-jazz en reggaedub werden samengevoegd, waaroverheen zanger Mark Stewart zijn woede over al het onrecht in de wereld uitschreeuwde.


In zijn standaardwerk over de postpunkjaren (1978-1984) Rip It Up And Start Again stelde Simon Reynolds in 2005 dat Rip Rig + Panic eigenlijk klonk als 'The Pop Group minus de reggae-input en politiek'.


Daar zit wat in. En een van de redenen dat God (net als de twee platen die in 1982 en 1983 van hetzelfde collectief zouden volgen) nu zo vrolijk stemt, is dat juist de politieke verwijzingen naar de toenmalige actualiteit volledig ontbreken.


Rip Rig + Panic maakte meer jazz dan funk, een genre dat bij new wave bands uit dezelfde tijd als Gang Of Four en A Certain Ratio wel terug te horen was, en dat maakte ze uniek.


Rip Rig + Panic was een even geniaal als onberekenbaar gezelschap. De kern werd gevormd door de twee Pop Groupleden, drummer Bruce Smith en gitarist Gareth Sager samen met pianist Mark Springer. De 16-jarige Neneh Cherry zou zich snel bij hen voegen nadat ze al wat ervaring had opgedaan bij The Slits.


Cherry had een beroemde jazzmuzikant als stiefvader, trompettist Don Cherry die op het tweede Rip Rig + Panic album I Am Cold uit 1982 een prominente rol zou vervullen.


Neneh Cherry ging op die plaat ook iets meer 'gewone' liedjes zingen, terwijl de lijn naar iets toegankelijkere jazz-funk op het derde album Attitude verder werd doorgetrokken, maar hits heeft de band die in 1983 ophield nooit gehad.


Daarvoor ontspoorde zelfs de soms in aanzet conventionele liedjes te veel in chaos. Maar de muziek blijkt meer dan dertig jaar later toch veel oorspronkelijker, avontuurlijker en vooral geestiger dan die in herinnering is blijven hangen. Wat een vrijheid, en wat heerlijk om drie platen lang getuige te zijn van een band die naar van alles op zoek lijkt, zonder het echt te vinden.


In de over drie cd-boekjes uitgespreide interviews met de bandleden (bassist Sean Oliver overleed in 1990) staat dat de kiem voor Rip Rig + Panic al in 1979 gelegd werd toen Sager en Smith met de Pop Group in Nederland waren en in Den Haag op het North Sea Jazz Festival het Sun Ra Arkestra zagen spelen. Zulke gekte, zo'n compleet nieuw universum bouwen met muziek die niet van deze wereld leek, dat vonden ze ook wel wat.


In Springer en Cherry vonden ze de juiste medestanders. De drie albums zijn nu met alle single- en EP-kantjes aangevuld. Alleen de John Peel Sessie, van september 1981 met gastrol voor zangeres Nico, die haar stamkroeg met de band deelde, ontbreekt (wel te vinden op iTunes en Spotify). Prettig gestoord, nog altijd en nog minstens zo relevant.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden