Opgesloten in het spookhuis

Bob had geen idee waaraan hij begon: een relatie met een vrouw met een bipolaire stoornis. Saskia heeft geen dipjes, maar kan dagen, weken, soms maanden opgesloten raken in haar hoofd vol inktzwarte gedachten....

Hij

‘Er liep iemand door de kantine en ik dacht: verrek, met haar zat ik vroeger in de klas. We aten een broodje en haalden herinneringen op aan de middelbare school. ‘Hoe is het toch met die leuke Saskia van Essen?’, vroeg ik. ‘Die woont in Ede’, wist ze. ‘Hé, ik ook’, zei ik. Ze is gescheiden, vertelde ze. ‘Hé, ik ook’, riep ik. ‘Ze heeft een zoon’, zei ze. ‘Ik ook. Ik ga met haar trouwen!’, grapte ik. ‘Tuurlijk joh’, zei ze. ‘Met de trein kwam ik bijna dagelijks langs de flat van Saskia. Toen het eindelijk tot een afspraak kwam, hadden we een geweldige dag. We wandelden over de hei, we dronken een beaujolais primeur en ze vertelde dat ze op de middelbare school stiekem verliefd was op mij. Ik genoot, dat klinkt nu misschien vreemd, maar ik genoot van de rust en het evenwicht dat ze uitstraalde. Ze is heel wijs en beheerst. Als je haar hoort zingen met haar Billie Holiday-achtige stem, hoor je een vrouw die het leven kent met alle mooie en lelijke kanten. Ik zag dat ze kwetsbaar was, maar tegelijk is zij ook heel sterk.’

‘Al op die eerste dag zei ze: ‘Ik moet je iets vertellen. Ik heb een bipolaire stoornis.’ Eerlijk gezegd had ik geen idee. De term manischdepressief zei me iets meer, maar ik heb het enorm onderschat. Ik zei: ‘Ach, als je depressief bent, kom je lekker bij de kachel zitten met een dekentje over je benen en dan maak ik wel een kopje soep voor je.’ Achteraf, als ik me haar gezicht voor de geest haal, moet ze gedacht hebben: hij weet niet waar hij het over heeft.’

Zij

‘Als klein kind wist ik al dat er iets mis met me was. Ik hoorde geluiden in de slaapkamer waarvan ik erg bang werd. Hoongelach in alle hoeken van de kamer. En een kwaadaardige stem in mijn linkeroor. Nu nog leg ik, wanneer ik in bed lig, de punt van de deken soms over dat oor. Het is een kwetsbare plek. Mijn ouders konden mij niet helpen. Ik ben ’s nachts wel eens in paniek naar hun slaapkamer gegaan, maar ze wisten niet wat ze moesten doen of zeggen. Ze waren er bang voor. Toen ik depressief werd, zeiden ze alleen maar: ‘Zit eens rechtop. Doe eens vrolijk en leuk als de andere kinderen.’ Maar dat kon ik niet meer. Ik slik al jaren braaf mijn medicijnen, zoals lithium. Dat haalt de scherpe kantjes van de ziekte af. Echt manisch en psychotisch word ik niet meer, toch kan ik erg depressief zijn. Soms duurt het een paar uur, maar het kan ook twee maanden duren. ‘Daarom wilde ik eerst niet samenwonen. Bob wist gewoon niet waaraan hij begon. Hij had al wel een glimp van mijn depressieve kant opgevangen en wilde voor me zorgen als ik kwetsbaar was. Dat heeft hij onderschat. Als hij ’s avonds moe terugkwam van zijn werk en er niets te eten was en het huis een grote puinhoop, dan vond hij dat niet leuk. Later heb ik gelezen dat het altijd tot grote problemen in een huwelijk leidt als een van de twee manisch-depressief is.’

Hij: ‘Ik zei tegen Saskia: ‘Je denkt toch niet dat ik je in huis haal om het huishouden te doen of dat soort onbenulligheden?’ Maar toen we eenmaal samenwoonden en ik na een lange werkdag twee verkoolde biefstukken in de pan vond of de lege pizzadozen van de bank moest plukken en struikelde over de lege colaflessen, werd ik kwaad en lomp. Dan schreeuwde ik bijvoorbeeld: ‘Ik zou ook weleens lekker depressief willen zijn, en een dagje in willen bed liggen.’’

Zij

Saskia van Essen (49), is een voormalig jazz-zangeres. Hij, Bob de Ruiter (51), werkt als tekstschrijver voor KPN. Zij praat bedachtzaam, hij begint al aan een antwoord voordat de vraag is gesteld. Haar ziekte, manische-depressiviteit, werkt als een splijtzwam op relaties. Toch zijn ze al tien jaar bij elkaar. De voordeurbel van hun rijtjeshuis in Ede zit vast. De gordijntjes van de overburen bewegen. Saskia doet open, in een groene fleecetruien op sloffen. Achter haar in de keuken staan stapels vaatwerk. Ze vult een potkacheltje met kolen, stuurt de poes weg die om aandacht bedelt en serveert earlgreythee in ragfijne porseleinen kopjes. Zij nipt van haar thee, hij hapt in zijn alcoholvrije biertje.

Hij

‘Soms is het eenzaam. Aan de buitenkant kan ik niet aan haar zien of ze zich slecht voelt. Terwijl ze soms in een spookhuis zit, brrr, dat wil je niet weten. Dan vraag ik wel tien keer hoe het met haar is en dan vertelt ze uiteindelijk dat ze liever dood is, dat sowieso iedereen beter af is als zij dood is. Dan is ze erg somber. Als ze in een zware depressie zit, beweegt ze traag en onhandig alsof ze een ruimtepak aan heeft, ze laat de kopjes uit haar handen kletteren. Aan haar oogopslag zie ik dat zich in haar hoofd heel sombere scenario’s afspelen. In zo’n sombere periode ontstaat een kloof die we op dat moment niet kunnen overbruggen. Dan ben ik haar een tijdje kwijt.’

Zij: ‘Als ik niet meer om Bobs grapjes kan lachen, weet ik dat een depressie op komst is. Ik verstrak en raak opgesloten in mijn hoofd; een vreemd universum waar ik niet wil zijn. Eenzaam en vervreemdend. Als ik dan naar Bob kijk, denk ik: wie is hij eigenlijk? Laat-ie zijn kop toch houden. Al die goede raad: dat ik niet zo somber moet zijn en niet zo passief. Dat werkt alleen maar averechts. Hij moet me met rust laten. Ik wil me terugtrekken in mijn hol, als een ziek dier.’

Hij: ‘Veel echtparen delen alles. Wij niet. Veel mannen zouden overdag misschien thuisblijven wanneer hun vrouw depressief is. Ik niet. Als ik daar eenmaal aan begin, kom ik nooit meer weg. Tenminste dat is mijn angst. En als zij ’s avonds depressief op bed ligt, ga ik naar die mooie film kijken op tv. Best hard, eigenlijk.’

Zij: ‘Ik heb dat nooit als hard ervaren. Ik vind je juist zorgzaam en loyaal. En dat je me niet behandelt als een patiënt, vind ik alleen maar prettig. Ik heb ook wel mannen gehad die het wel prettig vonden dat ik soms te depressief en angstig was om naar buiten te gaan. Zo’n vrouw kun je niet kwijtraken. Bob stimuleert mij juist uit mezelf te halen wat erin zit. En Bob hoeft niet de hele dag op mij te letten. Ik zou er stapelgek van worden. En ik zou me nog schuldiger voelen als ik wist dat je je door mij voortdurend ellendig zou voelen.’

Hij: ‘En als ik mijn zorgen met haar wil delen, moet ik eerst zeker weten dat ze zich goed voelt. Anders krijg ik mijn zorgen honderd keer zwaarder terug. Een paar jaar geleden bleek mijn levensverzekering te zijn opgedoekt omdat ik een administratief foutje had gemaakt. Dat is natuurlijk vervelend, want als ik dan onder de tram loop, moet Saskia niet alleen de begrafenis regelen maar ook het huis uit. Toen ik dat aan Saskia vertelde, zag ik paniek in haar ogen. Terwijl ik dan juist iemand nodig heb die roept: ‘Ach joh, zo’n vaart zal het toch niet lopen.’ Dus als ik in de puree zit, vertel ik het meestal pas als het weer goed is afgelopen.’ Zij: ‘Als je manisch-depressief bent, heb je een stoïcijnse figuur als partner nodig. Een rustig iemand die niet gauw van slag raakt.’

Hij: ‘Dat is dus drie keer níét Bob.’

Zij: ‘Bob is impulsief, opvliegend en gauw van slag. Hij kan opeens voorstellen de keukenkastjes weg te breken terwijl er nog geen nieuwe zijn. Of hij vertelt ’s ochtends dat er ’s avonds zes logees uit Frankrijk komen. Maar ja, dat maakt hem wel de gastvrije en geestige man die hij is en van wie ik houd. Tegenwoordig beseft hij beter dat ik moeite heb met veranderingen. Toen we dit huis kochten, raakte ik in paniek. We hadden zo’n aardige buurman in de flat, die wilde ik niet kwijt. En mijn loopje naar het centrum was me zo vertrouwd. We kregen de ene ruzie na de andere. ‘Klootzak’, riep ik, ‘jij wilt ook altijd je zin doordrijven.’’

Hij: ‘Op zulke momenten word ik in een leidersrol gedwongen die niet bij mij past. Ik heb haar op vakantie gestuurd en alles alleen gedaan. Want ik wist zeker dat dit huis een goede koop was, ook voor haar. We woonden te klein, we wilden graag een tuin; dit was perfect.’

Zij: ‘Achteraf voelde ik me schuldig. Dat ik niet met de verhuizing heb geholpen. Ik voel me vaker schuldig. Dat ik een blok aan zijn been ben. Dat ik niet kan werken. Dat ik afhankelijk van hem ben. Dat ik vaak niet mee kan naar feestjes. Dat is voor Bob ook niet gezellig. Als ik me slecht voel, acht ik mezelf niet goed genoeg voor hem, niet goed genoeg voor wie dan ook.’

Hij

‘Maar er zijn ook fijne perioden, waarin Saskia extra licht door het leven gaat. Dan weet ze mij perfect door moeilijke tijden te loodsen. Dan worden er allerlei klussen gedaan en kastjes opgeruimd en stapt ze kwiek door het leven. Toen we in Frankrijk uit eten gingen, liep ze op de serveerster af en voor ik het wist, stond ze in het restaurant een prachtig lied te zingen. Maar echt manisch is Saskia voor het laatst geweest door verkeerde medicijnen. Toen leek ze net een racewagen zonder stuur en zonder remmen.’

Zij: ‘Ik word roekeloos als ik manisch ben. Ik flap alles eruit. Ik maak vriendschappen kapot. En ik koop alles wat ik mooi vind. Toen de moeder van Bob 83 werd, wilde ik een mooie broche kopen, terwijl ik al veel geld had uitgegeven en we rood stonden. Bob zei dat we die broche niet konden betalen. ‘Hoezo hebben we daar geen geld voor?’, vroeg ik. ‘Gun je je oude moeder geen cadeau?’ Ik vond hem op dat moment een vervelende oude zeur. Ik ben nu nooit meer manisch. Wel hypomaan, dat zijn die lichte periodes waar Bob het over heeft.’

Hij

‘We kunnen grote en kleine rampen meemaken en laaiende ruzie krijgen, maar als het achter de rug is voel ik me nog meer samen dan daarvoor. De lotsverbondenheid neemt alleen maar toe. Misschien omdat ik telkens de oorspronkelijke, engelachtige Saskia zie terugkeren. De beschouwende en wijze Saskia, van wie ik zoveel hou. En die een enorme kracht heeft. Als ons huis in de fik zou vliegen, sta ik binnen een minuut bibberend op straat terwijl zij doodkalm nog de belangrijke papieren uit de vuurzee redt. ‘Toen ik een tijd geleden merkte dat ze tegen onze afspraken in toch alcohol had gedronken, ging ik helemaal door het lint. Want de alcohol heeft haar bijna een keer het leven gekost. Ik sloeg zo een glas kapot op de tafelrand, alles onder het glas. ‘Oké’, schreeuwde ik, ‘dan stoppen we ermee. Ik kan het blijkbaar niet.’ Op dat moment bleef jij rustig. We hebben het de volgende dag uitgepraat. Ik vind het bijzonder dat we na zoiets heftigs met een schone lei kunnen beginnen.’

Zij: ‘Ik begreep je woede. Je hebt zulke afschuwelijke herinneringen aan de periode dat ik dronk.’

Hij: ‘Saskia en alcohol is een gevaarlijke combinatie. Een paar jaar geleden vluchtte ze in de alcohol na een enorme ruzie met haar psycholoog omdat ze niet goed zou meewerken aan de therapie. Hij was woest op haar. En ik ook. Ze wilde niet naar ons luisteren, dachten wij.’

Zij: ‘Ik luisterde wel en ik was helemaal stuk van die ruzie. Maar ik was verdoofd. Ik had ’s ochtends 50 milligram oxazepam (slaapmiddel) genomen om mijn zenuwen de baas te blijven. En ’s avonds weer. En toen werd alles zwart.’

Hij: ‘Ze is toen naar de slijter gefietst om twee flessen Pisang Ambon te kopen. En ik was ondertussen naar de sauna gegaan om bij te komen van die ruzie, me eens lekker te ontspannen. Terwijl Saskia halfdood in bed lag. De ambulance kwam maar net op tijd, ik was haar bijna kwijt. Pas de volgende dag werd ze in het ziekenhuis wakker op de intensive care: 20 december 2005. Dat was de gelukkigste dag in mijn leven. Ik had de film van haar dood al afgespeeld in mijn hoofd: de gang naar het mortuarium, de telefoontjes met familie en midden in het gesprek met de begrafenisondernemer opende ze haar ogen en glimlachte. Hemels. Ik zweefde naar het plafond van geluk.’ Saskia heeft een dagtaak aan haar ziekte. Ze gaat wekelijks naar de lithiumpoli en naar de verslavingsdeskundige en ze ontvangt een psychiatrisch verpleegkundige thuis die in korte gesprekjes een vinger aan de pols houdt. Als ze zich goed voelt, maakt ze een wandeling. Of ze probeert wat te schrijven. Ze hebben haar ziekte geaccepteerd. Na veel omzwervingen in de geestelijke gezondheidszorg, dat wel.

Hij

‘We hebben een tijdje gedacht dat er genezing mogelijk was. Toen kwamen we zo’n kermisklant tegen die riep dat lithium zulke troep was. Nou, dat heeft Saskia een depressie van de zuiverste soort opgeleverd. Daarna heeft ze een tijdje een holistische psychiater gehad die de verkeerde medicijnen voorschreef en een onbetaalbaar uurtarief in rekening bracht. We vonden dat haar eigen psychiater te weinig tijd voor haar had. Maar daar zijn we nu terug. ‘Er is geen genezing. Met medicatie en een beetje praten kun je er de scherpe kantjes vanaf halen, meer niet. Dat is moeilijk te accepteren. Voor ons, maar ook voor de buitenwereld. Sommige mensen blijven maar met goedbedoelde raadgevingen komen. Daarvan krijg ik het benauwd van. Dat kost je vriendschappen.’

Zij

‘Ik ben veel vriendinnen kwijtgeraakt. Ze zijn teleurgesteld dat ik telkens terugval. Of ik heb ze beledigd in een manische periode en ze aanvaarden geen excuses. Gelukkig heb ik Bob. We houden van dezelfde dingen. We kunnen samen lachen om de Marx Brothers; simpele dingen. Wij hoeven geen kicks zoals vakanties naar wereldsteden als Rio de Janeiro of bijzondere oorden als IJsland. Wij gaan elk jaar naar hetzelfde plekje op vakantie in Bretagne.’

Hij: ‘Elk jaar ligt de zee er hetzelfde bij. En elk jaar vinden we het weer even mooi. We hebben wel eens vrienden naar die plek gestuurd. Maar die vragen nadat de koffers zijn uitgepakt: wat gaan we doen? Nou, er is daar he-le-maal niets te doen. Wij kunnen eindeloos naar de sterren staren of naar de vlammetjes in het vuur of naar de zee. Hoe saaier ons leven is, des te beter. Dat is onze levensles.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden