Opgeslokt door de grote Chinese familie

De communistische partijleiding vreest voor de eenheid van de Chinese natie, na de etnische onlusten in Tibet en Xinjiang....

Door Hans Moleman

Er is iets raars aan de hand met het splinternieuwe Museum van Binnen-Mongolië. Het immense gebouw van staal, glas en beton in de provinciale hoofdstad Hohhot is uitgedost met wat op het eerste gezicht lijkt op een prachtig glooiend milieubewust grasdak.

Maar het gras is zo onwerkelijk groen dat je vanzelf achterdochtig wordt. Geen sproeier te zien. Hoe flikken ze dat, de mannen van de plantsoenendienst van Hohhot, in het droge Mongolische klimaat?

Het gras is nep, leert nadere inspectie. Plastic.

Namaak – je ziet het vaak in Binnen-Mongolië, de uitgestrekte steppeprovincie in het noordwesten van China. Dit onherbergzame gebied, waar ooit de wieg stond van de wrede veldheer Djengis Khan, waar eeuwenlang een trotse nomadencultuur bestond, is tegenwoordig een braaf onderdeel van het Chinese rijk.

Van de Mongoolse cultuur is weinig meer over, al lijkt dat voor de argeloze bezoeker misschien anders. Die ziet bij binnenkomst in Hohhot een gloednieuw treinstation met een koepeldak à la de yurt, de traditionele Mongolische woontent. Tal van gevels van flats en winkels zijn voorzien van een folkloristisch motiefje. Het is nep: achter de sier gaat een zeer Chinese miljoenenmetropool schuil.

Dat geldt onderhand voor heel Binnen-Mongolië. Hier heerst China. Het barre buitengewest met zijn golvende graslanden, rauwe bergketens en uitlopers van de Gobiwoestijn is nadat de Communistische Partij in 1949 aan de macht kwam stelselmatig bij de ‘grote Chinese familie’ ingelijfd.

Anno 2009 vormen de oorspronkelijke Mongoliërs nog maar eenvijfde van de 25 miljoen inwoners. De Han-Chinezen domineren ook de economie. Praktisch alle – honderden – mijnen in Binnen-Mongolië zijn bezit van staatsfirma’s, de twee grote melkbedrijven zijn Chinees eigendom, de kostbare kasjmierwol van de lokale geitenkuddes gaat naar Chinese fabrieken.

Figuranten in hun geboorteland, zo kun je de oorspronkelijke bewoners noemen. Handig voor toeristische bijrollen. Je ziet sommigen in folkloristische uitdossing optreden voor groepen Chinese dagjesmensen, in de vakantieoorden die Chinese firma’s hebben gebouwd op de mooiste locaties op de uitgestrekte steppe.

Paardrijden, dansen en zingen: illusies van een rauw steppevolk. De graslanden bij Hohhot liggen – per strakke snelweg – slechts 500 kilometer van Peking, ideaal voor een weekenduitstapje.

Hohhot is, dankzij de minerale rijkdom van de regio, de laatste jaren een van de snelst groeiende steden van China geworden. Staatsverwante projectontwikkelaars bouwen er nieuwe luxeappartementen en villawijken met namen als Tahiti. In Baotou en Erdos, de tweede en derde stad van de provincie, is het beeld hetzelfde. De nieuwe rijke in zijn Porsche Cayenne is aan een onstuitbare opmars bezig, terwijl om de hoek nog hele volksstammen in vervallen huisjes en grauwe Oostblokflats wonen.

Hoe bevalt het Binnen-Mongoliërs in de Chinese familie? Baatar en zijn vrouw Sha zijn schoolvoorbeelden van de sinificatie. Ze zijn van oorsprong Mongoolse herders, maar spreken naast de Mongoolse taal behoorlijk Chinees.

Het echtpaar woont in een stenen huisje midden op de lege steppe, een paar kilometer buiten Wulate. Dit stadje is de hoofdzetel van een afgelegen district, vijf uur rijden van Hohhot naar het westen, richting de Gobiwoestijn.

Sha ontvangt het onaangekondigde bezoek met Mongoolse gastvrijheid: nadat ze een jong geitje de rokerige woonkamer uit heeft gejaagd biedt ze sappige watermeloen aan van eigen akker. Die ligt voor het huis, bij een bijna drooggevallen vijver.

Ze is nog geboren in een yurt, vertelt ze. ‘Toen ik jong was woonde bijna iedereen in het district in tenten. Heel Wulate bestond uit yurts, met modderige paden ertussen.’ Nu is het een modern stadje, vol Chinese betonbouw en glimmend asfalt.

Rouwig is ze niet dat die tijd voorbij is. ‘Een stenen huis is comfortabeler’, verklaart ze, een nieuwe sigaret opstekend.

Sha leerde jong paard rijden, zoals dat vroeger ging op de steppe. Dat is ook voorbij: haar twee zoons, die allebei met Chinese vrouwen zijn getrouwd, rijden auto. De een is boekhouder in de grote stad, de ander vrachtwagenchauffeur bij het staatsoliebedrijf. Zelf rijdt ze al jaren op een motorfietsje, net als haar man. ‘Paarden vergen te veel onderhoud’, zegt Baatar.

Ze komen uit herdersfamilies, zoals iedereen van hun generatie. De kudde is er nog: zeshonderd schapen en geiten grazen ergens verderop op het zacht glooiende, wat vaal ogende grasland.

Maar Sha en Baatar worden een dagje ouder. Het herderswerk wordt nu gedaan door een knecht, een jongen uit het arme binnenland van centraal China. Op de akker werkt nog een Chinese knecht, vertelt Baatar. Zijn zoons zullen de kudde niet meer overnemen, die blijven liever in de stad. De knecht dan misschien?

Ze weten het nog niet. Er komen wel steeds meer Chinese herders op de Mongolische graslanden, zegt Sha. We hebben niks te klagen, zegt Baatar. Ons leven is al met al beter geworden. Zijn vrouw knikt.

Misschien dat ze straks wel bij hun zoon intrekken, in zijn ruime huis in Wulate. Want de waterput begint droog te vallen. Dat komt doordat de gemeente vlak bij hun huisje een pompstation heeft gebouwd om het stadje beter van water te kunnen voorzien.

We hadden gevraagd of er dan een waterleiding naar ons huisje kon worden gelegd, zegt Sha. En tegelijk ook elektriciteit. ‘Dat kon – als wij het betaalden.’ Berustend: ‘Als je hier als enkeling protesteert, luistert niemand naar je.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden