Opgepast! Opperlans!

ONDER HET WOORD 'taalslang' staat een tekst waarvan ik de eerste twee alinea's citeer: 'Saskia Müller en Justus van Oel zagen een foto van een gestolen dak....

'Taalslang en woordmot bestaan sinds 1815 toen de naam Waterloo wereldbekend werd. Velen merkten op dat water hetzelfde is als l'eau. Bovendien betekent in het Frans watèr ook nog wc, die in het Engels loo heet. Waterloo is dus behalve een Nederlandse-Franse ook een Frans-Engelse taalslang.'

Dit is allemaal waar, mits men een systeem en achter dat systeem liggende regels aanneemt. De waarheid wordt bevestigd door de zekerheid van de toon, wetenschappelijke zekerheid, de omschrijving heeft de kracht van een definitie. Wie aan 1815 twijfelt, heeft het systeem niet door. Een laatste bewijs van de waarheid is het uiterst fraaie en beknopte proza, waarin de twee alinea's zijn geschreven. Wie fantaseert heeft veel meer woorden nodig. Het allerlaatste bewijs van de waarheid is uiteraard de logica in het stuk.

Als ik de twee alinea's voorlees om een ander een plezier te doen, maak ik een einde aan de pret. Iedereen weet dat loo voor wc in het Engels wordt uitgesproken als 'loe'. Ze zeggen in Engeland ook 'wotterloe' (loo voor wc komt hiervandaan: vlak bij Waterloo-Station stond eens een bekende fabriek van wc's; de overwinning van Wellington was dus ook een zege voor de Engelse sanitaire voorzieningen). Men moet de twee alinea's dus lezen, maar niet traditioneel lezen. Men moet louter kijkend lezen, kijkend naar de vorm van de woorden. Wie zo uiterst formeel leest, kan bijvoorbeeld de betekenisgelijkheid in twee talen van voor- en achterdeel van een woord ontdekken.

Het verschijnsel wordt 'taalslang' genoemd, alsof het woord, als bijvoorbeeld, 'naamval', altijd heeft bestaan. De term maakt zelf deel uit van het ontdekkingsproces. Dat is het bijzonder leuke eraan. Een taal, het Nederlands, wordt op visueel formele kenmerken onderzocht, benoemd en geordend. De zo bekeken taal levert schitterende reeksen toevalligheden op - 'reeksen toevalligheden' is uiteraard paradoxaal, maar daar gaat het om - die een systeem suggereren.

De taal waarop het onderzoek is gericht, is het Nederlands; de bestudering van de ongewone kenmerken ervan levert een boven- of onderlaag van het Nederlands op: het Opperlands. De hoofdbeoefenaar van die taalkunde is Battus. Hij publiceerde in 1981 Opperlandse taal- & letterkunde. Het boek telt 203 pagina's. Nu is het definitieve boek over het Opperlands verschenen. De naam van de taal is inmiddels zijn 'd' kwijt; W.F. Hermans schreef 'Opperlans', want de 'd' spreken we niet uit. De nieuwe editie heet Opperlans!, Taal- en letterkunde. We zijn nu gedwongen 'Nederlans' te schrijven. En dat is typerend voor een boek waarin oorzaak en gevolg bijna steeds worden omgekeerd. De nieuwe editie telt 676 pagina's en dat is allerminst willekeurig: 676 is het kwadraat van 26. Het alfabet telt 26 letters. Dat getal is aanwijsbaar in veel mogelijkheden van de taal, zoals in een kleine kabbalistiek wordt uiteengezet.

Het Opperlans gehoorzaamt dus aan zesentwintig letters, die vormen het taalsysteem en de afzonderlijke taalverschijnselen. De consequentie is dat het boek 676 bladzijden moet tellen en dat op elke pagina 676 woorden staan. De uiterste consequentie is dat het boek niet meer uitbreidbaar is, want dan klopt het 26-systeem niet meer. De Opperlanse taal- en letterkunde staat definitief vast. (De pagina's zijn niet genummerd, maar natuurlijk geletterd, van 'aa' tot 'zz'.)

Wie dit boek achter elkaar uit leest, zal weken nodig hebben om het Opperlans weer te ontwennen en dus weer gewoon Nederlands te lezen. Hij heeft geleerd andere vragen aan een woord en een zin te stellen. Ik ken geen boek waar je zo in alle opzichten op je tellen moet passen. Dat is ook hiervan het gevolg. De teksten erin zijn vaak zelf geschreven in het Opperlans. Geen theorie en dan de praktijk. De tekst zelf is de leer. Dat levert uiterst fascinerend proza op. De twee geciteerde alinea's kunnen het bewijzen. Maar wie die twee aandachtig heeft gelezen, blijft toch ook achterdochtig achter. Heeft hij niets gemist. Delen ook de namen Saskia Müller en Justus van Oel in het beschreven verschijnsel? Ik kan het niet ontdekken. Ik heb in geen tijden zo boven een boek moeten nadenken. Ik zeg met opzet 'boven', want je moet de gedrukte letters voor je hebben.

De onzekerheid en achterdocht worden ook hierdoor vergroot. Wat schitterende en vooral toepasselijke fantasie is in een tekst, is weer niet zo fantastisch dat het niet waar kan zijn. De buitenwereld past zich bij het Opperlans aan, - daar heb je omkering weer. Een voorbeeld, op bladzijde nw. Een beschouwing, onder de titel 'Opwaarts begint, neerwaarts wint' begint zo: 'De Engelse muziekwereld is opgeschrokken door een vreemd bericht. Een muziekfanaat heeft de moeite genomen om de beginnen van alle symfonieën popsongs, volksliederen, opera's systematisch - op nootvolgorde - te ordenen. Als je een wijsje kent, kun je in zijn lijst opzoeken waar het vandaan komt.'

Maar als er morgen in een Engelse krant een bericht verschijnt dat een Nederlandse taalkundige woorden heeft geordend naar hun eerste twee letters - de alfabetische volgorde maakt de 'hoogte' van de letter uit - 'opwaarts' heeft de lagere letter als eerste, 'neerwaarts' de hogere letter als eerste - en ontdekt dat de meeste Nederlandse zinnen met een opwaarts woord beginnen, de verhouding is 55-45, - als de Engelsen dat morgen kunnen lezen, wat denken ze dan? Door elke fantasie - en er staan schitterende in het boek, met als hoogtepunten de twee pagina's grote beschouwing over de schrijver Barry Julisch en het onovertroffen 'Hua Yüan Tse leest De Volkskrant' of hoe een analfabetische Chinees zichzelf Nederlands leert lezen - schijnt de waarheid, een filosofische, een taalkundige, een literaire.

Het begon allemaal met de langste woorden - het ieder vertrouwde hottentottententententoonstelling - met palindromen - woorden of zinnen die je van voor naar achteren en omgekeerd kunt lezen - met teksten met ingebouwde barrières - gebruik een bepaalde letter niet - met anagrammen: de letters van een woord laten zich schudden tot een nieuw woord. Battus heeft de spelen in aantal bijna eindeloos uitgebreid, hij bedacht nieuwe ordeningen en systemen, vaak gevolgd door lange lijsten voorbeelden.

Een karakteristieke nieuwe ontdekking staat op pagina sl en gaat over de 'loopletter'. Het stuk heeft het voor het boek typische verloop van eenvoudig naar ingewikkeld, want de mogelijkheden blijken altijd groter. Dit is het eenvoudige begin, de leer waaruit we enkele levensgewoonten van de letter kunnen gaan aflezen: 'Een loopletter is een letter van een woord, die in dat woord aan het lopen slaat en dan weer een nieuw woord oplevert. Om maar direct met een voorbeeld van s als loopletter te beginnen: sneu is een woord, en als we de s helemaal naar achteren laten lopen, dan krijgen we neus.'

Boven een hoofdstuk van het boek staan als motto de twee woorden 'Ave Eva'. Ze zijn elkaars anagram. In mijn bespreking van Opperlandse taal- & letterkunde heb ik dat woordpaar ter sprake gebracht. Na eenentwintig jaar mag ik me misschien herhalen. In een middeleeuwse Latijnse hymne wordt met die woorden niet gespeeld, maar theologie bedreven. Eva wordt Ave, Eva wordt dus Maria, het Oude het Nieuwe Testament. De woorden of de letters hadden een hogere betekenis, zoals dat voor getallen ook gold.

Elk door Battus ontdekt, beredeneerd en binnen een systeem geordend verschijnsel heeft geen enkele betekenis. Het bedrijven van de Opperlanse taalkunde is een spel en een sport - waardenvrij, niets betekenend - maar dan wel een sport van de allerhoogste soort: ter plaatse worden de allermooiste en boeiendste regels ontdekt en beschreven in het mooiste Nederlandse proza. Voor Battus op pagina aa is het boek geen lees- en ook geen leerboek. Toch kun je er uren, dagen, jaren in lezen, en er heel veel uit leren: het hoogst bereikbare, nutteloosheden. Het lijkt wel literatuur. Dat is het ook.

Er moet tot voor kort aan het boek zijn gewerkt. Op pagina kz staan eenendertig klassieke Nederlandse zinnen, van 'Och, och, nou, nou, gut, gut, kom, kom', aan Buziau toegeschreven, tot Van Oldenbarnevelds laatste woorden aan zijn beul: 'Maak het kort, maak het kort.' Ongeveer in het midden staat de jongste: 'Dat was een beetje dom van hem!' Erachter staat: 'Laatste koningin van Nederland over haar verloofde'.

Natuurlijk staat er in het boek ook een zeer uitgebreide theorie van het Opperlans. De eerste druk opende ermee. De theorie staat nu grotendeels op de pagina's ja tot jf. Daar moet men niet beginnen. Het eerste stuk dient het verhaal over de Chinees te zijn. De lezer van dit boek is de soortgenoot van die allerslimste lezer, ontcijferaar, ordenaar en ontdekker van systemen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden