Opgehemelden uitgespuugd

De actrice Ingrid Bergman (1915-1982) dankte veel aan haar gezicht, maar het bracht haar ook in de problemen...

Langzaam, tergend langzaam wordt het verband van haar hoofd gehaald. Wanneer eindelijk de laatste wikkel is verwijderd, blijft haar gezicht nog even verborgen achter een een spiegel. De spanning stijgt: zal de jonge, mismaakte vrouw dankzij plastische chirurgie een mooi uiterlijk hebben gekregen?

De kijker weet het antwoord natuurlijk al. De jonge vrouw in het melodramatische A Woman’s Face (Gustaf Molander, 1938) wordt gespeeld door Ingrid Bergman. En Ingrid Bergman had, zoals bekend, een van de mooiste gezichten uit de filmgeschiedenis. Het was haar troefkaart, het ticket waarmee ze, niet lang na de opnamen van A Woman’s Face, vanuit Zweden de oversteek naar Hollywood maakte.

Ingrid Bergman (1915-1982) schitterde in klassiekers als Gaslight (George Cukor, 1944), Notorious (Alfred Hitchcock, 1946) en natuurlijk Casablanca (Michael Curtiz, 1942). Ze kreeg in totaal drie Oscars – alleen Katharine Hepburn kreeg er meer. Ze was een grote Hollywoodster, maar ze werkte ook volop in Europa: in de films van haar tweede echtgenoot Roberto Rossellini, aan het toneel in Parijs en Londen, en uiteindelijk ook weer in haar geboorteland Zweden.

Bergman staat centraal in het grote zomerprogramma van het Eye Film Instituut (voorheen het Filmmuseum), waarin ieder jaar een andere filmster aan bod komt. De 28 titels uit het programma – ongeveer de helft van haar totale filmografie – bieden een mooi overzicht van haar carrière, waarbij vooral de beginjaren in Zweden goed vertegenwoordigd zijn. Ze laten zien dat Bergman van begin af aan alle aandacht in een film naar zich toe wist te trekken. Met haar acteertalent, maar vooral met haar gezicht.

Het was een fris, puur en wonderbaarlijk knap gezicht. Een gezicht dat, vertelden filmtechnici, vanuit alle hoeken even mooi was en geen opsmuk nodig had. Het was ook een gezicht waarop de tijd geen vat leek te krijgen – prachtig op elke leeftijd en in elke heersende mode. Bergman dankte veel aan haar gezicht, maar het bracht haar ook in de problemen.

Dat begon eigenlijk al met A Woman’s Face. De 23-jarige Bergman speelt daarin een vrouw met een door een brandwond verminkt gezicht. Haar handicap heeft haar bitter en wreed gemaakt – ze is een crimineel die voor weinig terugdeinst. Nadat ze door een handige plastisch chirurg weer mooi is gemaakt, zal ook haar innerlijk moeten veranderen. De film toont niet alleen een uiterlijke, maar ook een morele metamorfose.

Een mooi gezicht is de afspiegeling van een rein geweten. Dat is ongeveer de boodschap van A Woman’s Face, en het is precies die misvatting die Ingrid Bergman achtervolgde toen ze naar Amerika kwam. Daar werd ze, met dank aan haar eigen nuchtere instelling, in de markt gezet als een zuivere schoonheid: een Hollywoodactrice aan wie – nieuw voor die tijd – nauwelijks gesleuteld was. Ze mocht haar eigen naam houden, haar eigen opvallende wenkbrauwen, en haar eigen, niet perfecte gebit.

Bergman was geen diva, maar leek warm en benaderbaar. Haar acteerstijl was opvallend naturel en ontdaan van maniertjes, en ook haar rollen weerspiegelden dat imago. Een koele blondine speelde ze zelden; eerder was ze kwetsbaar, zoals in Gaslight, waarin ze als pasgetrouwde vrouw langzaam maar zeker tot waanzin wordt gebracht door haar echtgenoot. Of hartstochtelijk en edelmoedig, zoals in Casablanca en Intermezzo (Gregory Ratoff, 1939), de Amerikaanse remake van het Zweedse romantische drama dat haar internationale doorbraak betekende.

Op de set viel ze op door haar werklust en bescheidenheid. Eenmaal in Hollywood vond ze haar vaste kleedkamer zo mooi en ruim, dat ze niet begreep dat ze daarnaast ook nog een huis aangeboden kreeg. Ze werkte zonder klagen avonden en weekenden door, en als ze klaar was met filmen verlangde ze onmiddellijk naar een volgende klus. Stilzitten was niets voor haar.

De Amerikaanse pers was dol op Bergman, en door het publiek werd ze op handen gedragen. Toen ze ook nog een rol als non accepteerde in The Bells of St. Mary’s (Leo McCarey, 1945), was een heiligverklaring nabij. Tijdschriften plaatsten haar portret – soms als non – op de cover en staken de loftrompet over haar persoonlijkheid. In een interview met het New York Times Magazine in december 1945 werd uitgelegd dat Bergman niet anders kon dan goede karakters spelen: ‘Zo is ze nu eenmaal. Ze drinkt niet, rookt niet en gaat niet uit.’

Dat was niet helemaal waar. Bergman rookte, kon stevig drinken en was weinig thuis. Haar huwelijk met de Zweedse tandarts Petter Lindstrom, met wie ze een dochter had, was op de klippen gelopen. Tot een scheiding was het nog niet gekomen, maar Bergman had wel affaires, met oorlogsfotograaf Robert Capa en muzikant Larry Adler.

Zolang ze niet in de openbaarheid kwamen, waren die escapades geen probleem. Eind 1948 publiceerde de Saturday Evening Post nog een lyrisch portret van Bergman, waarin haar familieleven werd beschreven als ‘een toonbeeld van huwelijksgeluk’ en de actrice zelf ‘blakend als een padvindster.’

In 1949 barstte de bom. Bergman vertrok naar Italië om samen te werken met Roberto Rossellini, de regisseur van het meesterlijke Roma, città aperta. Tijdens de opnamen van Stromboli (1950) werd duidelijk dat de twee een verhouding hadden. De pers sprong erbovenop, zeker toen bleek dat Bergman zwanger was van Rossellini. Plotseling was Bergman geen heilige meer, maar een monster. Een verdorven vrouw die haar man had verraden en haar 10-jarige dochter Pia zonder pardon in de steek liet.

Het was een enorm schandaal. Hordes fotografen probeerden een glimp op te vangen van de nieuwe baby. Een Amerikaans Congreslid sprak schande van Bergman en ontzegde haar de toegang tot Amerika, en haar man Petter lag dwars bij de scheiding. Bergman, toch al geplaagd door schuldgevoel omdat ze door het vele werken haar dochter had verwaarloosd, zou Pia jarenlang niet meer kunnen zien.

De actrice werd uitgespuugd zoals ze eerder was opgehemeld. De films met Rossellini – ze maakte er na Stromboli nog vier – waren weinig succesvol, in Hollywood kwam ze voorlopig niet meer aan de bak, en in plaats van fanmail ontving ze talloze haatbrieven. Het was een professioneel en persoonlijk drama.

De heftige reactie op Bergmans huwelijksbedrog is deels te verklaren door de tijdgeest. In 1949 vierde de preutsheid hoogtij in Hollywood, en de naoorlogse angst voor communisten maakte Rossellini haast tot Amerikaans staatsvijand. Maar ook het uiterlijk van de actrice was een factor van belang. Dat achter het mooie gezicht van Bergman een feilbare vrouw schuilging, wilde er bij het publiek niet in. Haar gezicht, jarenlang het toonbeeld van deugdzaamheid, viel niet te verenigen met haar misstap.

Bergmans eigen ambities speelden ook een rol. Volgens Alfred Hitchcock, met wie ze naast Notorious ook Spellbound (1945) en Under Capricorn (1949) maakte, speelde de actrice het liefst heldinnen. Al op de toneelschool in Zweden was haar droomrol die van Jeanne d’Arc. In het interviewboek Hitchcock/Truffaut vertelde de regisseur dat hij dat onzin vond. ‘Ik zei tegen Bergman: ‘Speel eens een secretaresse. Dat zou wel eens een hele grote film kunnen worden, over een heel kleine secretaresse’. Maar nee! Zij moest de grootste vrouw uit de geschiedenis spelen, Jeanne d’Arc.’

Bergman speelde Jeanne d’Arc uiteindelijk in twee films – Victor Flemings Joan of Arc (1948) en Rossellini’s Giovanna d’Arco al rogo (1954) – en op het toneel. Toch is het niet de rol waardoor ze herinnerd wordt. Hitchcock had gelijk: haar grote films zijn die waarin ze gewone vrouwen speelde. Of, zoals in het geestige Indiscreet (Stanley Donen, 1958), een licht uitvergrote versie van zichzelf, de wispelturige actrice met de grote levenslust.

Met Indiscreet was Bergman helemaal terug in Hollywood, nadat ze twee jaar eerder al een Oscar had gekregen voor haar rol in Anastasia (Anatole Litvak, 1956). Het Italiaanse schandaal was haar uiteindelijk vergeven. Ze kreeg drie kinderen van Rossellini, onder wie de latere actrice Isabella, en scheidde van hem in 1957.

Bergman bleef acteren. Toen ze merkte dat filmrollen voor oudere vrouwen niet voor het oprapen lagen, koos ze vaker voor het toneel. Stoppen met werken kon ze niet, ook niet toen in 1974 bleek dat ze kanker had. Ze stierf aan de ziekte op haar 67ste verjaardag in 1982, en in de jaren daarvoor speelde ze nog een paar van haar mooiste rollen. In het televisiedrama A Woman Called Golda, en in Herfstsonate (1978) van haar land- en naamgenoot Ingmar Bergman.

Voor het eerst was te zien hoe haar gezicht, dat altijd zo onaantastbaar leek, was getekend door ziekte en door het leven. In het zeer persoonlijke Herfstsonate, over een concertpianiste die zich met haar vervreemde dochter probeert te verzoenen, maakt Bergmans gezicht een onuitwisbare indruk. Het is nog steeds mooi, maar het is geen blanco canvas meer, zoals het gezicht dat onder het verband tevoorschijn kwam in A Woman’s Face.

‘Arme mama. Ze zag er ineens zo oud en moe uit’, zegt de dochter in Herfstsonate na een lange, heftige confrontatie. Vermoeid was Bergmans gezicht inderdaad, maar ook helder, waarachtig en fascinerend. In Herfstsonate toont Ingrid Bergman een gezicht dat niets meer te verbergen heeft.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden