Opgeborgen. Uitgespeeld

Met collecties oude instrumenten is het moeilijk scoren – ze zijn niet of nauwelijks bespeelbaar en de doelgroep is niet zo groot....

‘Ruik je het?’ Een wat bedompte geur hangt in het vertrek in de kelderverdieping van het Gemeentemuseum in Den Haag, waarvan Onno Mensink zojuist de deur opende. Het moet het gezamenlijke aroma zijn van condensatoren, buizen, oscillatoren, transistors, spoelen, snoeren.

Hier staat de verzameling elektronica uit de museale collectie van muziekinstrumenten. Conservator Mensink laveert voorzichtig langs kasten met klavieren en draaiknoppen – een clavioline, een Hammond Novachord, en, kleiner, een Philicorda van Philips; allen voorlopers van de latere synthesizer. Hij opent een metalen kast en daar liggen de digitale versies, van Yamaha, Kawai en enkele Casio’s, nauwelijks groter dan een telefoonklapper. Twee planken verder: ‘Dit zijn modules van een Moog. Kon ik zo meenemen uit een studio in Boston. Daar deden ze er niks meer mee.’

Maar toegegeven, in de donkerte van dit depot, gist het evenmin. Sinds 2001 is de collectie, volgens kenners van internationale allure en met afstand de belangrijkste in Nederland, aan het zicht onttrokken. De eind vorig jaar vertrokken directeur Wim van Krimpen vond dat muziekinstrumenten – drieduizend objecten, van eeuwenoude klavecimbels tot Boliviaanse charrango’s (mandolines met de klankkast gemaakt uit het pantser van een gordeldier) en Yamaha’s DX 7 niet thuishoorden in een instelling die zich profileert met kunst. Het hart van de collectie, duizend instrumenten van de Haagse bankier Daniel François Scheurleer, was volgens hem ‘ooit het museum binnengevallen’.

Voordat Mensink zich in de depots begaf, met klavecimbels, tafelpiano’s en kabinetorgels onder beschermhoezen en honderden westerse en niet-westerse instrumenten op schappen en in laden, was hij nog langs vitrines gelopen in de zogeheten Wonderkamers. Daar staan nog wel enkele instrumenten – ‘maar zonder context, zonder toelichting’. Bij wandelstokken waarin een fluit is verwerkt: ‘Geen bezoeker weet wat het is.’ Bij een tweevellige trommel uit India: ‘Die ligt er maar te liggen.’

‘Dit is wat we nog kunnen laten zien.’ Eveline Passier betreedt een ijskoud vertrek met enkele vitrinekasten. Daar staat de selectie, in messing en zilverkleur: cornet, bugel, baritonsax, ventieltrombone, tuba, bas. Gemeenschappelijk kenmerk, in de buurt van de schalbeker: het embleem van M.J.H. Kessels, componist, dirigent, maar vooral de directeur van de instrumentenfabriek die van 1896 tot 1956 in Tilburg stond. Hofleverancier van de koninginnen Emma en Wilhelmina. Grootleverancier van harmonieën en fanfares. Leverancier van legerkorpsen in Mexico, Roemenië en Turkije. De merken: Sirena, Eola, Celesta, Corona. Passier: ‘We hebben tweeduizend objecten. De rest staat in dozen.’

Een halletje biedt toegang tot een loods vol oude werkbanken, forceerijzers, matrijsjes, tangen. Achter een zeil loeit een straalkacheltje. Een medewerker brengt voorzichtig een lasnaad aan op een gescheurde sopraansaxofoon, ‘uit begin 1900’, schat Passier.

Welkom in het muziekinstrumentenmakersmuseum Muzima in Tilburg. Bezoek alleen op afspraak. Passiers vader richtte de instelling op in 1986, op een locatie in de binnenstad, met restanten uit de failliete boedel van Kessels; zijn vader en grootvader hadden er nog gewerkt. In 2006 moest de collectie, die naast koper ook strijk-, slag- en tokkelinstrumenten omvat, het pand uit.

Sinds vorig jaar zit Muzima op een bedrijfsterrein aan het Wilhelminakanaal. De directeur van een metaalgieterij stelde ruimte beschikbaar na alarmerende geluiden. Passier: ‘De instrumenten hebben een tijd in een boerenschuur bij Hilvarenbeek gelegen. Het wemelde er van de muizen en de ratten. Dat was niet zo best voor de mechaniekjes.’

Het pand aan het kanaal is ook tijdelijk: in 2010 moet Muzima het leeg opleveren. Passier: ‘Desnoods gaan we de stad maar weer uit. Dat zou wel jammer zijn: dit was na de textiel de grootste werkgever in de stad. Maar we zijn helaas niet zo trots op onze eigen muziekcultuur.’

Er hangt een stemming in mineur rond muziekinstrumenten met een geschiedenis in Nederland. Gaandeweg verdwijnen spinet, luit, schalmei en hun navolgers uit het openbare leven; opgeslagen in depots, ingepakt, uitgespeeld. Hooguit nog studiemateriaal voor de wetenschapper, de beroepsmuzikant of de instrumentenmaker. Wat nog wel zichtbaar is, is doorgaans bijeengebracht met de onbaatzuchtige inzet van een gepassioneerde verzamelaar die zich, gesteund door vrijwilligers en donateurs, over één deelgebied heeft ontfermd.

Na de collecties in Den Haag en Tilburg, is ook de klavierverzameling van het Sweelinck Museum, onderdeel van het conservatorium in Amsterdam voordat de opleiding naar de nieuwe locatie bij het Centraal Station verkaste, in het donker gezet. Het Instituut Collectie Nederland heeft vijfendertig 19de-eeuwse pianofortes van vooral Amsterdamse makelij in Rijswijk opgeslagen, tientallen andere instrumenten staan in een pand aan de Prinsengracht. Terug bij af: het is de voormalige woning en werkplaats van de grondlegger van de collectie, de in 2000 overleden adjunct-directeur van het Muzieklyceum Rien Hasselaar. De Stichting Sweelinck Museum vreest dat dit laatste deel van de collectie binnen een jaar op straat staat: de huur eindigt op 1 januari 2010.

Inmiddels zijn er in Amsterdam plannen activiteiten dan maar samen te voegen. Het Sweelinck Museum wil de krachten bundelen met het Pianola Museum in de Jordaan – de laatste vreest de huur van het voormalige politiebureau niet meer te kunnen opbrengen; de huisvesting slokt tweederde van het toch al krappe budget van 35 duizend euro op. Tientallen instrumenten liggen in afwachting van restauratie opgeslagen in een depot buiten de stad. ‘Dertig kilometer rijden. Vanaf daar werd het pas betaalbaar’, zegt conservator en medestichter Kasper Janse.

Hij heeft met Frans Wytema, voorzitter van de Sweelinck-stichting, plaatsgenomen in de als salon ingerichte expositieruimte annex concertzaal – de pianola was in de jaren twintig het instrument voor de welgestelden. Voorzetapparaten, reproductiepiano’s, hier en daar vrij zicht op het binnenwerk van hamertjes en balgjes, en vakjes waarin duizenden muziekrollen schuilgaan. ‘Om alle typen van de pianola goed te kunnen laten zien en horen, heb je veel meer ruimte nodig.’

Janse, vanaf 1972 verzamelaar, heeft herhaaldelijk bij de kunstraad in Amsterdam aangeklopt om subsidie. Maar telkens volgde een afwijzing: niet specifiek Amsterdams, te kleinschalig.

Het Sweelinck en het Pianola Museum lonken naar andere plekken: het paviljoen in het Vondelpark, dat binnenkort door het Filmmuseum worden verlaten, het Grootlab naast de Shelltoren in Amsterdam-Noord. Toezeggingen zijn er niet.

Directeur Frits Zwart van het Nederlands Muziekinstituut, bewaarplaats van het muzikale erfgoed van Nederland in de vorm van archief en bibliotheek, ziet de ontwikkeling met lede ogen aan. ‘Deze verzamelingen behoren tot onze cultuurschatten. Nederland heeft een bloeiende instrumentengeschiedenis. Het is zonde dat er zo veel is weggestopt.’

Hij heeft er wel een verklaring voor. ‘Je kunt er niet mee scoren. De doelgroep is niet zo groot. Historische instrumenten zijn geen dankbare objecten. Ze zijn dikwijls niet of nauwelijks bespeelbaar. Je kunt ze wel laten horen, maar het maken van opnames is tijdrovend en kostbaar.’

Het gesol met de instrumenten wakkert geregeld de roep om een nationaal muziekmuseum aan. Zwart wijst naar musea in Brussel, Londen en Berlijn en de Cité de la Musique in Parijs. ‘Een goede ligging, een fraai pand, een aantrekkelijk restaurant – in Brussel lukt het. Waarom zou het hier dan niet kunnen?’

Iets bestaat al. Het ligt op tafel in een antiekzaak in de Jordaan in Amsterdam, en ziet er uit als een nota: Nederlands Muziek Museum, de contouren. Anton Vos, oud-arts, voormalig secretaris van de Stichting Sweelinck Museum, heeft het ‘startdocument’ meegenomen naar zijn winkel, in zijn functie als voorzitter van de vijf jaar geleden opgerichte Stichting Nederlands Muziek Museum. ‘Dit is de laatste versie, precies een jaar oud.’

In de inleiding wordt er meteen stevig op in gehakt. Het ontbreken van een muziekmuseum in Nederland is ‘verbazend’ en ‘beschamend’. Instrumenten zijn ‘niet alleen het gereedschap voor de muzikant, maar ook het tastbare resultaat van ambacht en vakmanschap en voorwerpen van kunst.’

Het rapport schetst het vergezicht van een instituut waar de bezoeker zich kan onderdompelen in muziek, met een collectie waaraan bestaande musea kunnen bijdragen. ‘Geen traditionele vitrineopstelling’, maar liever een ‘kakofonie van geluiden’. Actief deelnemen in plaats van louter waarnemen. Waar kostbare instrumenten niet aangeraakt mogen worden, bieden replica’s soelaas. Met de Wii-computer een symfonieorkest dirigeren. ‘Dynamisch’ en ‘interactief’. Een kennisbank voor de specialist én de scholier. Ateliers, repetitieruimten, concertzalen, horeca, winkels en een hotel zijn aanpalende voorzieningen en dragen bij aan de inkomsten. ‘Haalbaar’: 200 duizend bezoekers per jaar. Investering: zo’n 30 miljoen (bij nieuwbouw). De helft als een bestaand pand wordt betrokken. Operationele kosten: ruim 5 miljoen.

Vos is ermee langs de lokale overheden geweest, in Den Haag (vanwege het Gemeentemuseum), Utrecht (centrum van de oude muziek, expertise in Van Speelklok tot Pierement), Amsterdam (geschiedenis instrumentenbouw, het Pianola Museum, de Sweelinck-collectie, de Beurs van Berlage kwam vrij). Hij bezocht ook het ministerie van OCW, benaderde het Gemeentemuseum.

Hij is, bekent hij, er wat moedeloos van geworden. ‘Iedereen zei: fantastisch plan. Maar investeren zit er even niet in.’ Bij het Rijk hoorde hij nog dat ‘erfgoed slecht lag’. Er is te veel. Bij het Gemeentemuseum bespeurde hij weinig enthousiasme. ‘Ik heb het idee dat ze alles in eigen hand willen houden.’ Vos: ‘We hoopten nog dat steden tegen elkaar gingen opbieden. Maar het interesseert ze eigenlijk bar weinig. Het imago van zo’n instrumentenmuseum is stoffig.’

In de directiekamer van het Gemeentemuseum in Den Haag weerspreekt Wim van Krimpens opvolger Benno Tempel de aantijging dat de muziekcollectie er triest bij ligt. ‘Zorg en behoud zijn op orde. De verzameling is beschreven. Ik zou dat allesbehalve triest willen noemen.’

Het museum zelf spreekt van de ‘nationale muziekverzameling’, inmiddels veel omvattender dan de collectie Scheurleer, die zes jaar na de dood van de bankier door de gemeente in 1933 voor 210 duizend gulden werd aangekocht – toen nog met het idee dat het een trekpleister van formaat werd. Zo kwamen er bruiklenen van het Rijksmuseum in Amsterdam en werden collecties van de cellist Carel van Leeuwen Boomkamp en de musicoloog Frank Harrison aangekocht.

Tempel beklemtoont dat de instrumenten niet in de vergeethoek zijn beland. ‘Maar eerlijk gezegd zie ik ze niet snel op zaal terugkeren. Het was een slechtlopende afdeling. Ik begrijp best dat er enige pijn zit, maar een museum moet een focus hebben, een helder gezicht. Dit is een kunstmuseum.’

Aan de andere kant van de tafel klinkt geen tegenspraak. Conservator Mentink: ‘We hebben vroeger veel producties gedaan. Allerlei concerten: oude muziek, gericht op jongeren, niet-westerse instrumenten. Dat liep goed. Maar de instrumenten zijn hier wel altijd Fremdkörper gebleven. Dan stonden ze weer een decennium in die vleugel opgesteld, dan weer in een andere hoek, of ineens op de eerste verdieping.’

Het streven is nu de collectie elders in Den Haag onder te brengen. Ook Van Krimpen probeerde dat al, tevergeefs, in De Passage in de binnenstad en in het Paleis Lange Voorhout. Nu is de hoop gevestigd op het Spuiplein, dat mogelijk wordt opgekalefaterd met het oog op de kandidatuur voor Culturele Hoofdstad van Europa in 2018. Architect Rem Koolhaas is gevraagd een verkennende schets te maken met plek voor dans, muziek en horeca en, vooralsnog als optie, een museum voor de Haagse muziekcollectie. In de directiekamer heerst optimisme. Tempel: ‘Rem Koolhaas, dat duidt toch op ambitie.’ Mensink: ‘Ik zie het er wel van komen.’ Of de collectie dan zal kunnen uitgroeien tot een nationaal museum? Tempel: ‘Ik sta open voor samenwerking met alle musea.’

Een woordvoerster van de gemeente nuanceert. ‘Er is nog geen ontwerp, geen besluitvorming.’

Een krantenbericht:

‘Het Haagse Gemeentemuseum streeft ernaar zijn muziekafdeling onder te brengen in een zelfstandig Nederlands Muziekmuseum. () Het nieuwe museum zou gehuisvest moeten worden in het Spui-gebied, nabij de in aanbouw zijnde Muziekzaal.’

Het is uit de Volkskrant, 9 maart 1987.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.