Openheid is voorwaarde voor vertrouwen in Europese Bank

De kritiek van de Duitse minister van Financiën Oskar Lafontaine op de Bundesbank dient voor Wim Duisenberg een teken aan de wand te zijn....

OSKAR Lafontaine, de nieuwe Duitse minister van Financiën heeft zijn visitekaartje afgegeven. Een paar dagen na zijn aantreden had hij al ruzie met de Bundesbank door openlijk te pleiten voor verdere rente-verlagingen om de economie te stimuleren en door een voorstel te lanceren om de munten van Amerika, Japan en de euro aan elkaar te klinken.

Zijn secondant, staatssecretaris Claus Noë, deed er een schepje bovenop en beschuldigde Bundesbank-president Hans Tietmeyer er in Die Zeit van 'monetaire vraagstukken te depolitiseren en rekenschap voor het monetaire beleid te ontlopen'. Hij noemde het beleid van de Bundesbank en van de Europese Centrale Bank zelfs 'pre-democratisch' en 'absolutistisch'. Het monetaire beleid wordt in zijn ogen teveel door technocraten bepaald en zou te weinig politieke voeling en voeding hebben.

De Bundesbank en de Europese Centrale Bank (ECB) reageerden als door een adder gebeten en beschuldigden Lafontaine c.s. meteen van 'politiek activisme', hetgeen min of meer gelijk staat aan het uitspreken van de banvloek.

De nieuwe bondskanselier Gerhard Schröder trachtte de emoties enigszins te bedaren, maar de geest was al uit de fles. Zelfs de president van de Franse centrale bank, Claude Trichet, moest er aan te pas komen en waarschuwde 'van de monetaire politiek niet meer de zondebok te maken van onze economische moeilijkheden'. Wie had een jaar geleden kunnen denken dat de rollen van Duitsland en Frankrijk omgedraaid zouden worden?

Op korte termijn zijn de uitspraken van Oskar Lafontaine vooral voor Duitsland van belang. Op lange termijn ook politiek en procedureel voor Europa en de Europese Centrale Bank. Inhoudelijk is er veel op de uitspraken van Lafontaine af te dingen.

Een korte terugblik op de afgelopen 50 jaar leert immers dat centrale banken niet langdurig voor meer groei of werkgelegenheid kunnen zorgen. Bijna alle pogingen om de economie systematisch te stimuleren door een lagere rente en het versnellen van de geldpers zijn geëindigd in hogere inflatie, lagere economische groei en een zwakkere economie.

Centrale banken kunnen zorgen voor een lage en stabiele inflatie op middellange termijn en dat is op zichzelf al heel mooi. Bovendien is de rente in Europa historisch gezien al vrij laag en valt van verdere verlaging niet echt veel te verwachten. Ook de ervaringen met een vaste wisselkoers tussen Amerika, Japan en Europa (de tweede suggestie van Lafontaine) zijn niet positief.

In de jaren zestig was er onder het Bretton Woods-systeem sprake van precies zo'n wisselkoersarrangement. Het bleek geen succes, leidde tot speculatieve aanvallen op verschillende munten, zoals het Britse pond, en barstte uiteindelijk in 1973 uit elkaar.

Meer recent waren vaste wisselkoersen met de VS in Azië aanleiding voor de financiële crisis aldaar. Daarnaast hebben de ervaringen met het Plaza- en het Louvre-akkoord in 1985 en 1987 aangetoond dat dergelijke wisselkoersarrangementen vaak een kort leven beschoren zijn. Zij worden slechts gerespecteerd zolang het in ieders belang is.

Kunstmatig lage rentes en vaste wisselkoersen zijn geen recept voor hoge economische groei. De hoge werkloosheid in Europa (meer dan 10 procent van de beroepsbevolking) vraagt veeleer om een structurele benadering met lagere belasting op arbeid en het aanpakken van starheden op arbeids- en productmarkten. Duitsland heeft op deze terreinen zelfs nog geen begin gemaakt.

Als politiek signaal zijn de uitspraken ook van belang en dan met name voor de nieuwe Europese Centrale Bank met Wim Duisenberg als president. Zij geven aan dat de effecten van Europees monetair beleid en de onafhankelijkheid van de ECB niet onomstreden zullen zijn in de toekomst.

Een dergelijke politieke strijd om het monetaire territorium zal alleen maar verliezers opleveren. Door politieke druk op de ECB zullen Duisenberg c.s. zich genoodzaakt zien om nog harder op de rem te trappen, dus de rente niet te verlagen en zelfs te verhogen om de reputatie van de ECB te beschermen. Dit is iets dat Schröder en Lafontaine zich niet lijken te realiseren.

Voor de Europese Centrale Bank moet de huidige discussie aanleiding zijn om steun bij het Europese publiek te verwerven door volledige openheid en transparantie over haar werk te geven. Zonder politieke steun van de Europese burger voor de Europese Centrale Bank zal het niet gaan en kan de politieke druk van regeringen wel eens te zwaar worden.

Regeringen zullen steeds vaker het monetair beleid willen gaan gebruiken voor de eigen politieke doelen met inflatie en hogere rentes als gevolg.

Helaas lijkt de raad van bestuur van de ECB vast te willen houden aan verschillende vormen van geheimhouding. Het is bijvoorbeeld niet van plan om de notulen van de ECB-raad en de eigen Europese inflatie-voorspellingen te publiceren.

Publicatie van de notulen is een gevoelige zaak. Het Verdrag van Maastricht verbiedt de ECB om gedetailleerde notulen en stemgedrag te publiceren. Artikel 10.4 van de Statuten van de ECB stelt: 'De notulen van de vergaderingen zijn vertrouwelijk. De raad kan besluiten de uitkomsten van het overleg openbaar te maken.'

Maar dit artikel neemt niet weg dat de notulen van de ECB-raad in dezelfde aangepaste vorm als de notulen van het Federal Open Market Committee, het beleidsbepalende orgaan van de Federal Reserve in de VS toch openbaar kunnen worden gemaakt.

De Amerikaanse notulen worden met een vertraging van zes weken gepubliceerd en omvatten niet het stemgedrag van de leden van de FOMC. Belangrijk is dat de uitkomst van de monetaire beleidsbeslissing en de argumenten om tot een dergelijke beslissing te komen duidelijk gemaakt worden.

Zonder zichtbaarheid en geloofwaardigheid is het moeilijk om als onafhankelijke centrale bank te functioneren en zal de ECB niet tegen de politici opgewassen zijn.

Sylvester Eijffinger is als hoogleraar economie verbonden aan de Katholieke Universiteit Brabant en de Humboldt Universiteit in Berlijn. Kees Koedijk is hoogleraar economie aan de Universiteit Maastricht.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden