Openbaarheidsdag 2018: lakzegels eraf en daar zijn de waarheden

Twintig gulden per week voor weduwe Mussert, 'rapport van grandioze objectiviteit' en de lange warme zomer van 1966

Naarmate Openbaarheidsdag dichterbij komt beginnen de handen meer te jeuken. Dinsdag gaf het Nationaal Archief weer tienduizenden vertrouwelijke en geheime documenten jaren na dato vrij voor historici, journalisten en alle andere belangstellenden. Lakzegels verbreken en de hele dag neuzen door stapels papier, notitieboekjes en oude krantenstukken.

Foto anp

In 1979 werden nog onbeschroomd woorden gebruikt die nu, nog geen veertig jaar later, enige gêne oproepen. Zo schreef de jurist J. Zaaijer op 31 juli van dat jaar dat hij in 1945 tijdens een dienstreis als procureur fiscaal bij het Bijzonder Gerechtshof een keer 'werd tegengehouden door een neger met een stengun'. Het is zomaar een voetnoot bij een brief die op zijn beurt een klein onderdeel is van de tienduizenden dossiers die dinsdag, tijdens Openbaarheidsdag 2018, in het Nationaal Archief zijn vrijgegeven voor onderzoekers en voor het grote publiek.

Promovenda Marieke Oprel stelt vooral belang in de dossiers van het Nederlands Beheersinstituut (NBI) dat zich van 1945 tot 1967 bezighield met de opsporing, de inbeslagname en het beheer van 'vijandelijke vermogens': roerende en onroerende bezittingen van collaborateurs en burgers uit landen waarmee Nederland in oorlog was geweest - Duitsers in de eerste plaats. En het begrip 'Duitser' werd, aldus Oprel, 'breed gedefinieerd. Het ging dus ook om Duitse dienstmeisjes, kloosterlingen, Duitsers die het naziregime waren ontvlucht en ook om Duitse Joden. Allen werden in principe onteigend. Wie zich daar met succes tegen verweerde, kreeg een zogenoemde ontvijandingsverklaring. Daarvoor kwam je in aanmerking als je kon aantonen dat je je tijdens de oorlog als een goed Nederlander had gedragen. Het was niet genoeg om in een concentratiekamp te hebben gezeten.'

Op basis van vondsten in het omvangrijke NBI-archief hoopt Oprel een indruk te krijgen van de schaal waarop onteigeningen hebben plaatsgevonden en ongedaan zijn gemaakt. 'Emotionele materie, vervat in kwitanties en administratieve overzichten.'

De hele dag neuzen door stapels papier, boekjes en oude krantenstukken. Foto anp

Twintig gulden per week voor weduwe Mussert

Vrouwen die in gemeenschap van goederen waren getrouwd met NSB-leiders die na de oorlog ter dood waren veroordeeld, raakten niet alleen hun echtgenoot kwijt, maar ook hun vermogen. In het geval van mevrouw E.H. Blokzijl-Behle, de weduwe van nazi-propagandist Max Blokzijl, ging het daarbij niet alleen om aandelen, liquide middelen en onroerende zaken, maar - aldus een gedetailleerde inventarislijst van het NBI ook om een wildschaar, een suikertang, een tafelschuiver, een beschadigde rozenkrans, veertien paar sokken en twee smokingjasjes. Pas in 1952 werd, na eindeloos gesoebat, een bevroren banktegoed van 436,50 gulden aan haar gerestitueerd.

De weduwe van NSB-leider Anton Mussert ontving na haar vrijlating in 1946 een wekelijkse toelage van 20 gulden. De vermogensbeheerder van wijlen haar man liet het NBI weten dat mevrouw Mussert 'eenigszins dankbaar is voor dit resultaat' (van ongetwijfeld uitputtende onderhandelingen) 'maar niet voldaan'. Drie jaar later verzocht de vermogensbeheerder het ministerie van Justitie om een verruiming van de toelage 'in verband met haar zeer slechte gezondheidstoestand'. Daarbij wees hij erop dat mevrouw Mussert nooit lid van de NSB was geweest. Maria (Rie) Mussert-Witlam overleed in 1951 op 74-jarige leeftijd.

De vermogensbeheerder had overigens niet alleen met een onwillige overheid te maken, maar ook met schuldeisers. Zo diende een meneer Ros een rekening in van 50 gulden voor de verzorging van het hondje van het echtpaar Mussert gedurende de detentie van mevrouw Mussert.

Het dossier over het oorlogsverleden van Willem Aantjes. Foto anp

'Rapport van grandioze objectiviteit'

In 1978 trad toenmalig CDA-leider Willem Aantjes af na onthullingen van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (de voorganger van het NIOD) over zijn oorlogsverleden. Zo bleek hij lid te zijn geweest van de Germaansche SS. Dat was weliswaar niet fraai, maar anders dan RIOD-directeur Loe de Jong had gesuggereerd, was Aantjes niet in Duitse krijgsdienst geweest en had hij niet opgetreden als bewaker van een strafkamp. Op verzoek van de Tweede Kamer completeerde een driekoppige commissie onder leiding van de jurist Christiaan Justus Enschedé het 'onvoltooide onderzoek' van het RIOD. De persoonlijke correspondentie die Enschedé in verband daarmee heeft gevoerd, is dinsdag - met een verbreking van de lakzegels door algemeen rijksarchivaris Marens Engelhard - openbaar gemaakt.

Uit dit dossier blijkt dat Enschedé de boot lange tijd heeft afgehouden. Hij vreesde aan politieke beïnvloeding te zullen blootstaan en hij had problemen met de taakomschrijving die de Tweede Kamer voor hem had geformuleerd: onderzoek doen naar Aantjes' 'gedragingen onder politiek oogpunt'. Aantjes was in de oorlogsjaren nog geen politicus, wierp Enschedé tegen. 'Voor de commissie zie ik dus eigenlijk geen taak.'

Uiteindelijk zwichtte hij voor de aandrang van Kamervoorzitter Anne Vondeling, en met het in juli 1979 gepresenteerde rapport oogstte hij veel lof. Oud-minister Wilhelm Friedrich (Gaius) de Gaay Fortman (CDA) schreef Enschedé: 'Het rapport is verkwikkend goed van stijl en van een grandioze objectiviteit. Dat laatste zelfs zo, dat ik in de kring van de Anti Revolutionaire Partij (op dat moment al onderdeel van het CDA, SvW) nogal wat mensen ontmoet die niet bevroeden welk een subtiele afkeuring (van het gedrag van Aantjes, SvW) in die objectiviteit begrepen is.'

In zijn antwoord erkende Enschedé dat zijn rapport 'nogal pijnlijk (is) voor Aantjes, en trouwens ook voor De Jong.' De voornoemde jurist J. Zaaijer relativeerde de ernst van Aantjes' oorlogsverleden, maar schreef ook: 'Voor een 100 procent goed Nederlander met gymnasiumopleiding kwam aanmelding voor de Germaansche SS niet im Frage.'

Brandstichting bij het Telegraafgebouw op de Nieuwezijds Voorburgwal in Amsterdam tijden de bouwvakkersrellen in 1966. Foto Jac de Nijs / Anefo

De lange warme zomer van 1966

Twaalf jaar eerder had Enschedé ook onderzoek gedaan naar het bestuurlijk falen ten tijde van de Telegraafrellen, of bouwvakkersoproer, van de zomer van 1966 in Amsterdam. De bevindingen van zijn commissie leidden onder andere tot het aftreden, op aandrang van de regering, van de Amsterdamse burgemeester Gijsbert van Hall. Die had daar in een eerder telefoongesprek met Enschedé al op gezinspeeld. 'Hij zei dat hij en zijn vrouw er niet aan hechten dat hij als burgemeester van Amsterdam aanblijft. Maar: 'Ik laat mij niet als een oneerlijke keukenmeid wegsturen'.'

Met een hoffelijk briefje nam Enschedé, 'als burger van uw stad en hoogleraar van uw universiteit', afscheid van Van Hall. Hij koos voor een schriftelijke heilwens omdat hij zich kon voorstellen dat Van Hall hem niet 'ter receptie in het licht van de publiciteit' zou willen treffen.

Een oud-politieman die zich tot de commissie Enschedé wendde, legde een verband tussen het falen van de Amsterdamse politie in de zomer van 1966 en het ontbreken van een verzetsgeest binnen het korps tijdens de Duitse bezetting. De directeur van het Instituut voor Perswetenschap aan de UvA, M. Rooij, schreef Enschedé dat veel Amsterdamse journalisten zich tijdens de oproer van 1966 meer door links engagement hadden laten leiden dan door een streven naar objectiviteit.

Meer over