Open economie, gesloten samenleving

Autoritaire regimes lukt het steeds beter om hun oppositie in te snoeren zonder de economie van hun land te schaden, beweren Bruce Bueno de Mesquita en George W....

Bruce Bueno de Mesquita en George W. Downs

Sinds Deng Xiao Ping vijfentwintig jaar geleden de Chinese economie openstelde en daarmee een tijdperk inluidde van ongebreidelde groei, wacht het Westen op de politieke hervormingen die zouden volgen. Economische vrijheid, zo veronderstelde men, zou vanzelf leiden tot meer politieke vrijheid en uiteindelijk tot democratie.

Deze verwachting bleef niet beperkt tot China. De algemene opvatting luidde tot voor kort dat economische ontwikkeling zonder uitzondering tamelijk gezwind tot democratie leidt. De redenering is als volgt: economische openheid heeft de opkomst van een ontwikkelde en ondernemende middenklasse tot gevolg, die vroeger of later zeggenschap opeist over haar lot. Uiteindelijk weten zelfs repressieve regimes niet aan die druk te ontkomen.

Het feit dat bijna alle rijke landen ter wereld een democratie zijn is lang als bewijs voor deze redenering aangevoerd. Maar recente gebeurtenissen wijzen in een andere richting. Overal ter wereld laten autoritaire regimes zien dat zij de economie kunnen laten groeien zonder zelfs maar de neiging te vertonen het volk meer inspraak te geven. Ofschoon de economie van China in de afgelopen 25 jaar explosief is gegroeid, is er politiek niets wezenlijks veranderd. In Rusland is de economie recentelijk zelfs gegroeid nadat het Kremlin de politieke touwtjes scherper aantrok.

Ontwikkelingsdenkers hebben wel gelijk als ze beweren dat mensen meer politieke invloed verlangen als hun inkomen stijgt, maar ze onderschatten het vermogen van autoritaire regimes om zulke verlangens te ondermijnen. Dictatoriale regimes slagen er steeds beter in om de politieke neveneffecten van economische groei te neutraliseren. Sterker nog, economische vooruitgang maakt hun politieke machtsbasis tegenwoordig meestal sterker in plaats van zwakker.

Om goed te begrijpen hoe dit in zijn werk gaat moet de term strategische coördinatie vallen. Strategische coördinatie, een begrip uit de politieke wetenschap, omvat alle activiteiten die mensen moeten ondernemen om politieke macht te vergaren. Het verspreiden van informatie hoort daartoe, net als de werving van aanhang, het kiezen van leiders en het ontwikkelen van een strategie om de politiek te beïnvloeden.

Economische groei zou deze activiteiten vergemakkelijken, zo luidde althans tot voor kort de redenering. Meer welvaart leidt tot verstedelijking en tot verbetering van de infrastructuur en van de technologie. Daardoor kunnen mensen veel gemakkelijker communiceren en dus ook gemakkelijker aanhangers werven voor nieuwe politieke groeperingen. Daarnaast levert economische groei meer geld op voor onderwijs. De oppositie profiteert daarvan, want de scholen leveren meer goed ontwikkelde potentiële sympathisanten af.

Voor een regime dat aan de macht wil blijven is het dus zaak strategische coördinatie door politieke tegenstanders te hinderen. Maar daarin schuilt ook een gevaar. Wie te veel barrières opwerpt tegen het ontstaan van een oppositie loopt het risico tezelfdertijd de welvaartsgroei te schaden. In dat geval wordt het volk ontevredener en kan de stabiliteit van het regime zelf in gevaar komen.

Het is balanceren op een dunne draad, maar steeds meer machthebbers blijken dat kunstje onder de knie te krijgen. Ze hebben geleerd dat ze de oppositie kunnen onderdrukken zonder de economie te schaden door hun bevolking een aantal specifieke rechten te ontzeggen die politiek wél en economisch niet van groot belang zijn.

Uit de afgelopen drie jaar zijn er voorbeelden te over. China heeft regelmatig de toegang geblokkeerd tot de Engelstalige nieuwsdienst van Google. Recentelijk heeft het Microsoft gedwongen het gebruik van woorden als vrijheid en democratie te blokkeren in software die door Chinese webloggers wordt gebruikt. Al jarenlang probeert de Chinese regering de internetactiviteiten van haar bevolking in te snoeren, onder meer door de oprichting van een speciale internetpolitie en door beperking van het aantal toegangswegen naar het web.

In Rusland, onderwijl, heeft president Vladimir Poetin alle nationale televisiezenders onder regeringscontrole gebracht. President Hugo Chavez van Venezuela gaf zichzelf eind vorig jaar de wettelijke mogelijkheid nieuws te verbieden dat verslag doet van gewelddadige protesten of van regeringsfeilen. Ook kan hij zenders uit de lucht halen die voorschriften van de regering overtreden.

De regering van Vietnam heeft allerlei religieuze groepen onder streng toezicht gebracht. De leiders van uiteenlopende groepen als rooms-katholieken, mennonieten en sommige boeddhisten zijn door het bewind gebrandmerkt als subversief.

In al deze gevallen is er sprake van beperking van zogeheten coördinatiemiddelen; faciliteiten die essentieel zijn voor de communicatie tussen politieke opponenten maar waarvan het gemis de economie niet of nauwelijks hindert. Daarin onderscheiden ze zich van algemene publieke middelen, zoals openbaar vervoer, gezondheidszorg en onderwijs. Beperking van deze middelen heeft wel degelijk een negatieve invloed op zowel de publieke opinie als de economische groei.

In het verleden namen autoritaire regimes doorgaans hun toevlucht tot de beperking van beide soorten publieke middelen. Het land verarmde, maar het regime bleef aan de macht. Tot in de jaren tachtig was dat het dominante beeld in grote delen van Azië en Afrika. Zelfs nu hanteren sommige arme landen als Myanmar en Zimbabwe deze beleidslijn nog steeds. Maar de regimes in Rusland, China, Vietnam en elders hebben ontdekt dat ze zich kunnen beperken tot de regulering van coördinatiemiddelen om politieke oppositie de kop in te drukken zonder dat de welvaart van bevolking vermindert.

Vier soorten rechten zijn hierbij in het geding. In de eerste plaats gaat het om politieke rechten inclusief de vrijheid van meningsuiting, het recht op vereniging en het recht om vreedzaam te demonstreren. Ofschoon deze rechten veelal inhouden dat de overheid zich niet met de individuele burger bemoeit, moet een regering soms toch actief toezien op uitoefening, bijvoorbeeld als een impopulaire minderheid zijn mening wil geven.

Ook de handhaving van algemene mensenrechten is essentieel. Dan gaat het om het recht niet willekeurig te kunnen worden gearresteerd en de daaraan gerelateerde onaantastbaarheid van het eigen lichaam, om het recht op non-discriminatie op basis van godsdienst, ras, afkomst en geslacht en op het recht op vrij verkeer, dus om te reizen in binnen- en buitenland.

Een diverse en vrije pers, het derde essentiële recht, is onmisbaar voor effectieve politieke organisatie. Het maakt de uitwisseling van ideeën en informatie mogelijk, zonder welke er geen nieuwe politieke groeperingen kunnen ontstaan. Persvrijheid betekent in de eerste plaats dat de overheid zich van inmenging vrijwaart. Maar toch kan uitoefening van dit recht soms vergen dat een regering zenders beschikbaar stelt, vergunningen vergeeft, toeziet op openbare toegankelijkheid van media en zorgt voor vertaling van officiële documenten in regionale dialecten.

Ten vierde is algemene toegang tot hogere opleidingen essentieel. Het stelt burgers in staat hun communicatieve en organisatorische vaardigheden te ontwikkelen. Bovendien vormt een hoog opgeleid kader een bron van potentiële oppositieleiders. Alleen al om die reden is het een bedreiging voor het regime.

Onlangs hebben wij onderzoek gedaan naar de toegankelijkheid van algemene publieke middelen in bijna 150 landen in de periode tussen 1970 en 1999. Vier conclusies springen in het oog.

Ten eerste blijkt de rantsoenering van coördinatiemiddelen inderdaad een effectieve overlevingsstrategie voor regimes. Naarmate coördinatiemiddelen, zoals een vrij toegankelijk internet, beschikbaar komen, nemen de overlevingskansen van het bewind af. Verstrekking van andere publieke middelen zoals gezondheidszorg heeft dat effect niet. Integendeel, dat versterkt de machtsbasis van het regime slechts.

De kans dat een autoritair regime na een jaar nog aan de macht is vermindert met 15 tot 20 procent zodra men persvrijheid en andere burgerrechten toestaat. Dat is een grimmige bevinding, die goed verklaart waarom pers en oppositie in de Derde Wereld zo vaak worden ingesnoerd.

Daarnaast toont de studie aan dat machthebbers coördinatiemiddelen veel consequenter rantsoeneren dan andere publieke middelen. Fidel Castro hoefde niet te vrezen voor zijn positie toen hij de publieke gezondheidszorg ingrijpend verbeterde en Kim Jong Il liep geen enkel gevaar toen hij de geletterdheid in Noord Korea opvoerde tot 95 procent.

De studie bevestigt dat een regime behoorlijke economische groei kan bewerkstelligen en tegelijkertijd de coördinatiemiddelen kan beperken. De machthebbers verstevigen hun positie ermee en de kans op democratisering neemt subsequent af voor een periode van ten minste tien jaar - een tijdshorizon waarmee de meeste autocraten goed kunnen leven.

Ofschoon het lastig is vast te stellen of economische groei op langere termijn democratisering afdwingt, zijn er steeds meer aanwijzingen dat economische groei op korte termijn autoritaire regimes eerder in het zadel houdt dan ze in moeilijkheden brengt. China is dus geen uitzondering op de regel dat welvaart tot democratie leidt, maar juist de bevestiging van het feit dat economische groei de macht bestendigt.

De groeiende kloof tussen ontwikkeling en democratie leert ons drie lessen. Ze zijn vooral interessant voor westerse beleidsmakers die het tempo van democratisering in de wereld willen opvoeren, zoals de regeringen van de VS en andere welvarende democratieën.

Ten eerste moeten we erkennen dat het stimuleren van economische groei lang niet zon effectieve manier is om democratie te bevorderen als we ooit dachten. Autoritaire regimes kunnen rustig achterover leunen als ze hun coördinatiemiddelen maar rantsoeneren. Hun achterban plukt de vruchten van de economische groei. Er zijn voldoende inkomsten om economische en politieke schokken te kunnen opvangen. De politieke oppositie raakt ondertussen ontmoedigd en verzwakt.

De tweede belangrijke les heeft betrekking op de voorwaarden waaronder leningen en giften worden verstrekt aan de zich ontwikkelende landen. Als de Wereldbank bijvoorbeeld een lening geeft, moet men eisen dat het regime naast economische groei en toegankelijke publieke voorzieningen ook mensenrechten, burgerrechten en persvrijheid bevordert. En om aanspraak te maken op internationale hulp moeten autoritaire regimes hoger onderwijs algemener toegankelijk maken, een vrijere pers toestaan en meer ruimte laten voor vrije vereniging en vergadering.

Hulporganisaties moeten zich niet te veel laten afleiden door discussies over de vraag of mensenrechten vooral een kwestie zijn van huisvesting, voedsel, gezondheidszorg en andere basisvoorzieningen of juist van individuele vrijheden en rechten van minderheden. Dictators hebben een voorkeur voor het eerste, louter omdat dat hun belangen het beste dient. Er is overvloedig bewijsmateriaal dat politieke vrijheden en de verstrekking van basisvoorzieningen de beste combinatie vormen; samenlevingen die burgerlijke vrijheden respecteren bieden hun inwoners vrijwel zonder uitzondering een hoge kwaliteit van leven.

De derde les uit onze studie heeft betrekking op recente ontwikkelingen in het Midden-Oosten. Het is verleidelijk om een nieuwe democratische lente in de regio te ontwaren, gelet op de verkiezingen in Irak, de terugtrekking van Syrië uit Libanon, de daarop volgende verkiezingen, de aankondiging van gemeentelijke verkiezingen in Saudi-Arabië en de belofte van meer keuzevrijheid in Egypte.

Maar het is belangrijk om realistisch te blijven. We moeten niet vergeten dat het repressieve beleid dat de machthebbers de afgelopen vijftig jaar zo stevig in het zadel hield nog nauwelijks is aangepast in Saudi-Arabië, Egypte en zelfs Libanon. Dat is geen reden tot wanhoop. Maar wie de democratische vooruitgang in de regio wil meten zou meer aandacht moeten schenken aan de beschikbaarheid van coördinatiemiddelen zoals het toezicht op de media, of bijvoorbeeld hoe moeilijk het is om een anti-regeringsgezinde demonstratie te houden. Niet het houden van verkiezingen maar de aanwezigheid van dit soort vrijheden is essentieel voor de overgang naar werkelijke democratie. De VS, de EU en andere donorlanden en hulporganisaties moeten druk blijven uitoefenen opdat deze vrijheden daadwerkelijk beschikbaar komen.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden