Open de gordijnen, zie de verschillen

In zijn tijd was Spinoza bekender als lenzenslijper dan als denker. Daarin schuilt wijsheid: zichtbaar maken gaat vooraf aan het denken.Zo mijmert de Brits-Soedanese gastauteur Jamal Mahjoub, die in Amsterdam wil schrijven over Darfur....

Jamal Mahjoub

Het trof mij meteen dat niets verder verwijderd kon zijn van het onderwerp waarover ik wilde schrijven dan het koele, groene en lommerrijke Amsterdam. In de eerste paar dagen na mijn aankomst fietste ik rond en stopte steeds weer bij een boogbruggetje om over de verstilde grachten te staren.

’s Avonds, als de lichtjes schitteren op het water, is de stad nog betoverender. Ik was van plan mijn tijd hier te besteden aan het verwerken van al het materiaal dat ik de afgelopen jaren heb verzameld over het conflict in Darfur.

Amsterdam zou mij helpen die kwestie met een frisse blik te bekijken, hoopte ik, maar binnen de kortste keren merkte ik hoe mijn aandacht werd getrokken door mijn nieuwe omgeving.

De hoge ramen met uitzicht op de grachten fascineerden me. Bij de invallende schemering doemden de overdag duistere interieurs op in een aanzwellende elektrische gloed. Verlicht in een donkere omgeving leken die kamers in de lucht te zweven, gevangen in een subtiele geometrie van schaduw en licht. Elk raam deed denken aan een mise-en-scène uit een toneelstuk. Alles staat precies op zijn plek, maar het podium blijft leeg. De spelers zijn immer afwezig.

Ik weet bar weinig van de geschiedenis van dit land. Waren die schitterende uitstallingen langs de grachten ergens een uiting van, vroeg ik me af. Een openbare verklaring van een volk dat God tot beheersbare proporties heeft teruggebracht? ‘Hij mag best bij ons naar binnen kijken, wij hebben niets te verbergen.’

Spinoza, zo had ik gelezen, was niet alleen de toonaangevende denker van de Hollandse Verlichting, hij was ook buitengewoon bedreven in het slijpen van lenzen voor optische instrumenten. Huygens bewonderde Spinoza meer vanwege diens telescopen en microscopen dan om zijn verheven gedachten. Zegt dat iets over die open gordijnen?

In de moslimwereld wordt alles afgedekt. Achter die sluier van bescheidenheid ligt een obsessie met puurheid. Welk voedsel je eet. Welke voet je als eerste gebruikt bij het betreden van de badkamer. Al die zaken doen er toe, zelfs als er niemand in de buurt is die je kan zien. Hier zag ik precies het tegenovergestelde – zo leek het tenminste.

Ik was nog maar een dag of wat in Nederland of de aanklager van het Internationaal Strafhof in Den Haag, Luis Moreno-Ocampo, maakte bekend dat hij de Soedanese president Omar al-Bashir wilde laten vervolgen op verdenking van genocide. Hij wilde bewijzen dat al-Bashir een plan had bedacht en had laten uitvoeren met als doel een groot deel van de bevolkingsgroepen Fur, Masalit en Zaghawa te vernietigen om reden van hun etniciteit. ‘Zijn alibi was optreden tegen opstandelingen’, zei Moreno-Ocampo over al-Bashir, ‘zijn bedoeling was genocide.’

Zo lag daar plots een directe lijn vanuit het hart van dit land naar mijn schrijfonderwerp.

Toch had ik het gevoel dat er iets niet klopte. Als de aanklacht sterk genoeg zou blijken en als al-Bashir zou worden vervolgd, wat zouden de inwoners van Darfur daar dan aan hebben? Alle kansen op een vredesregeling leken verkeken, zodra de president zou zijn veroordeeld tot de tamelijk vernederende positie van een misdadiger in de ogen van de rest van de wereld. Was recht belangrijker dan vrede?

Darfur is tegenwoordig de metafoor voor alles wat er fout zit in de wereld. Dat is nauw verbonden met de verwarring in het Westen over de moraal en de eigen identiteit. Als al-Bashir morgen zou worden gearresteerd en voor de rechter wordt gesleept, zouden sommige mensen zich beter voelen, maar het zou de bewoners van de vluchtelingenkampen in Darfur waarschijnlijk niet veel helpen. Wat zij meer dan wat dan ook nodig hebben, is veiligheid: dan kunnen ze hun levens weer opbouwen.

Van een afstand zien zaken er anders uit. Spinoza zou ons daarover iets hebben kunnen leren.

Tijdens een bezoek aan Den Haag stond ik voor Rembrandts De anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp in het Mauritshuis, toen ik het geluid van helikopters in de lucht hoorde. Ze zoemden rond als woedende insekten. Radovan Karadzic was afgeleverd bij het Joegoslavië-Tribunaal, na dertien jaar onderduiken.

Ik dacht terug aan mijn bezoek aan de ruïne van de grote bibliotheek van Sarajevo – een blijvend monument voor de Balkan-oorlogen. Ik keek door de kale ramen naar de groene heuvels vanwaar Karadzic en zijn mannen de stad hadden belaagd. De schatten van de bibliotheek, waaronder Arabische manuscripten van onschatbare waarde, waren in vlammen opgegaan, getroffen door brandbommen afgeschoten vanaf die mooie hellingen.

De schelp van het bibliotheekgebouw is leeg gelaten, waarschijnlijk met symbolische bedoelingen: om de Bosniërs erop te wijzen dat hun historische aanspraak op deze gronden niet langer zeker was. Hun culturele erfgoed was tot as vernield.

Als Karadzic dertien jaar geleden was gepakt en veroordeeld, had het heel wat meer betekend. In Sarajevo zie je de littekens van granaatinslagen nog overal in de muren van gebouwen. Niemand wil vergeten wat hun is aangedaan. De schade is niet hersteld. Maar nu krijgen ze wel het spektakel van een rechtszitting, een vertoning evenzeer voor de media als voor het recht. Een side show die altijd tekort zal schieten in vergelijking met de verloren geliefden of de jaren van angst en wanhoop.

‘Als we slagen,’ zei Moreno-Ocampo eens in een vraaggesprek, ‘zal de wereld zijn als Argentinië: niet volmaakt, maar er valt te leven. Als we falen, zal de wereld eruit zien als Darfur.’ Zulke heldere taal wekt bewondering. Daar staat een man die het op zich heeft genomen recht en orde eigenhandig te herstellen in de gehele wereld.

Maar hoe doe je zoiets in de praktijk? Is het haalbaar? Hebben wij het recht te oordelen over dingen die we niet zien? En als we falen, welke gevolgen zal dat hebben voor het recht?

Tijdens een bezoekje aan Deventer wees een Nederlandse schrijver en klimmer (Nederland is in weerwil van zijn platheid rijk aan bergbeklimmers) me op de lege nissen in de wanden van de Lebuinuskerk . De beelden die daar ooit in stonden, waren vernield tijdens de Beeldenstorm van 1566. ‘En dan wordt er zo’n ophef gemaakt over de verwoesting van de beelden van Bamyan door de Taliban,’ grijnsde mijn gids. ‘We zijn vergeten dat we zelf iets dergelijks deden.’

Op die parallel was ik nooit zelf gekomen. In de ogen van de Taliban waren de beelden van Bamyan – ooit de hoofdstad van het boeddhisme in Centraal-Azië – afgodsbeelden. Die aanbidden is verboden binnen de islam. ‘We breken alleen wat stenen,’ zei Mullah Omar bij wijze van verweer. Hij gaf niets om beelden van tweeduizend jaar oud. Smeekbeden de beelden heel te laten, weerhielden hem niet. Was dit een teken van vroomheid of van vandalisme? Of was het een daad van verzet, de enige manier om het verre Westen een hak te zetten?

In Soedan gebeurde iets vergelijkbaars na de verklaring van het Internationaal Strafhof: Soedanezen gingen dansend van trots de straat op en zwoeren eeuwige trouw aan hun president.

Van Deventer reden we de Nederlandse biblebelt binnen. Het was zondagavond en gezinnen waren op weg naar de kerk, in hun mooiste kleren, vrouwen met hoedjes op. Het was alsof we in de tijd terug waren gegaan. Aanvankelijk was ik verbijsterd door dit plattelandsconservatisme, midden in een land dat ik voor een progressieve natie had aangezien. Tot ik besefte dat er geen reden is om zo verbaasd te zijn. Ik was getuige geweest van de ongegeneerde uitstalling van welvaart langs de grachten en van de spectaculaire Gay Parade. Ik had coffeeshops gezien en een woud aan kerken, tempels van elk geloof, en natuurlijk ook de treurige etalages in de rosse buurt. Dat alles was bewijs van de lange traditie van aanvaarding van verschil.

Zelfs in het Van Gogh Museum, waar toeristen hun zuur verdiende geld besteden aan aanbidding bij het nobele altaar van de kunst, drong hetzelfde antwoord zich aan mij op. Op een schilderij zag ik een boek van Emile Zola naast een Bijbel afgebeeld. Dat lijkt hetzelfde probleem aan te kaarten. Dit is Van Goghs dilemma. Plichtsbesef versus zijn zucht naar artistieke vrijheid. Hij probeerde een liefde voor schoonheid te combineren met respect voor de armoedige boer, die alleen maar tijd had voor werk.

Ergens heb ik nog de beduimelde paperback met zijn brieven, die ik als vijftienjarige in Khartoem las. Van Gogh snakte naar succes, hij wilde zichzelf kunnen bedruipen en zijn schuld terugbetalen aan zijn broer, en toch kon hij niets verkopen.

Wat zou hij heden ten dage hebben geschilderd, vraag ik me af. Ik kijk naar De aardappeleters en stel me voor hoe een hedendaagse Van Gogh besluit het beeld van een immigrantengezin aan het avondmaal vast te leggen. Aan de muur hangt een ingelijst vers uit de koran en achter hen zingt op de televisie de nieuwste popster. Alles komt uiteindelijk neer op het inzicht dat helderheid tot doel heeft te laten zien hoe ingewikkeld dingen zijn.

Ik kwam hier om na te denken over de verbanden tussen de problemen van Soedan en gebeurtenissen elders. In Khartoem zoeken nieuwe rijkdom en oude armoede naar een balans. Er zijn geen open ramen, nog niet. Er staan alleen hoge muren, die de problemen van het land aan het zicht moeten onttrekken.

De kunst is te leren leven met paradoxen. Mocht kunst een doel hebben, dan is het de mensheid te tonen in al haar tegenstrijdigheden. Daarvoor moeten we helder leren kijken. Misschien zat Spinoza op het juiste spoor met zijn lenzen.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden