Op zoek naar persoonlijke groei

Bezoekers van het Vadercentrum kunnen vaardigheden aanleren waardoor ze zich beter staande kunnen houden. Het recept is eerder beproefd in Moedercentra....

VEEL HEBBEN ze niet met elkaar gemeen, de mannen van het Vadercentrum in Den Haag. Ze komen uit alle windstreken, hebben uiteenlopende ervaringen opgedaan in de Nederlandse samenleving, en zijn zelfs niet allemaal vader. Maar er is ook iets dat hen bindt, zegt coördinator Anita Swaab: ze zijn op zoek naar persoonlijke groei. Die hopen ze te verwezenlijken in een gerenoveerd hoekpand - voorheen een kringloopwinkel - in de Haagse achterstandswijk Laak.

Neem de uit Suriname afkomstige Debipersad. Hij kwam in 1993 alleen, berooid en gehavend naar Nederland. In het Surinaamse leger was hij een been kwijtgeraakt, en daarmee ook alle perspectieven op een prettig bestaan in het eigen land. Van de Nederlandse samenleving verwachtte hij meer compassie met de invalide medemens. Maar dat viel tegen. Met details over de lijdensweg die hij sinds 1993 heeft afgelegd, is hij niet scheutig. Maar de trefwoorden van zijn relaas zeggen genoeg: eenzaamheid, huurachterstand, uitkeringsstop, geen gas en stroom in ijskoude winters en handeltjes in verboden pepmiddelen.

'Maar ik heb nooit gestolen', zegt hij fier. 'Nog geen koekje of blikje cola. Ik ben niet gaan drinken, zelfs niet gaan roken. Dat valt niet mee als je tussen de junks en de alcoholisten moet slapen. Maar mijn geloof en mijn hoop op een betere toekomst hebben mij staande gehouden.'

Anita Swaab, gepokt en gemazeld in het Haagse welzijnswerk, begeleidt de laatste woorden met instemmend geknik. Want met het verleden - hoe traumatisch ook - zijn ze bij het Vadercentrum niet primair bezig. Daar zijn andere instellingen voor. Nee, het Vadercentrum richt zich op de toekomst. Op de wederopbouw. Zielige verhalen zouden bij de buitenstaander een verkeerde indruk kunnen wekken.

Met zijn Vadercentrum heeft de gemeente Den Haag weliswaar een primeur, maar het recept is meermalen beproefd. Het is de masculiene variant op het zogenoemde Moedercentrum: een Duits exportproduct dat in omringende landen gretig aftrek heeft gevonden. Nederland heeft al vijftien van deze centra. Zij voorzien in een zo'n grote behoefte dat er ongetwijfeld meer zullen volgen.

Het Moedercentrum is gesitueerd tussen de arbeidstherapie en de werkelijkheid van de 'echte' baan. De bezoekers van het centrum proberen zich te ontworstelen aan de houdgreep van uitkering of minimuminkomen door vaardigheden op te doen waarmee zich perspectieven openen voor (beter) werk. Ze tekenen niet in voor een bestaand aanbod van opleidingen, maar maken zelf kenbaar bij welk soort bagage zij het meest belang denken te hebben. Het Moedercentrum probeert vervolgens - meestal met succes - in die behoefte te voorzien. Zo leiden de moedercentra kleuterleidsters, kraamverzorgsters en verloskundigen op. Om de investering in de eigen toekomst te kunnen combineren met eventuele zorgtaken, worden de moeders in de gelegenheid gesteld hun kinderen mee te nemen.

Dat ook mannen een doelgroep zouden kunnen vormen van deze 'samen-op-weg'-benadering, ontging de welzijnswerkers volkomen, geeft Anita Swaab toe. 'We hebben lange tijd gedacht: ze redden zich wel. Als dat niet het geval is, zijn ze te trots om hulp te vragen.'

Inmiddels weet zij beter. Het idee van het Haagse raadslid Moutahid (PvdA) om het recept ook eens uit te proberen op de zelfredzame man, bleek in vruchtbare aarde te vallen. Getuige de tientallen vrijwilligers die al sinds het voorjaar dagelijks in de weer zijn om de voormalige kringloopwinkel van het Laakkwartier te transformeren in een Vadercentrum. Aangevuurd door bouwvakkers, voorzien zij het pand aan het Jonckbloetplein van kamertjes waar zij zich, na de voltooiing van het project, in een of ander ambacht zullen bekwamen.

Faris Kulga hoopt er zijn oude vak weer op te pakken: dat van kleermaker. Twintig jaar geleden vestigde hij zich in Nederland, nadat in Turkije zijn textielfabriekje in vlammen was opgegaan. Sindsdien heeft hij een nogal hobbelige loopbaan afgelegd die hem de weinig benijdenswaardige status van 'witte illegaal' heeft bezorgd. In 1998 voegde hij zich bij de hongerstakers in de Agneskerk die legalisering van hun verblijfsstatus wilden afdwingen. Achttien dagen hield hij het vol. Met verwoestende gevolgen voor zijn gezondheid. Zo draagt hij sinds zijn verblijf in de Agneskerk een bril. Een bril met dikke glazen. Want net als veel van zijn medestanders krijgt hij zijn ogen niet meer scherp.

Het resultaat van de hongerstaking stemt hem tot op de dag van heden bitter. Hij mag weliswaar blijven, maar veel van zijn lotgenoten niet. Elf van hen wonen nog steeds in de kerk. Faris gaat nog bijna dagelijks bij hen langs met een hapjespan of een bemoedigend woord.

Ook vanavond zal hij zijn bedevaart maken. Daarmee gaat hij door tot het begrip 'witte illegaal' uit het hedendaags lexicon is verdwenen. Veel illusies over een gelukkige afloop heeft hij niet. De overheid is hardvochtig, en zijn positie is zwak. Een deel van zijn bitterheid geldt de Turkse kleermaker Gümüs - het fatsoenlijke gezicht van de witte illegalen. Gümüs? Ja, legt Faris in gebroken Nederlands uit. De harde lijn die de Nederlandse overheid tegenwoordig tegenover illegalen aan de dag legt, zou een reactie zijn op de (vergeefse) guerrilla die Gümüs eertijds tegen zijn uitzetting heeft gevoerd. Hij had zich, omwille van zijn naamloze lotgenoten, beter op de vlakte kunnen houden.

Gedane zaken nemen geen keer, besluit Anita Swaab in een poging Faris te laten genieten van zijn voorland: een betaalde baan als meester-kleermaker in het Vadercentrum. Faris toont een matte lach, met zijn gedachten is hij nog even in de Agneskerk.

Faris' landgenoot Bilal kijkt zonder wrok terug op zijn dertienjarig verblijf in Nederland. Sterker nog: hij is Nederland als zijn vaderland gaan beschouwen. Niet eens als zijn tweede vaderland, nee: zijn eerste. Hij heeft tot dusverre 'in de tuinbouw' gewerkt, eerst als seizoenarbeider, uiteindelijk als voorman. Met vrijwel alle collega's die in de loop der jaren zijn pad hebben gekruist, heeft hij nog contact. 'Ik voel mij hier gewoon thuis jongen', zegt hij in reactie op het ongeloof van zijn omstanders. 'Of ik ooit terug wil naar Turkije? Misschien twee weken per jaar. Met vakantie.'

Helemaal alleen staat hij niet met zijn Oranje-gevoel. De uit Marokko afkomstige Ali Sbaad geeft toe tijdens de laatste Olympische Spelen ook weleens een lichte euforie te hebben gevoeld bij de aanblik van Nederlandse wapenfeiten. Althans: zolang die niet ten koste gingen van Marokkaanse atleten. De Surinamer Haroen kent deze loyaliteitsproblemen niet. De sportglorie van Nederland, die van de voetballers in het bijzonder, straalt immers af op Suriname. Of moet je het andersom formuleren? Hoe dan ook: als het Nederlands elftal scoort, juicht Haroen.

Wat hij van zijn verblijf in het Vadercentrum verwacht? Hij wil er nog beter leren koken dan hij al doet. 'Een paar jaar geleden kon ik nog niet eens koffie of thee zetten', zegt hij - uitbundig lachend. 'Maar toen mijn vrouw ziek werd, heel erg ziek, toen moest ik wel. Eieren bakken, boodschappen doen, de wc schoonmaken. Nu ben ik dus huisman. Een hele goeie.' Die hoedanigheid deelt hij met zijn landgenoot Jimy. Samen trotseren zij welgemoed het machismo van de Surinaamse samenleving.

Jimy koestert tamelijk bescheiden ambities. Hij is best tevreden met zijn bestaan, maar hij wil graag leren zwemmen. Al was het alleen maar om zijn twee kinderen naar het zwembad te kunnen vergezellen. Met de andere vaders is hij er al een paar keer geweest. In de zomer hebben ze zelfs op het Wad gezeild. Ze zijn er niet erg mededeelzaam over. De voornaamste verdienste van dit uitje naar het hoge noorden was dat zij elkaar goed hebben leren kennen.

Spanningen tussen de mannen doen zich - onderlinge karakterologische en culturele verschillen ten spijt - niet voor, verzekert Swaab. Het Vadercentrum deelt niet in de malaise van de multiculturele samenleving, zoveel is zeker. 'We hebben elkaar over onze religie en onze gewoonten verteld', zegt Swaab. 'Toen we voor het eerst naar het zwembad gingen bijvoorbeeld. Toen hebben we uitvoerig met elkaar besproken hoe dat allemaal moest in de kleedkamer.'

Stof voor de betere mannenpraat leveren dergelijke thema's niet op, erkent Swaab. 'Maar dat is me juist zo ontzettend meegevallen. Ze stellen zich erg open voor elkaar en durven de geijkte patronen te verlaten.' Maar ja, het blijven natuurlijk mannen. Hun behoefte aan ondersteuning komt dan ook op een andere manier tot uiting dan in het Moedercentrum, waar Swaab de kneepjes van het welzijnsvak heeft geleerd. 'Vrouwen laten zich eerder leiden. Mannen ondersteunen elkaar in hun leiderschap.'

Deze 'gezamenlijkheid' komt ook tot uiting in de inrichting van het Vadercentrum. De 'uitstraling' die het geheel moet krijgen is onderwerp geweest van uitvoerige kringgesprekken. Het resultaat is dat alle vertegenwoordigde culturen zichtbaar zullen worden gemaakt in het interieur. De bank in de zitkamer komt uit Marokko, de wandkleden uit Turkije, en er moet ook nog een Friese staartklok op de kop worden getikt. Het ensemble moet een adembenemende aanblik gaan bieden.

Maar voorlopig is het Haagse Vadercentrum nog woest en ledig, en overstemmen freesmachines en klopboren het gemijmer over de dingen die gaan komen. De Turkse kleermaker Faris ziet de toekomst al helemaal voor zich. Hij heeft er enige dichtregels aan gewijd:

Kom op vriend, lopen naar het Vadercen trum,

Waarom wachten wij zolang?

Laten wij lopen, hand in hand,

Dit centrum is van ons allemaal,

Ben jij Turks, Surinaams, Marokkaans of Nederlands,

Dit centrum is van ons allemaal,

Laten we lopen hand in hand.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden