Op zoek naar de Nederlandse identiteit

Dat de huidige belangstelling voor de vaderlandse geschiedenis veel van doen heeft met de crisis die zich de laatste jaren in de Nederlandse samenleving manifesteerde, mag langzamerhand bekend worden verondersteld....

De herintroductie van een historische canon in het geschiedenisonderwijs, waarvoor tegenwoordig veel historici pleiten, moet ook in dat licht worden bezien. Zo'n canon – in feite niets anders dan een verzameling gevestigde waarheden en inzichten waarvan iedereen idealiter enige kennis zou moeten hebben – zal volgens velen bijdragen aan een gemeenschappelijk besef van een gedeeld verleden – voorzover daar althans in een snel internationaliserende samenleving nog sprake van kan zijn. Riskante trekjes heeft zo'n canon echter ook. Want voor je het weet wordt geschiedenis versmald tot één benadering, één enkel verhaal, terwijl er volgens de Leidse emeritus-hoogleraar algemene geschiedenis Peter W. Klein nu juist altijd meerdere versies van de geschiedenis zijn, die met evenveel recht aanspraak op waarheid kunnen maken.

Geschiedschrijving, stelt Klein in zijn 1000 jaar Vaderlandse Geschiedenis, is er trouwens ook helemaal niet om 'de natie samen te binden en te verenigen', maar vooral om 'vragen te stellen en dat telkens weer opnieuw'.

Hoewel de titel doet vermoeden dat de lezer op een chronologisch of systematisch overzicht van de Nederlandse geschiedenis wordt getrakteerd, krijgt hij in feite een opstellenbundel voorgeschoteld waarin uiteenlopende thema's uit de vaderlandse geschiedenis de revue passeren: de grote betekenis van het gewest Holland voor Nederland, de armenzorg van de Middeleeuwen tot de moderne tijd, de overeenkomsten en verschillen tussen het 'landverraad' van de NSB'ers en dat van de, nooit als zodanig beschouwde, patriotten in de laatste jaren van de Republiek, het verlies van Nederlands-Indië.

De rode draad in die opstellen is een grondige afkeer van een instrumenteel, nationalistisch gebruik van de geschiedenis. Naar mijn smaak schiet Klein daarbij soms een beetje door. Zo beweert hij op de ene plaats dat er niet zoiets als een Nederlandse 'nationale identiteit' bestaat, terwijl hij elders juist betoogt dat de Nederlandse jeugd door de eeuwen heen anders, vrijgevochtener vooral, is opgevoed dan die van de omringende landen. Een beter argument voor het bestaan van een eigen, Nederlandse, identiteit is nauwelijks denkbaar: als de jeugd eeuwenlang met eigenaardige gezichtspunten en attitudes wordt grootgebracht, moet dat wel doorklinken in de cultuur van een land .

Ook Han van der Horst (Het beste land van de wereld – Waar komen onze normen en waarden vandaan?), Herman Pleij (Erasmus en het Poldermodel) en Jona Lendering (Polderdenken – De wortels van de Nederlandse overlegcultuur) houden zich in hun boeken bezig met de Nederlandse cultuur en identiteit. Dat doen ze, veel explicieter dan Klein, vanuit een probleemstelling die is ontleend aan de actualiteit: de electorale opstand onder leiding van Pim Fortuyn, de moord op de 'grootste Nederlander' door een milieuactivist, het debat over het 'multiculturele drama', de moord op Theo van Gogh door een moslimextremist en de 'ondergang van het poldermodel'.

Hoewel 'ondergang van het poldermodel'? Herman Pleij, letterkundige en mediëvist, en Jona Lendering, historicus aan de Vrije Universiteit, betogen nu juist dat de Nederlandse 'overlegcultuur' ook in de toekomst een rol zal blijven spelen. Volgens hen is de polder veel meer dan een verzameling contracten en instituties (de verzuiling, de vrijheid van onderwijs, het overlegmodel). Het is, inderdaad, een cultuur. Die wortelt in de mentaliteit van vrije boeren, vissers, kooplieden, steden en gewesten zoals die tijdens de late Middeleeuwen is ontstaan: egalitair, bot, onafhankelijk, spaarzaam, ijverig, vrijgevochten, moralistisch en sektarisch.

Jona Lendering geeft in een chronologisch opgebouwd verhaal een helder overzicht van de geografische, politiekinstitutionele en economische condities die bijdroegen aan de wording van die mentaliteit. Meer dan de andere hier besproken boeken is het zijne geschikt als lesmateriaal, niet in de laatste plaats ook omdat Lendering voortdurend internationale vergelijkingen maakt (met Pruisen, Engeland, Frankrijk) waardoor de eigenaardigheden van de polder in perspectief worden geplaatst.

Pleij betoogt in zijn niet al te best geschreven essay vooral dat het poldermodel niet mag worden 'versmald' tot het permanente streven naar compromissen en pragmatische consensus. Aan de hand van het werk van Erasmus van Rotterdam, de 16de-eeuwse katholiekhumanistische denker, laat hij zien dat strijd en conflict, spot en ridiculisering evenzeer bij de polder horen als het compromis dat daar altijd weer op volgt. In die zin waren Theo van Gogh en Pim Fortuyn volgens Pleij evengoed erfgenamen van het poldermodel als Willem Drees en Willem van Oranje.

Leggen Lendering en Pleij de nadruk op de continuïteit van de polder, Han van der Horst richt zich in Het beste land van de wereld juist op de scheuren die dat bouwwerk is gaan vertonen. Door de globalisering en de immigratie is volgens hem de vanzelfsprekende, voorspelbare 'normaliteit' verloren gegaan die tot een paar decennia geleden karakteristiek was voor het dagelijks leven in Nederland.

Van der Horst laat zich in zijn leesbare boek kennen als een intelligente verdediger van de multiculturele samenleving. Hij verdoezelt de problemen die ermee gepaard gaan bepaald niet, maar wijst er terecht op dat de huidige pogingen om een 'nieuwe normaliteit' te scheppen – door assimilatie, inburgering, een einde aan het gedogen, een beschavingsoffensief – uiteindelijk tekort zullen schieten. Want dat zijn in zijn ogen 19de-eeuwse disciplinerings-en integratiestrategieën, die toen weliswaar een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan het 'samensmeden van de natie', maar die nu niet meer passen bij de culturele diversiteit van de Nederlandse en westerse samenleving.

De kunst is volgens Van der Horst nu juist die nieuwe diversiteit te organiseren, niet door ons 'achter de dijken te verschuilen', maar door er met een open oog voor de wereld 'bovenop te gaan staan'.

Het werkelijke gevaar voor de samenhang in de samenleving schuilt volgens hem ook niet in de voortschrijdende internationalisering – hoeveel problemen die ook met zich meebrengt – maar in een onverschillige levenshouding en -filosofie die vanaf de jaren zestig terrein won in de westerse wereld. Die houding karakteriseert Van der Horst met een verwijzing naar het leven en werk van Markies de Sade (1740-1814) als 'sadistisch', omdat de eigen verlangens en drijfveren worden nagestreefd zonder rekening te houden met de belangen van anderen en die van de gemeenschap.

Over de vraag hoe de geest weer in de fles kan worden gestopt, is hij overigens wat vaag. Maar Jan Peter Balkenende kan tevreden zijn. Van der Horst hamert in zijn prikkelende betoog van de eerste tot de laatste bladzij op normatieve thema's die, zij het wat minder welluidend, ook door de premier aan de orde worden gesteld.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden