Op zijn best als er strijd is

De Amsterdamse PvdA-leider en wethouder Lodewijk Asscher (35) won ruim drie jaar terug het conflict tussen de gemeente Amsterdam en het Rijk over de privatisering van Schiphol, en leerde daarbij het old boys network goed kennen: ‘Zo’n Jan Kalff die door de telefoon begint te schelden.’ Begin februari verschijnt zijn...

De eerste keer dat de dienstauto de straat in reed, ging ik op bezoek bij minister Zalm van Financiën. Het was 27 april 2006. De dag ervoor was ik benoemd tot wethouder. Toen ik instapte, zei de chauffeur: ‘Nee meneer Asscher, dat is mijn deur.’ Niet dat ik op zijn plaats wilde gaan zitten, maar hij stond erop het portier voor mij open te doen. Beroepseer.

Ik was op weg naar mijn vuurdoop. Ik moest Zalm gaan vertellen dat Amsterdam zijn steun aan de beursgang van Schiphol introk. Dat hadden we afgesproken in het programma-akkoord met GroenLinks. Aan mij de taak het de minister mee te delen. Onzekerder of ik het wel kon, wethouder zijn van Amsterdam, heb ik me daarna niet meer gevoeld.

Ik meldde me bij de secretaresse van Zalm, die me vervolgens overdroeg aan een kamerheer, een man in een pak met lange jaspanden die me in een kamertje parkeerde. Ik dacht: wat is dit voor gedoe? Ik heb een afspraak met Zalm, kan ik daar niet gewoon naartoe? Maar ja, hier in het stadhuis werkt het precies zo. Dat wist ik alleen nog niet. Het is ook heel verstandig, die man kan nooit zijn werk doen als iedereen binnen wandelt.

Zalm had zijn huiswerk goed gedaan. Toen ik zijn kamer binnenkwam, zei hij meteen: ‘Zo meneer Asscher, u bent een romanticus. U houdt van Mahler. U komt uit een muzikale familie.’ Hij had de website van de PvdA Amsterdam ondersteboven gekeerd. Zalm is een professional in alles.

Hij was gewend dat Amsterdamse politici een grote mond hebben. Maar ook dat Amsterdam, eenmaal aan tafel bij de minister, een toontje lager zong. Zalm dacht duidelijk: die blaas ik omver. Toen hij in de gaten kreeg dat ik geen krimp gaf, ging hij pushen. De Tweede Kamer had er al mee ingestemd, de Eerste Kamer was een formaliteit. Bovendien had hij een afspraak met mijn voorganger. Zwart op wit.

Ik dacht: laat hem maar praten. Rustig blijven, vriendelijk glimlachen, beleefd blijven. Er stond voor hem veel op het spel. Het was zijn laatste grote ding. Het was indrukwekkend, die grote kamer, zijn reputatie, dat tak, tak, tak, tak, tak – alle feiten op een rijtje. Op een gegeven moment dacht ik: het lijkt wel of jij nerveuzer bent dan ik.

De weken daarna ging Zalm druk uitoefenen via de media. Amsterdam had een typisch links bestuur, een riskant links bestuur dat de economie kapot maakte. We hadden er niets van begrepen. Ook de pers zag dat zo. Politiek verslaggever Frits Wester van RTL Nieuws omschreef het in besloten kring als jeugdpuistjespolitiek.

Het was verschrikkelijk spannend, de druk was groot. Het Financieele Dagblad meldde dat Amsterdam geen geld zou krijgen voor de Zuidas en de Tweede Zeesluis als we niet zouden meewerken aan de privatisering van Schiphol.

Zalm uitte zijn dreigementen nooit rechtstreeks. Hij zei: ‘Lodewijk, je begrijpt dat ik nooit zou dreigen met het intrekken van middelen vanwege het dossier-Schiphol. Dat zou helemaal niet netjes zijn. Maar je begrijpt natuurlijk ook dat ik er niet echt meer mijn best voor ga doen.’ En dan barstte hij in hard lachen uit. Ik zei op mijn beurt dat ik er helemaal niets van begreep.

Gewiekst
Het werd me steeds duidelijker hoe intelligent, volhardend en gewiekst die man is. Ik had mijn secretaresse gezegd dat afspraken met Zalm zo veel mogelijk op de lange baan moesten worden geschoven. Maar zodra er één dag een vervangende secretaresse was, stond er een afspraak met Zalm in mijn agenda. Ambtenaren van het ministerie Financiën stuurden belangrijke brieven over Schiphol als ik vakantie had, en probeerden er afspraken aan te koppelen met een vervangende wethouder.

Allerlei mensen begonnen zich ertegenaan te bemoeien. Wilco Jiskoot, die bij ABN Amro jarenlang aan de lopende band grote bedrijven naar de beurs had gebracht, kwam vertellen dat de beursgang onvermijdelijk was. Ik zie hem nog zitten op de bank in mijn werkkamer. Minzaam glimlachend informeerde hij naar mijn ambities voor na de politiek.

Jan Kalff, voorzitter van de raad van commissarissen van Schiphol, belde vanuit zijn auto. Hij was woest. ’Meneer Asscher, ik heb in 27 jaar bedrijfsleven nog nooit zoiets schandelijks meegemaakt. U hebt geen idee wat voor schade u aanricht bij het bedrijf Schiphol.’

Anderen kwamen naar het stadhuis om hun verhaal te doen. Pieter Verboom, de hoogste financiële man van Schiphol, ontplofte aan mijn tafel. Het grappige is dat ik lang heb gedacht dat er op een dag iemand zou langskomen die me zou kunnen overtuigen van het nut van een beursgang. Lang dacht ik: die mannen zijn stuk voor stuk 100 miljoen euro waard, dat kán toch niet zomaar zijn.

Alle presentaties vielen tegen. Ja, het zou geld opleveren, Amsterdam zou er 200 miljoen euro aan hebben verdiend, maar je kunt je aandelen maar één keer verkopen. Niemand kwam verder dan een verhaal over de tucht van de markt. En voor het personeel zou het ook veel leuker zijn om voor een beursgenoteerde onderneming te werken.

Maar wat zou het betekenen voor onze economie? Voor de Amsterdammers? Voor de inwoners van de omringende gemeenten? Het is nu al moeilijk genoeg om de geluidsoverlast, de groei en het aantal vliegbewegingen binnen de perken te houden. Hoe kan een geprivatiseerde luchthaven én meer geld én een efficiënter bedrijf opleveren?

Ik maakte kennis met het grootkapitaal. Het old boys network dat de dienst uitmaakt. De minachting en de onderschatting van de politiek die dat netwerk uitstraalt, vond ik schokkend. Dat is slecht voor het land. Ze dachten allemaal: ach, een vlieg op de neus, even wegjagen.’

Zo’n Jan Kalff die door de telefoon begint te schelden. Alsof hij tegen een ondergeschikte vijfde rang even uitlegde hoe het werkt in de grote zakenwereld. Dat is toch de houding in dat wereldje.

Ik heb dat wel vaker meegemaakt. In de tijd dat ABN Amro vocht voor zijn voortbestaan, had ik iets gezegd over de risico’s die werden genomen met een Amsterdams bedrijf. De volgende ochtend hing Rijkman Groenink aan de lijn, terwijl hij volgens mij in die tijd wel wat beters te doen had. Bent u econoom?, vroeg hij. Ik zeg: nee. Hij: dat dacht ik al. Ging hij even uitleggen wat ik niet goed deed. Dan denk ik: vind je het gek dat jullie aanzien hier en daar wat kreukels vertoont.

De belangen bij een Schipholbeursgang zijn enorm. Van de private sector, van de bankwereld. Ook van de politiek. Op een gegeven moment mag dat niet meer worden gestopt. Er zit zo veel geld in. Zo veel politiek kapitaal en echt kapitaal dat de afwegingen erdoor worden vertroebeld. Het is een risico als die netwerken zo nauw zijn verweven. Daar ben ik van geschrokken. Ik ben er linkser van geworden.

Uiteindelijk kreeg ik een topambtenaar van Zalm op bezoek. Ietwat beschroomd vroeg hij of er niet toch een mogelijkheid was om te bewegen. ‘De minister zit er heel persoonlijk in. Het zou een vreselijke teleurstelling zijn als hij aan het einde van zo prachtige carrière dit niet voor elkaar krijgt. Hij is er al jaren mee bezig.’

Kort daarna werd ik een laatste keer ontboden op het ministerie. Na vijf minuten riep Zalm de kamerheer, die ik een half jaar eerder voor het eerst had gezien, en liet een fles whisky brengen. ‘Laten we er maar een borrel op drinken’, zei de minister. Het was 3 uur ’s middags. ‘Op Fidel Castro aan de Amstel.’

Na zijn nederlaag ging Zalm in beroep. Een minister kan een besluit van een lokale gemeente vernietigen. De rechter moest er een uitspraak over doen. Zo ver kwam het niet. Het kabinet viel in de zomer van 2006 en in het nieuwe regeerakkoord werd opgenomen dat de beursgang van Schiphol van de baan was.

Uit de anonimiteit
Mijn vader schrok toen ik de politiek in wilde. Omdat het me uit de anonimiteit zou halen. En anonimiteit beschermt. De oorlog heeft diepe sporen getrokken door mijn familie. Mijn grootouders zijn overlevenden van Bergen-Belsen, mijn vader is als baby ondergedoken en kwam als kleuter weer bij zijn ouders, die hij niet kende. Op school las hij over de voorzitter van de Joodsche Raad, zijn grootvader, die ook Abraham Asscher heette.

Mijn overgrootvader is veel verweten. Na de oorlog werd het de leden van de Joodsche Raad zwaar aangerekend dat ze hadden bijgedragen aan het lot van de Amsterdamse Joden. Vooral het feit dat de Joodsche Raad het persoonsarchief aan de Duitsers had overhandigd, telde zwaar.

Ik heb er veel over gepraat met mijn grootvader en mijn vader. Mijn grootvader sprak er afstandelijk over, hij heeft zijn vader altijd verdedigd. Die emotie, die behoefte kan ik goed begrijpen. Ik heb de verhoren met mijn overgrootvader gelezen. Mijn vermoeden is dat het niet een heel slechte man was, maar wel naïef. Naïef en ijdel. Hij dacht dat hij de Joodse Amsterdammers kon beschermen door het contact met de bezetter goed te houden, maar de gevolgen waren verschrikkelijk.

De betekenis ervan voor mij is vooral de opdracht om te proberen dat ik altijd mijn eigen oordeel moet vormen. Altijd beredeneren, wat mijn standpunt is, desnoods tien keer opnieuw. Als je een goed mens wilt zijn, moet je voor je oordelen kunnen staan. Dat is de les die ik eruit probeer te trekken.

Ik ben gefascineerd door het contrast tussen makkelijke en moeilijke keuzen. De ultieme opdracht voor de politiek is je telkens afvragen of je niet de gemakkelijkste weg kiest. Ga niet voor het makkelijke scoren. Probeer je te disciplineren. Organiseer tegenspraak.

Ik ben niet het jongetje dat alles goed wil maken. Mijn drijfveren zitten dieper. Het jongetje dat alles goed wil maken, stelt zijn leven in het teken van het compenseren van wat er toen is gebeurd. Het prachtige gedicht van Ischa Meijer daarover hoort bij die generatie. Ik ben dat jongetje niet, ik ben van een generatie later.

Iets van het schuldgevoel van de overlevenden is wel doorgesijpeld. Het gevoel dat je in je leven Het klinkt bijna te zwaar dat je moet laten zien dat het de moeite waard is dat je er bent. Het is niet vanzelfsprekend dat ik ben opgegroeid in vrede en veiligheid. Daar moet ik iets mee doen. De overlevenden van de oorlog hebben zich vaak afgevraagd: waarom ik? Dat heb ik natuurlijk niet, maar ik ben wel doordrongen van het besef dat het allemaal niet zo vanzelfsprekend is. Daarom vind ik dat je keihard moet werken.

Tot gek wordens toe
Onze samenleving is complex, als wethouder zit je er tot gek wordens toe middenin. Ik kan vier jaar lang elke dag vullen met belangwekkende bestuurlijke overleggen van de G2 tot en met de G40, dat zijn bijeenkomsten met 2 tot 40 gemeenten. Je kunt regionaal overleggen, subregionaal, bovenregionaal. Er zijn stuurgroepen, werkgroepen, derde tranche, vierde tranche, dat zijn fases in de uitvoering van beleid – daar kun je nog moe van worden ook en je hebt geen snars bereikt. We vergaderen ons suf – het is ongekend.

Ik wil daar uitbreken. Het lukt lang niet altijd. Je hebt verplichtingen, je moet een beetje fatsoenlijk zijn tegenover anderen, ik kan niet zeggen: ik vergader niet. Het zijn allemaal belangrijke dingen met belangrijke mensen. Dat is vaak het criterium: belangrijk onderwerp, veel geld, veel mensen. Daar moet je naartoe. Mijn criterium is: wat kan ik daar bereiken? Wie heeft er wat aan dat ik aanschuif? Daar komt vaak geen antwoord op.

Weet je wat ook zo vermoeiend is? Competentiestrijd. De discussie: daar ga jij niet over. Of: de procedure klopt niet. Dan denk ik: kunnen we daar niet in één keer overheen springen? Dan kunnen we het hebben over hoe we het probleem aanpakken.

Mijn strategie is om vijf dingen tegelijkertijd uit te proberen. Dan maar tegen een conflict aanlopen. Ik zou het niet uit kunnen staan dat ik straks wegga en tot de conclusie moet komen: voor mij tien anderen, het heeft niks uit gemaakt. Ik oog geduldig, maar ik ben heel ongeduldig. Ik heb haast, morgen kan het voorbij zijn.

Ik ben op mijn best als er strijd is. Strijd tegen onrecht. Strijd in de meest klassieke zin van het woord. Niet het spel, de strijd. Ik ben wat dat betreft zwaar op de hand. Ik heb liever dat ik ploeter en vecht tegen onrecht, dan dat ik een mooi spel speel en win. Kinderen in de verdrukking, slachtoffers van vrouwenhandel – dan heb ik veel energie en creativiteit om er wat tegen te doen.

Ik kom ze vaak tegen, bestuurders die het hebben over de derde tranche in plaats van te zeggen: dit is het probleem, dat is de oplossing, we moeten het zo aanpakken. Je moet de stad niet als een technocraat managen. Ik vind dat walgelijk. Door dat soort bestuurders blijven kiezers weg. Politiek is niet moreel neutraal, politiek is je idealen najagen.

Het klopt dat juist veel PvdA’ers wordt verweten dat ze technocraten zijn. Een bestuurderspartij heeft de producten daarvan, sommigen kunnen alleen nog maar denken als bestuurder. Maar ik kom ook veel partijgenoten tegen die hunkeren naar idealisme. Veel van mijn generatiegenoten hebben dit vak niet gekozen omdat ze het carrièretechnisch handig vinden. Er zitten zo veel risico’s aan, waarom zou je?

Vier van de vijf doordeweekse dagen ga ik tussendoor naar huis. Samen eten, mijn kinderen in bed leggen. Dat relativeert de politiek. Als ik thuis ben, glijdt alles van me af. Vrijdagmiddag ben ik altijd met de jongens, dan haal ik ze van de crèche. Heb ik nog nooit afgezegd. Ik heb één keer de ochtend genomen in plaats van de middag. Daar rust ik geweldig van uit. Er zijn altijd belangrijke dingen en belangrijke mensen, maar dit gaat voor.

Als je moe bent of als het even te goed gaat, sluipt er arrogantie in, ben je niet meer empatisch tegenover mensen met wie je werkt. Als ik me daarop betrap, heb ik een hekel aan mezelf. De mensen met wie ik werk, wijzen me daarop. En anders mijn vrouw wel, zij is het meest kritisch van allemaal. En goede vrienden die zeggen: wat was dat voor een raar optreden?

Ik zit in een rare wereld. Het komt voor dat mensen overmatig veel complimenten uitdelen. Als je dan niet genoeg uitgerust bent, kun je er zomaar in gaan geloven. Dat is een gevaar in dit vak.

Ik was 31 toen ik wethouder werd, ik heb gigantisch op mijn tenen moeten lopen. Er valt nog een hoop te leren. Ik toon soms te weinig emotie, al gaat het steeds beter. Ik vind het moeilijk om op de Bühne emotie te tonen. Ik ben er beter in als ik direct met mensen praat. Hoeveel durf je bloot te geven? Ik wil mijn eigen wereld beschermen, ook om fris te blijven. Maar ik wil ook vertellen wie ik ben. Dat hoort bij mijn bestaan als politicus. Daar worstel ik mee.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden