Op weg naar vroeger

Redacteur

SANDER VAN WALSUM en HASIB MOUKADDIM

De worsteling

Sander van Walsum

Ik was een liefhebber van de multiculturele samenleving voordat die zo heette. Dan heb je het - in dit geval - over de vroege jaren zeventig. Op mijn middelbare school, in Doorn, werd de multiculturele samenleving belichaamd door een broer en zus van Surinaamse afkomst. Zij konden zich niet op het onderwijs concentreren als het buiten sneeuwde. Verder liep er nog een rijzige jongen met kroeshaar rond, maar die werd om de een of andere reden niet als allochtoon ervaren, nog afgezien van het feit dat ook dat begrip toen nog niet bestond. En dan had je Patty Moorman, een uitwisselingsstudent uit Florida die alle hoogmoedige vooroordelen over de Verenigde Staten bevestigde. Gelukkig maar. Want op een bepaalde leeftijd vind je het nog niet prettig om van de stereotypen in je wereldbeeld te worden beroofd.

De buitenwereld werd niet op afstand gehouden. Integendeel. In de wereldwinkel in het dorpscentrum kon je prijzige maar exotische vazen, kleedjes, wandversieringen, sculpturen en lekkernijen kopen. En de aardrijkskundedocent bracht de laatste drie maanden voor de zomervakantie geregeld zijn filmprojector met 10-millimeterfilms in stelling om zijn leerlingen kennis te laten nemen van andere culturen. Daarbij werden zij er ten overvloede aan herinnerd dat het Westen op zijn minst medeschuldig was aan ongeveer alle misstanden in de postkoloniale wereld.

Bij geschiedenis en godsdienst - dat vak had je toen nog - ging het geregeld over niet-westerse religies, dus ook over de islam. Wat mij van het islamonderwijs nog heugt, is dat botte kruisvaarders een cultuur bestreden die in veel opzichten superieur was aan de onze en dat je destijds als krijgsgevangene beter in handen van moslimkrijgers kon vallen dan in die van de kruisvaarders - mits je je bekeerde, dat dan weer wel.

Mijn ouders kwamen enthousiast terug van hun vakanties in het toenmalige Joegoslavië of Turkije met grammofoonplaten met folkloristische jengelmuziek, dia's van sierlijke minaretten en bebaarde mannen op muilezels, nep-antieke gebruiksvoorwerpen en verhalen over ontvangsten in Turkse dorpjes. De buikloop die daar vaak op volgde, deed niets af aan hun waardering voor de ondervonden gastvrijheid. Die was zo overweldigend, dat mijn ouders - in een poging hun vakantieherinneringen te reanimeren - op gezette tijden gingen eten in het enige Turkse eethuis in Utrecht, in een straatje waar je niet dood aangetroffen wilde worden. De overige clientèle bestond uit mannen met snorren die hen bemoedigend toelachten en die hun mierzoete drankjes aanboden.

Hoewel het mij later als inwoner van Utrecht niet ontging dat de stad gestaag van kleur veranderde en dat dit proces soms met overlast gepaard ging, had ik niet het gevoel dat Hans Janmaat en zijn CentrumDemocraten, de voorgangers van Geert Wilders en de PVV, een reëel probleem aan de orde stelden. Wel liet hun marginaliteit zien hoe immuun wij, Nederlanders, wel niet waren voor xenofobie en fascisme. Want dat Hans Janmaat een fascist was, dat stond wel vast. Zelfs voor de habitués van het politieke midden, waartoe ikzelf ook behoorde.

Onze nationale voortreffelijkheid konden we ook nog scherpen aan onze oosterburen. Met een grimmig genoegen stuurden 1,2 miljoen Nederlanders een voorgedrukte kaart met het opschrift 'ik ben woedend' naar de bondskanselier als reactie op de brandstichting in een door Turken bewoond huis (waarbij vijf mensen om het leven kwamen). De vraag is of ze hiermee lucht gaven aan hun oprechte bezorgdheid over de herrijzenis van extreem-rechts in Duitsland. Waarschijnlijker is dat de meeste afzenders wilden laten zien dat zij zelf wél deugden.

Deze zelfgenoegzaamheid werd collectief beleden. Iedereen wilde horen bij de vijftien miljoen mensen die in de gelijknamige hitsingle werden gelauwerd. Dat gold uiteraard ook voor de migranten. En waarom zouden ze niet bij ons willen horen en zich hier thuisvoelen? Alles was hier tenslotte mooi op orde. En wij waren altijd zo aardig voor hen geweest. Getuige alleen al de folders in zes talen waarin Amsterdammers uit alle windstreken op hun sociale rechten werden geattendeerd.

Grote bek

Maar de lucht betrok onverhoeds. Aan de oevers van de recreatieplas amuseerden badgasten die voor het gemak opeens collectief als 'Marokkanen' werden aangeduid zich ten koste van hun mederecreanten. En ze lieten ook veel rommel achter. Wie er wat van zei, kreeg een grote bek. In een onwelluidende variant van het Nederlands. Iedereen had ineens soortgelijke ervaringen. Verderop in de straat was ingebroken. Vast Marokkanen. Op de school van de kinderen lieten Marokkaanse leerlingen en hun ouders verstek gaan bij de kerstviering en bij ons mooie sinterklaasfeest. Op ouderavonden verschenen ze ook niet. De andere ouders spraken er eerst aarzelend hun verbazing over uit, maar uitten zich gaandeweg steeds ongeremder. Ze voelden zich afgewezen. Hun goede bedoelingen werden miskend.

Maar het multiculturele drama, zoals Paul Scheffer het noemde, voltrok zich toch grotendeels buiten mijn eigen blikveld. Zelf kende ik de mensen niet om wie het ging. Op mijn werk kwam ik er weleens een tegen. Ze bezorgden pakketjes of sopten bij het vallen van de avond je bureau af. Uiteraard groette je hen vriendelijk. Misschien nog wel vriendelijker dan hun Nederlandse collega's, want dat was je zo gewend.

Mijn privéwerkster was een Nederlandse. Zij was getrouwd geweest met een Marokkaan, de vader van haar twee kinderen. Ze had het multiculturele drama letterlijk aan den lijve ondervonden. Toch meende ik haar tot terughoudendheid te moeten manen als ze de gewelddadigheid van haar ex-man met diens culturele achtergrond in verband bracht. 'Kom Bianca, dat kun je zo niet zeggen.' Van 2004 tot 2009 woonde ik in Berlijn. Een van de talrijke attracties van dit intermezzo was het ontbreken van de multiculturele samenleving als allesoverheersend thema.

Wij, buitenlandse correspondenten, brachten dit werktuigelijk - en een beetje hoogmoedig - in verband met 'politieke correctheid'. Het zou, meende ik met de Nederlandse bevindingen in het achterhoofd, niet lang duren voordat er ook in Duitsland een Fortuyn-revolte zou komen. En zo'n ontwikkeling leek me ook heilzaam. Want de ressentimenten waaraan Fortuyn appelleerde, waren er in Duitsland wel degelijk. Ze konden dus maar beter zichtbaar worden gemaakt.

Na terugkeer in Nederland ben ik mij echter gaan afvragen of we Duitsland wel zo'n eruptie zouden moeten toewensen. Wij, Nederlanders, hebben er betrekkelijk weinig plezier aan beleefd. De stemming in het land is er een jaar of tien behoorlijk door verziekt geweest. En de samenleving is er niet door geheeld. Integendeel: het wantrouwen tussen Nederlanders met een verschillende culturele achtergrond is geïnstitutionaliseerd. Ze weten onderhand niet beter meer en zijn zich ernaar gaan gedragen.

Zo kan het gebeuren dat een Marokkaanse modelleerling in de klas van mijn vrouw, die wiskunde doceert op een middelbare school, niet tegen zijn mentor durfde vertellen dat hij stelselmatig door een van zijn klasgenoten werd gepest. Door ervaring wijs geworden ging hij ervan uit dat hij toch niet zou worden geloofd. Omgekeerd word ik in onze huidige woonplaats, Haarlem, geregeld zonder enige aanleiding uitgescholden door de usual suspects. Onlangs passeerde ik twee van hen bij een avondwandeling. Ik sloeg geen acht op hen tot ze mij aanspraken - in dat taaltje waaraan ik maar niet kan wennen. 'Je zult wel denken', zei een van hen, 'het zijn Marokkanen, dus ze zullen wel bezig zijn met een autokraak.' Ze stonden tegen een auto geleund. 'Ik was eigenlijk niet zo met jullie bezig', luidde ongeveer mijn antwoord. Hetgeen voor een van de twee reden was om onder de uiting van verwensingen met zijn neus tegen de mijne te gaan staan. Zijn kompaan weerhield hem ervan mij de aangezegde verwondingen toe te brengen, maar in al zijn alledaagsheid laat zo'n voorval je toch niet onverschillig.

Na de gewelddadige dood van grensrechter Richard Nieuwenhuizen verschafte GeenStijl betrekkelijk snel duidelijkheid over de achtergrond van de daders: het waren Marokkanen. Enerzijds wekte dit geen verbazing. Anderzijds maakte zich een zekere moedeloosheid van mij meester, zeker toen de terughoudendheid van de meeste kranten om de daders te noemen in verband werd gebracht met zelfcensuur. We hebben dit het afgelopen decennium al zo vaak gehoord en het heeft ons zo bitter weinig gebracht.

Natuurlijk doet het ertoe wie de daders zijn. Daarin stelden we in de zaak Marianne Vaatstra tenslotte ook belang. Maar de daders hebben hun misdrijf kunnen plegen in een rechtsvrije ruimte waar sociale controle en zelfbeheersing uit de mode zijn geraakt. Dat is toch vooral een probleem van de Nederlandse samenleving als geheel: we hebben geleerd elke autoriteit te wantrouwen en we aanvaarden geen sancties en correcties meer. De belagers van Richard Nieuwenhuizen zijn exponenten van een gangbare mentaliteit.

'Hoe was het in Nederland voordat de Marokkanen hier waren?', vroeg mijn jongste zoon onlangs, nadat hij door een aantal van hen van een naburige speelplaats was verjaagd. Hij leek te veronderstellen dat hier destijds paradijselijke toestanden heersten. Een eerlijk antwoord had ik niet meteen paraat. Want naar mijn overtuiging wás Nederland voor de komst van de Marokkanen een beter land dan het nu is. Het causaal verband dat mijn zoon veronderstelde, ontbreekt echter. Zij kwamen in het land dat zich net had ontdaan van huisregels en van zijn protestants-christelijke Leitkultur. Dat land was buitengewoon slecht toegerust voor de integratie van nieuwkomers.

Aan die vaak gedane vaststelling hebben we nu niet meer zoveel. Groepen die niet voor elkaars nabuurschap hebben gekozen en die elkaar niet kennen, moeten toch met elkaar verder. Omdat ik, als Nederlander die zich soms niet meer thuis voelt in zijn land, wilde weten hoe daar in Marokkaans-Nederlandse kring over wordt gedacht, richtte ik deze zomer een e-mail aan het Samenwerkingsverband van Marokkaanse Nederlanders (SMN). 'Wat hebben we verkeerd gedaan?', vroeg ik vertwijfeld in die mail. 'Waar eindigt de verantwoordelijkheid van de 'autochtone Nederlanders' en waar begint die van de 'allochtonen'? En bovenal: hoe kan dit weer een prettig land worden voor iedereen die er wil wonen?'

SMN-directeur Hasib Moukaddim antwoordde per omgaande. De uitwisseling van e-mails leidde tot een ontmoeting en deze ontmoeting leidde tot het idee om volgens het 'he said, she said'-principe hetzelfde proces vanuit twee - persoonlijke - perspectieven te beschrijven.

De reactie

Hasib Moukaddim

Ik ben nooit een liefhebber van de multiculturele samenleving geweest. Althans niet sinds het moment dat die zo is gaan heten en mij als Marokkaanse Nederlander in een afhankelijk en negatief daglicht stelde. Het is allemaal zo ingewikkeld geworden sinds migranten, allochtonen zo u wilt, onderwerp werden van maatschappelijk debat.

Ik kan mij herinneren dat ik op de middelbare school, begin jaren negentig, nog gewoon een buitenlander was. En daar voelde ik mij prettig bij. In mijn opvoeding kreeg ik mee dat Nederland niet mijn land was. Ik was Marokkaan en mijn 'roots' lagen een stuk verder zuidwaarts. Dat was duidelijk, helder en vooral ook rustgevend. Mijn buurman echter, een wijze man van in de 70 die ik 'opa' noemde, vertelde mij dat ik vroeg of laat Nederlander zou worden. Die uitspraak raakte mij als Marokkaanse puber diep.

Nederland was mijn land, want ik woonde er, maar tegelijk was het mijn land ook niet. Ik was de zoon van een migrant die in de jaren zestig naar Nederland kwam om te werken. Altijd met de bedoeling om terug te keren, al vervloog die intentie met de jaren.

Het verblijf in Nederland werd met de jaren verwarrender. Ik was gewend aan strakke en duidelijke normen thuis. Mijn ouders waren de baas, hadden altijd het laatste woord en met hen ging je niet in discussie. 'Respect' was het sleutelbegrip. Op school en in de buurt golden heel andere regels. Mijn leraar mocht ik bij de voornaam noemen en met mijn buurman mocht ik wel in discussie.

Ik had een sterk gevoel van 'vrijheid, blijheid' waar ik erg op gesteld ben geraakt, maar wat ik ook niet echt begreep. Ik hoefde geen respect op te brengen voor mijn leraar, althans, zo voelde het. Ik had twee soorten gedragspatronen. Eentje voor de Nederlanders en eentje voor de 'eigen' Marokkanen. Ik dacht het goed opgelost te hebben, tot bleek dat ik het voor niemand meer goed kon doen. Ik was niet vrij genoeg voor Nederlanders, maar te vrij voor mijn ouders die wilden dat ik me gedroeg als een 'goede' Marokkaan.

Geprezen

Midden jaren negentig verschenen de eerste onderzoeken waaruit bleek dat Marokkaanse leerlingen het slecht deden op school. Op de Hogeschool in Deventer behoorde ik tot een kleine minderheid. Het was volgens mijn omgeving bijzonder dat ik het zo ver had geschopt. Soms werd ik zo nadrukkelijk geprezen, dat ik mij argwanend afvroeg of al die mensen nou echt zo weinig van mij verwachtten. Het was toen nog 'not done' om kritiek te uiten op migranten. In mijn jongere jaren maakte ik daar geregeld misbruik van door om het minst of geringste 'discriminatie!' te roepen. Het bracht een ongemakkelijke en zalvende reactie teweeg bij de Nederlander.

Tot het geduld van de Nederlandse samenleving op raakte. Nederlanders gingen zich steeds vaker bedienen van een taal en een toon die lang taboe waren. Ik werd opeens aangesproken op gedrag van andere Marokkaanse jongens. 'Waarom doen jullie zo?', was dan de vraag. 'Jullie?!', reageerde ik vaak verongelijkt. 'Nee, jij niet, jij bent een goede Marokkaan.'

Daar begon het fundamenteel verkeerd te lopen. Waar ik eerder als individu door het leven ging, was ik opeens een cultureel groepsproduct. Ik was plotseling een drager van andermans mislukkingen. Het ging om 'die Marokkanen'. Het voelde als een vorm van depersonalisatie. Ik, als persoon, deed er niet meer toe. Het ging alleen nog maar over het beeld dat ik opriep bij Nederlanders. De kracht van de herhaling leidde zelfs tot twijfel bij mijzelf. Ik werd zenuwachtig als er op het nieuws een bericht kwam van vernieling, mishandeling of zelfs moord. Ik had steeds de verkrampte hoop en wens dat de dader geen Marokkaan was.

Sander van Walsum vraagt zich af wat de Nederlanders verkeerd hebben gedaan. Nou, dit blindstaren dus. De nuance, waar polderend Nederland nou net zo goed in was, is ten prooi gevallen aan het gemak van generalisaties en stereotypen.

Na het doodtrappen van de grensrechter in Almere door drie jongens werd er in Nederland stilzwijgend gespeculeerd, en zelfs gezocht, naar de etniciteit van de daders. De kwaliteitsmedia gaven ditmaal het goede voorbeeld door de etniciteit achterwege te laten. Eenmaal bekend, werd het toch een Marokkanenprobleem genoemd. Ik vraag mij dan af wat ik als Marokkaan verkeerd heb gedaan? Wat moet ik anders doen, om te voorkomen dat idioten aan de andere kant van Nederland, die ik niet ken, opnieuw iets walgelijks doen? Ben ik een slechte opvoeder omdat ik tot dezelfde gemeenschap behoor als die schoften? Onlangs is een Nederlandse jongen veroordeeld tot 3 jaar gevangenisstraf voor het doodtrappen van een toeschouwer langs het veld. Dat was blijkbaar geen 'Nederlands' probleem, maar een sportprobleem. Ik probeer mijn sarcasme achterwege te laten. Etniciteit verklaart niets, evenmin zal het generaliseren van dit soort ellendige incidenten mij als Marokkaanse Nederlander verder helpen in deze samenleving.

En toch zijn de Hollandse luiken de afgelopen jaren dichtgegaan en is het beeld van de migrant vernauwd. De migrant is gereduceerd tot een aantal (negatieve) eigenschappen waardoor de mens erachter vervaagd is en niet meer wordt gezien.

Van haar kant heeft de Marokkaanse gemeenschap jarenlang verzuimd aan te geven met welke mores zij moeite had. Zo werd het mij verboden vrienden te hebben die alcohol dronken. Als er over Christus werd gesproken, moest ik mijn mond houden. Als er bloot op tv werd getoond, grepen mijn ouders naar de afstandbediening. De Nederlandse cultuur verloederde en daar mocht ik mij niet te veel in mengen. Hoe vaak ik mijn ouders wel niet heb horen zeggen dat Nederland veranderd is en dat het vroeger veel beter was.

Was Nederland vroeger een fijner land om in te leven? Ik denk het wel. Het verleden wordt geromantiseerd, maar ook ik kan mij niet aan nostalgie onttrekken. De dagen dat de melkboer nog langs reed en ik, zonder te betalen, een halfje casino en melk mocht meenemen, herinner ik mij met weemoed. Mijn vader zou later wel afrekenen. Diezelfde melkboer zette de boodschappen en het wisselgeld bij de buren voor de deur neer, waar die bleven staan tot ze thuiskwamen.

De tijd dat nabuurschap niet afhing van cultuur of etniciteit, maar gebaseerd was op vertrouwen, integriteit en wederkerigheid. Het doet pijn te lezen dat Nederland een nog beter land was voordat de Marokkanen er waren. Ik trof een samenleving aan die tolerant, warm en gastvrij was voor mensen die bereid waren hard te werken. Nu leef ik in een land dat verzuurd is, bekoeld en zich rigide opstelt tegenover mij en mijn generatiegenoten omdat er geen vertrouwen is.

Sander van Walsum vraagt ook waar de verantwoordelijkheid van de 'autochtonen' eindigt en die van de 'allochtonen' begint. Het is moeilijk precies te bepalen, maar de verantwoordelijkheid van de Nederlanders ligt volgens mij hoofdzakelijk in het bieden van gelijke kansen voor nieuwkomers om zich te kunnen verheffen in de samenleving, met als uitgangspunt dat een ieder op zijn eigen merites wordt beoordeeld.

Migranten op hun beurt hebben de verantwoordelijkheid aansluiting te zoeken bij de Nederlandse samenleving. Om zo ver mogelijk te komen. Daarvoor is ook een belangrijke stap nodig. Ze moeten erkennen dat Nederland het thuisland is waar onze kinderen zullen opgroeien en daarmee te accepteren dat ze zich moeten verhouden tot de heersende cultuur. Aanpassen waar nodig en eigen vorm geven waar mogelijk.

Het is niet reëel te verwachten dat Nederland ruimte maakt voor alle principes en overtuigingen die worden meegebracht. Daar moeten wij niet krampachtig over doen. Het is niet raar dat men in Nederland moeite heeft met het weigeren van een hand.

Ik kan mij ergeren als moslims weigeren steeds opnieuw uit te leggen dat je tijdens de ramadan niet alleen niets mag eten, maar ook niets mag drinken. De verongelijktheid vind ik misplaatst. Ik vraag mij af hoeveel Marokkaanse jongeren weten wat er met Pasen wordt gevierd. Of met Pinksteren, terwijl men dat op school minstens twaalf keer heeft gevierd.

Maar Nederlanders zouden de principes en overtuigingen van andersdenkenden niet bij voorbaat abject moeten vinden omdat ze niet passen bij de Hollandse mores. Als Nederlanders zichzelf de vrijheid gunnen om vorm te geven aan meningen, overtuigingen en geloof, waarom dan niet aan anderen? Het gaat om de intentie en de inzet om te komen tot een verstandhouding. We kunnen niet zomaar even bepalen waar voor de een de verantwoordelijkheid begint of eindigt. Het gaat om de wisselwerking en afstemming.

Het integratiedebat is jarenlang op een verkeerd platform gevoerd. Het heeft niets anders bereikt dan verwijdering. Het debat moet vanaf nu gevoerd worden daar waar het hoort en verschil kan maken: thuis, in de buurt, in de wijk en op school. Daar waar mensen gewone individuen zijn en aangesproken kunnen worden op hun bijdragen en verantwoordelijkheid. Met wat mij betreft de volgende centrale vraag: hoe gaan wij weer rekening met elkaar wíllen houden?

PROFIEL

Sander van Walsum

De historicus Sander van Walsum (1957) is chef van de redactie Opinie van de Volkskrant. Van 2004 tot 2009 was hij voor deze krant correspondent in Berlijn. Eerder was hij hoofredacteur van het Utrechts Universiteitsblad, verslaggever bij Elsevier en redacteur Binnenland bij NRC Handelsblad.

Hasib Moukaddim

Naast directeur van het Samenwerkingsverband van Marokkaanse Nederlanders is Hasib Moukaddim (1978) docent in onder meer politicologie en interculturele communicatie op de Hogeschool Windesheim in Almere. Hij studeerde psycho-diagnostiek en sociaal culturele wetenschappen.

undefined

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden