Op weg naar een nieuwe samenleving

HET GELOOF in een andere, betere wereld, een harmonieuze samenleving, niet als fictie of als religieuze projectie, maar als een ideaal dat morgen door de mens kan worden afgedwongen, is nog maar zo oud als de moderne geschiedenis....

Dit is, kort gezegd, de rode draad in het jongste jaarboek van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, uitgegeven onder de titel Utopie - Utopisch denken, doen en bouwen in de twintigste eeuw.

'Utopie' en 'utopisch bewustzijn' vormen een geschikt vertrekpunt voor een jaarboek van een instituut dat zich bezighoudt met de meest dramatische episodes uit de moderne geschiedenis. De oorlogen en dictaturen van de afgelopen eeuw zijn immers voor een belangrijk deel te herleiden tot het verlangen van de moderne mens de toekomst - en de geschiedenis - naar zijn hand te zetten.

De verwachtingen die de titel schept, worden in het jaarboek ook waargemaakt: dankzij de redactie, geleid door de jonge historicus en filosoof Luuk van Middelaar, is het, gemeten naar intellectuele diepgang en thematische verscheidenheid, een bijzonder rijk boek geworden.

De variëteit komt ook tot uitdrukking in de vorm van de bijdragen. Naast gedegen overzichtsartikelen en casestudies bevat de bundel een interview en een foto-essay, en verder een tiental 'vignetten', een soort miniatuurartikelen, over intrigerende onderwerpen als Het Paleis van de Sovjets, dat de plaats zou innemen van de door Stalin opgeblazen Kathedraal van de Verlosser, het Communehuis van Ivan Kuzmin, gemodelleerd naar het leven van de nieuwe Sovjet-mens, en de Kathedraal van Licht die Albert Speer in 1937 met behulp van 150 schijnwerpers liet verrijzen op de nationaal-socialistische partijmanifestatie in Neurenberg.

De vignetten hebben echter niet alleen betrekking op communistische en nazistische ontwerpen. In dezelfde reeks treffen we ook bijdragen aan over Berlages Pantheon der Menschheid, een gigantisch, maar nimmer gerealiseerd monument van hoop, harmonie en vrede, en de al even ambitieuze plannen van Le Corbusier, de ontwerper van de 'stad van licht en lucht'.

Het opnemen van de Nederlandse en Zwitserse architect is in zekere zin typerend voor de benadering die in de bundel wordt gevolgd. De twee ontwerpers belichaamden - in de woorden van Luuk van Middelaar - 'bij uitstek het prometheïsche ideaal van de moderne tijd'. Berlage zag zichzelf niet alleen als vernieuwend architect, maar ook - en vooral - als wegbereider en vormgever van een nieuwe gemeenschap. Le Corbusier wilde letterlijk schoon schip maken door de 'doodzieke' steden - Parijs, Moskou - te verlossen van de verstopping die de 'kromme ezelspaden' veroorzaakten. Het is duidelijk dat zijn voorstel de oude centra te vernietigen alleen met dictatoriale macht gerealiseerd zou kunnen worden.

Maar het waren niet alleen architecten en stedenbouwkundige ontwerpers die zich door dergelijke ideeën en sentimenten lieten inspireren. Integendeel, de gedachte dat artistieke en maatschappelijke vernieuwing onlosmakelijk met elkaar waren verbonden, raakte vanaf de negentiende eeuw wijd verbreid, betoogt cultuurhistoricus Wessel Krul in zijn bijdrage over de artistieke avant-garde bewegingen. Volgens de heersende voorstellingen van het kunstenaarschap lag haar roeping in een hoger ideaal, die een einde zou maken aan de vermolmde burgerlijke beschaving. De kunstenaar was een profeet, een visionaire revolutionair, die het publiek de weg zou wijzen naar een nieuwe maatschappelijke orde. Met dit doel voor ogen zagen vele kunstenaars, in hun poging aansluiting te vinden bij de 'politieke werkelijkheid', er geen been in zich voor korte of lange tijd te onderwerpen aan dogmatische en totalitaire bewegingen, zoals de surrealisten in de jaren dertig en de radicalen van mei 1968.

De wisselwerking tussen utopische politiek en kunst, en dan met name de architectuur en stedenbouw, wordt ook in andere bijdragen op vaak originele wijze uitgewerkt. Een goed voorbeeld daarvan is het artikel van de Vlaamse architectuurtheoretica Hilde Heynen over de euforische beschouwingen omtrent het gebruik van glas in de architectuur. Glas werd niet alleen gezien als duurzaam, kleurrijk en fantasievol, maar bovenal als symbool van ultieme transparantie, harmonie en radicale openbaarheid. Vergelijkbare verrassende perspectieven kan men aantreffen in de bijdrage van Koos Bosma en Cor Wagenaar over de sociale ingenieurs die Rotterdam en Warschau herbouwden, en de levendige beschouwing van Martijn de Waal over de Amerikaanse suburb als het nieuwe Eden.

Door de rijkdom aan thema's en vormen krijgt het boek het karakter van een caleidoscoop, die de lezer een fascinerende blik biedt op de intellectuele en culturele geschiedenis van de moderne westerse samenleving. Het is dan ook een goede beslissing geweest de bundel te openen met een uitvoerig interview met Reinhart Koselleck, de Duitse historicus en filosoof, wiens werk zoveel aanknopingspunten biedt om te begrijpen waar het hier over gaat. Hij was tenslotte degene die duidelijk maakte dat het utopisch bewustzijn geen afwijking maar een onafscheidelijk aspect van het moderne denken vormt, van de achttiende eeuw tot - ondanks alle retoriek - de dag van vandaag.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden