Op stap met Baedeker

Grand-Hotel Funckler aan de Haarlemse Kruisstraat bestond niet meer. De vijftig kamers à raison van 2,50 per nacht dus evenmin....

De Baedeker was het bewijs voor de enorme onzekerheid van het hoteliersbestaan, dacht ik.

Rood, als gehouwen uit een jaspisberg, was Haarlem ook nog slechts hier en daar.

Maar Haarlem was nog steeds mooi, zij het op een andere manier dan in 1880. Zo schoon waren de straten niet meer, dat je je peuk niet achteloos wegschoot en niet langer kon je lange afstanden wandelen zonder 'een levende ziel' tegen te komen. De meisjes werden er ook niet langer 'rood als een wortel' als je ze de weg vroeg.

Ze zeiden gewoon: 'Geen idee.'

Aristocratisch gereserveerd was Haarlem niet meer. Integendeel. Haarlem was een schreeuwstad geworden, misschien nog wel erger dan andere Nederlandse steden. Het was alsof de winkeliers een geheim verbond hadden gesloten, om hun puien er zo abject mogelijk uit te laten zien.

Bescheiden koket, ach. We weten niet eens meer wat het betekent.

In de St. Bavo kon je nog altijd het orgel van Christian Müller horen, dat 'kanon van God', ooit bespeeld door de tienjarige Mozart en tegenwoordig door stadsorganist Jos van der Kooy. Dat 'lelijke bronzen standbeeld in het midden van het plein' stond er ook nog altijd.

En als je wilde, kon je in Haarlem nog altijd iets geheimzinnigs voelen, iets dat in de lucht hing en altijd onzichtbaar voor je uit bleef dansen. Een klein geheim in de provinciestad, dat zich nooit liet betrappen.

Met een bijna honderd jaar oude reisgids en plattegrond hoefde je in Haarlem niet te verdwalen. Haarlem was de twintigste eeuw niet ongeschonden doorgekomen, maar zwaargewond was de stad evenmin.

St. Bavo, Stadhuis, Vleeshal, Vishal en Kees Verweyhal - in 1910 nog Herensociëteit 'Trou moet Blijcken' - domineerden nog steeds de Grote Markt, onder het toeziend oog van Laurens Jansz. Coster. Het torentje van het stadhuis werd door Baedeker niet vermeld. Wat logisch was, want het werd pas in 1913 gebouwd.

In 1910 was in het stadhuis nog het Stedelijk Museum gevestigd. Hier moest je zijn voor de schilderijen van Frans Hals (in zaal 4), Brueghel en Van Scorel die een paar jaar later zouden verhuizen naar het Frans Hals - en het Stedelijk Museum aan het Groot Heiligland.

Café-restaurant Brinkmann aan de Grote Markt was er ook nog steeds en op de gevel van van het gebouw herinnerden de woorden 'De Kroon, anno 1902' nog aan een ander etablissement dat de Baedeker als 'goed' omschreef. Münchener en Pilsen-bier werden niet meer geschonken.

Brinkmann, zeiden ze trouwens in Haarlem, was allang Brinkmann niet meer. Wat ze je bij Brinkmann ook probeerden wijs te maken.

Het openbaar vervoer, dat was in Haarlem vermoedelijk nog het meest gewijzigd. De stadstram was in 1947 opgeheven. De elektrische 'Ceintuurbaan' door de stad verdween in de jaren dertig en je kon ook al lang niet meer met de stoomtram naar Leiden (twee uur), laat staan vanaf de Nieuwe Gracht met de stoomboot naar Zaandam (enkele reis 35 cent) of, vanaf de Kaasmarkt, naar Amsterdam (tweemaal daags, 40 cent).

Je moest, raadde de Baedeker mij aan, ook even naar Paviljoen Welgelegen, zetel van de Nederlandse Maatschappij ter Bevordering van Nijverheid, dat hier een Koloniaal Museum en een Museum voor Kunstnijverheid vestigde.

Verleden tijd. Het Paviljoen fungeerde nu als provinciehuis, het Koloniaal Museum verhuisde onder een politiek correctere naam (Tropenmuseum) naar Amsterdam.

Ik liep naar Teylers Museum, langs de Waag, die in 1910 begon aan de laatste vijf jaar van zijn actieve bestaan. De toegang tot het oudste Nederlandse museum was in 1910 nog gratis, en kostte nu een tientje. Maar in 1910 moest je nog aanbellen en je naam in een boek schrijven, en dat hoefde nu niet meer.

Met de neus in mijn oude gids wandelde ik langs twee suppoosten, die keken alsof ze me rijp achtten voor opname in een van de vitrines. Ik las: 'Onder de fossielen bevindt zich een plesiosaurus, verschillende pterodactyli (zaal II, links, vitrine 22), en de Andrias Scheuchzeri (zaal II, achteraan links, vitrine 29), een gigantische salamander die door de Züricher naturalist J.J. Scheuchzer (gestorven 1733) voor een prehistorische man werd gehouden.'

Hij hing er nog steeds, de reuzensalamander, precies op de door Baedeker aangegeven plaats, achteraan links, vitrine 29. In Teylers kreeg je het geruststellende gevoel dat niet álles verandert - zij het dat het museum in 1996 werd uitgebreid, de zaalnummers hier en daar waren gewijzigd en 'het kamertje met de gordijntjes', met tekeningen van onder meer Michelangelo niet meer bestond.

Maar B.C. Koekkoeks Winterlandschap hing er nog steeds, en zou er hopelijk tot in alle eeuwigheid blíjven hangen.

Boekhandel Stap, Groote Houtstraat 65, bestond niet meer. Daar zat nu juwelier Siebel.

'Staan wij er niet in?', vroeg meneer Vernout van de gelijknamige boekhandel in de Warmoesstraat - een boekhandel zoals er in Nederland niet veel meer bestonden. 'Wij zaten hier al in 1876. Nou ja, ze moesten natuurlijk betalen om in die gids te komen. Hadden wij geen zin in.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden