Op stap met Baedeker

Het merkwaardige was, dat Dordrecht in de Baedeker helemaal achterin stond, alsof het over het hoofd was gezien en de schrijver zijn omissie pas op het laatst in de gaten had gekregen, bij de beschrijving van route nummer 58: 'Van Keulen naar Rotterdam (Hoek van Holland) via Venlo, Boxtel en...

Aan de andere kant had Baedeker wel de moeite genomen een kaart van Dordrecht toe te voegen, dus dat duidde weer op een serieuze benadering en erkenning van het toeristische belang van de stad. De ligging van Dordrecht, vermoedde ik, had de auteur in de war gebracht. Was het een Brabantse stad, slechts van het moederland gescheiden door het water, of was Dordrecht de zuidelijkste stad in de Hollandse stedenrij die eindigde in Alkmaar?

Voor mij, net als voor De Amicis, was het helder genoeg. Ik zat op een bankje aan het Groothoofd en keek uit over de Noord, de Merwede en de Oude Maas. Aan de overzijde lag het begin van een ander gebied, waartoe Dordrecht duidelijk niet behoorde. En schreef Baedeker zelf niet ook dat Dordrecht 'in de middeleeuwen de welvarendste handelsstad van Holland' was, dat hier in 1572 'de eerste bijeenkomst van de onafhankelijke staten van Holland' was gehouden en dat van 13 november 1618 tot 9 mei 1619 de 'befaamde Synode van Dort' haar vergaderingen in deze stad had belegd?

Bestond er een andere stad waarin de ziel van Nederland zo nadrukkelijk vorm had gekregen? Ik dacht van niet, zeker niet nadat ik een bezoek had gebracht aan het antiquariaat van J.P. van den Tol, waar voldoende religieuze werken bijeen waren gebracht voor nog drie Dordtse Synodes. Wie zocht naar de staatkundige en religieuze wortels van dit land, moest beginnen in Dordrecht.

Dat was ik overigens niet van plan. Bij de mooie boekhandel de Bengel schafte ik de prachtuitgave Het Dordrecht van Tollens aan, waarin de fotograaf Henricus Johannes Tollens het Dordrecht van rond de vorige eeuwwisseling had vastgelegd. Zo had ik naast mijn trouwe Baedeker nóg een mooi referentiekader voor mijn omzwervingen in het rijk van nostalgie en weemoed.

Met genoegen stelde ik vast dat de foto's van Tollens geen onherkenbaar verleden toonden. Er was in Dordrecht veel bewaard gebleven. Hotel Bellevue, waar je in 1910 al peperdure kamers kon huren van vijf gulden per nacht, verschafte zijn gasten nog steeds een glorieus uitzicht over het water. Even verderop lag de draagvleugelboot Meteoor, waarmee je de rivier kon afvaren in de richting van Wijk bij Duurstede, en die de herinnering aan de oude stoomboten naar Rotterdam en Nijmegen in ere hield.

De Wolwevershaven lag er nog steeds prachtig bij, en over het spiegelende water van de Nieuwe Haven keek je naar de afgestompte toren van de Grote Kerk. Dordrecht was zuinig geweest op zichzelf, slechts op de Grote Markt had het na-oorlogse architectentuig zijn slag geslagen en karaktermoord gepleegd. Voor de zoveelste keer vroeg ik me af wat er in die jaren toch in ons was gevaren.

Maar over het algemeen gold nog steeds wat Baedeker in 1910 ook al was opgevallen: 'De oudere delen van Dort, met zijn oude huizen en pittoreske kanalen, hebben alle karakteristieken van een oude Hollandse stad behouden.' Ik keek naar de Voorstraathaven en naar de foto's die Tollens daar een eeuw geleden had gemaakt: het leek alsof de tijd was blijven steken.

Op het Scheffersplein stond nog altijd Mezzara's bronzen standbeeld van Arij Scheffer (1795-1858), de schilder die Dordrecht zich had toegeëigend, hoewel hij slechts zijn peuterjaren in de stad had doorgebracht. De wijze waarop hij was afgebeeld, streng in driedelig pak en penseel en palet als wapens in de handen, deed al het vermoeden rijzen dat Arij Scheffer niet mijn soort schilder was.

Dat bleek in het Dordrechts Museum een juiste inschatting. Veel te katholiek, Scheffer, zeker voor een stad waar het calvinisme bijna vierhonderd jaar geleden definitief zijn stempel had gedrukt.

Volgens de route-aanwijzing van Baedeker was ik door de Wijnstraat, over de Wijnbrug en door de Nieuwstraat naar de Museumstraat gelopen. Want daar, las ik, bevond zich, behalve het Dordrechts Museum, ook het Zuid-Afrikaansch Museum, geopend in 1902, 'met talloze herinneringen aan de Boerenoorlog (1899-1902). Entree 20 cent'.

Doordat de bibliotheek van mijn lagere school destijds voornamelijk was gevuld met de heldhaftige werken van de schrijver L. Penning, had ik een eeuwigdurende fascinatie voor de Boerenoorlog opgedaan. De Leeuw van Modderspruit brulde nog regelmatig in mijn oren.

Op de benedenverdieping van het museum, beloofde Baedeker, zou ik een buste van Paul Kruger aantreffen en in Kamer 2 objecten vervaardigd door Boerengevangenen, alsmede door Kruger gedragen kledij en Krugers bijbel. Op de eerste verdieping werd een model van een veldhospitaal getoond, een model van een ossenwagen en een kafferkraal.

Het beloofde een leerzaam bezoek te worden. Maar in de Museumstraat bleek dat het Zuid-Afrikaansch Museum niet meer bestond. Ik kon het althans niet meer vinden: ten prooi gevallen aan de veranderde inzichten betreffende Zuid-Afrika en de Boeren, vermoedde ik.

Door de Wijnstraat liep ik terug naar het Groothoofd, langs 'Ateliers W-119', waar iemand de volgende wijsheid van Nietzsche op het raam had geplakt: 'Wir haben die Kunst damit wir nicht an der Wahrheit zu Grunde gehen.'

Dat gold, bedacht ik, behalve voor de kunst ook wel een heel klein beetje voor oude Baedekers. Je moest zo nu en dan wat kunnen dromen, weg van de alledaagse werkelijkheid, terug in de tijd, op een bankje aan de eeuwige rivier.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden