Op stap met Baedeker

Het was een zaterdagochtend en ik stond op de Oude Delft. Of stond je in de Oude Delft? Aan de Oude Delft?...

Ik keek in mijn Baedeker en het werd opeens weer 1901, toen mijn grootvader één jaar oud was en de vorige eeuw nog jong en Delft een stadje waar ze er de voorgaande twintig jaren tienduizend inwoners hadden bijgekregen die nog steeds in diepe vrede leefden.

Ik stond voor de Polytechnische School die nu geen Polytechnische School meer was, maar een Vrije Academie. Ik vergeleek het grijze kaartje in mijn Baedeker met de moderne plattegrond die ik zojuist had aangeschaft, en zag dat ik me het geld had kunnen besparen.

Wat had gemaakt dat Delft niet het lot had ondergaan van zoveel andere Nederlandse steden, waar ze grachten hadden gedempt om de auto vrij baan te geven en waar ze vervolgens architecten de kans hadden gegeven hun megalomane dromen werkelijkheid te laten worden?

Misschien vonden zelfs de technocraten, die ze hier in groten getale opleidden, dat Delft té mooi was om op te offeren aan de moderne tijd. Misschien had haar buitengewone schoonheid Delft tegen de botheid beschermd.

In de Baedeker las ik dat Delft in 1536 bijna volledig in de as was gelegd. En dat een ontploffing van het kruitmagazijn in 1654 honderden huizen had verwoest. Misschien had sindsdien in Delft de gedachte postgevat dat vernielingen vanzelf wel komen, en dat daarvoor geen actief ingrijpen van hogerhand noodzakelijk is.

Aan het Oosteinde en de Verwersdijk, aan de Koornmarkt en de Voorstraat: overal lagen hier nog de grachtjes die ze elders allang met satanisch genoegen zouden hebben gedempt. Oké, de Burgwal heette in mijn Baedeker nog de Gedempte Burgwal, maar achter de Grote Markt lag nog een prachtig grachtje dat bij uitstek geschikt leek om even snel dicht te gooien en te veranderen in een parkeerhaven.

Maar ze hadden het niet gedaan, in Delft.

Ik bezocht de Nieuwe Kerk en zag het pas gerestaureerde praalgraf van Willem van Oranje. Tot mijn grote tevredenheid zag ik op het bord dat de kerk op zondag nog steeds niet voor bezichtiging was opengesteld. Ik ging naar de nog mooiere Oude Kerk om de laatste rustplaatsen van Piet Hein en Maarten Harpertsz. Tromp te bewonderen, die, las ik in de Baedeker, maar liefst in 32 zeeslagen als overwinnaar uit de bus kwam, hoewel hij in de laatste zegevierend ten onder ging. Ik vroeg me af waar Harpert Maartensz. Tromp zou liggen.

Ik ging naar de Prinsenhof, maar niet naar binnen om te zien waar de Prins op 10 juli 1584 sneefde door de hand van de vermaledijde Balthasar Gerards, die voor straf de hand waarmee hij het vonnis voltrok, zag verschrompelen in een blok roodgloeiend ijzer, alvorens hem zijn eigen hart in het gezicht werd gesmeten.

Delft, dacht ik, Delft is prachtig. Jammer dat de firma Joost Thooft & Labouchère, die de gouden tijden van het Delfts Blauw deed herleven aan het Oosteinde, niet meer te bezichtigen is, zoals in 1901. Ik voelde dat ik in staat was geweest een wandbord te kopen.

Ik zag op de gevel nog de naam van het hotel Central aan de Wijnhaven, waar een diner 1,25 kostte en met een fles wijn erbij 1,85. Ik vroeg me af of er niemand te vinden zou zijn die de stoombootdienst op Rotterdam (acht maal daags vanaf de Zuidwal, anderhalf uur varen voor twee dubbeltjes) nieuw leven zou willen inblazen.

En tot mijn grote vreugde zag ik dat de porseleinwinkel van W.A. Reynders aan de Markt nummer 45 nog steeds was geopend, net als honderd jaar geleden, toen je er voor een kwartje een entreekaartje voor de Nieuwe Kerk kon kopen.

Ik ging niet naar binnen, want ik was bang dat de firma Reynders alleen nog in de naam op de gevel van de winkel zou bestaan en ik wilde de illusie van eeuwigheid niet verstoren.

Waarom, vroeg ik me af, had ik niet vaker buitenlandse bezoekers doorverwezen naar Delft, naar de Wijnhaven, de Koornmarkt en de Voorstraat? Waarom had ik ze niet op deze Hollandse parel gewezen? Waarom was dit voor mijzelf pas het tweede bezoek aan deze buitengewone stad?

Er moest, concludeerde ik, iets ernstig mis zijn met de binnenlandse promotie van de VVV Delft. Want buitenlanders, daar stierf het van, in Delft.

Natuurlijk, er was vast wel een oude Delftenaar te vinden die zou kunnen verklaren dat ook die prachtig geconserveerde plekken niet meer waren als in zijn jeugd, maar voor mij, nieuwe bezoeker, waren ze bijna magisch.

Op de Beestenmarkt nam ik een koffie, en prees mezelf gelukkig. Hoewel ik niets had met stijlkamers en oud aardewerk, vond ik het bijna jammer dat de bezoeker van 1901 nog niet naar het Huis van Lambert van Meerten kon, want dat werd als museum pas een jaar later geopend.

Het Arsenaal was nu een legermuseum, maar keek daarom niet minder dreigend naar de huizen van de VOC aan de overzijde van de Oude Delft.

Het was, vond ik, een grote troost door Delft te wandelen met een antieke Baedeker in de hand. Niet alles gaat kapot, dacht ik, er bestaat nog respect voor oude reisgidsen.

Thuis bedacht ik dat ik was vergeten te kijken of er nog ooievaarsnesten waren in Delft.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden