Op Oudejaarsavond voltrok zich een wonder in de huiskamer van Nico Dijkshoorn

Kijken naar dertig jaar sneeuw en ijs doet iets met een mens.

Foto de Volkskrant

Tijdens Oudejaarsavond keek ik naar een special van Andere Tijden over het weer tussen 1950 en 1980. Van tevoren vond ik dat een vreemde invalshoek. Het programma Andere Tijden gaat meestal over een omgevallen vuurtoren op Ameland in 1963 of over een ontplofte jamfabriek. ('Ik stond hier en de potten aardbeienjam kwamen uit de lucht, meneer. Hier, op deze plek.') Iemand wijst op een ingeplakte krantenfoto en zegt: 'Dat ben ik, naast die aangespoelde potvis. Ik had de jas van mijn moeder aan.'

Maar deze uitzending, wat moest ik daarvan verwachten? Ik vond het op voorhand zo ontzettend veel regen en zon bij elkaar, dertig jaar. Zeker voor mij. Als ik bij een bushalte sta en er kijkt naast mij iemand naar de lucht, dan waarschuw ik ze maar alvast. 'Niet over het weer beginnen, oude vrouw. De ene dag regent het, de andere dag niet. Ik wil met u over alles praten, zelfs over steunkousen of de Top 2000, maar niet over het weer. Ik moet u helaas een kopstoot geven als u nu tegen mij gaat zeggen: volgens mij gaat het opklaren. Doe het niet. Het is weer. Het voltrekt zich buiten ons om. Weer doet maar iets. Als het sneeuwt, is het glad. Wat doe je eraan? Niks. U bent geen boerin. Ik ben geen boer. Zwijg over het weer. Afgesproken?'

Dus om nu te zeggen dat ik handenwrijvend voor de televisie zat: nee. Zouden ze me hebben laten kiezen, dertig jaar kalknagels of dertig jaar weer: meteen kalknagels. Maar er voltrok zich een wonder. Ik heb bijna de hele uitzending met een dikke keel zitten kijken. Al bij de eerste zwart-witbeelden van ingesneeuwde auto's kwam mijn moeder mijn hoofd binnendenderen.

Ik, met mijn handen onder haar oksels, huilend van de pijn. Haar vraag: 'Waarom droeg je je wanten niet?' Mijn antwoord: 'Maar die hebben geen vingers! Niemand heeft wanten. Alle jongens in de klas hebben handschoenen met vingers.'

En zo ging dat maar door. Ik gaf mij over aan zwelgende nostalgie.

Ik keek naar dertig jaar sneeuw en ijs en ondertussen legde ik Tanja (drie jaar jonger) uit hoe wij daarmee omgingen, die barre omstandigheden. 'Je zocht je huis op de tast. We wisten niet beter. Ik liep op mijn hockeyschaatsen naar school. Je moest wel.'

Ondertussen werden de beelden grimmiger. Ik keek naar een interview met iemand die door stormschade zijn hele familie had verloren. Ik zei: 'Bij ons is er ooit een dakraam bijna uit zijn sponning gewaaid.' 'Je zei sponning', zei Tanja. 'Ja', zei ik. 'Sorry, het komt allemaal weer boven.'

Daarna vertelde ik Tanja over ijs en religie. 'Er lag bij ons in de sloot bijna 40 centimeter ijs. Ik ben er op gaan liggen en toen zag ik ze zwemmen. De vissen. Ze zwommen anders. Met meer kapsones, omdat ik er niet bij kon. Ze zwommen, wacht even, ik moet het goed zeggen, zorgeloos. Dat was het. Zorgeloos. Zoals ik liep tijdens de schoolvakantie. Zo bewogen die vissen, alsof ze - voor heel even maar - vrij waren. Er zwom een grote vis vlak onder mij door. Zijn rug tegen het ijs. En toen dacht ik dat dus, wat ik je laatst vertelde. Ik dacht: er kijkt ook iemand naar ons. Ik dacht: die vis, dat ben ik.'

Meer over