Op ontdekkingsreis naar de Groningse School

Het Groninger Museum, de Martinitoren en 't Peerd van Ome Loeks, dan heb je het wel zo'n beetje gehad met de stad....

Natuurlijk kun je Groningen doen op de manier van 'ben er geweest, heb het gezien'. Dan stap je uit de trein, sta je even stil bij 't Peerd van Ome Loeks, loop je over het bruggetje langs het Groninger Museum en vervolgens door de levendige, ambachtelijke Folkingestraat, richting Vismarkt en Grote Markt.

Vergeet niet de wonderlijke creatie van Mendini cum suis even binnen te lopen, want het museum heeft altijd wel een of meerdere culturele verrassingen in petto.

Na een lunch van typisch Groningse mosterdsoep in een van de vele aantrekkelijke eetgelegenheden, kun je het symbool van de stad, de Martinitoren, bewonderen en beklimmen. En de dag vervolmaken met een wandeling door de Herestraat - juist: die dure van het Monopoly-spel. Vergeet op weg terug naar het prachtig gerestaureerde stationsgebouw niet nog even langs het Goudkantoor en door het universiteitskwartier te lopen. En je bent weer voor jaren in Groningen geweest.

Toch? Nou, 't Peerd van Ome Loeks is dood, hailendaal dood. Het Goudkantoor is een architectonisch wangedrocht, een allegaartje dat als monument niets voorstelt. En de Martinitoren? Ach, d'Olle Grieze noemen de stadjers hem. Weliswaar met affectie, maar toch. Beklimmen is slechts weggelegd voor de fitsten en eigenlijk is de A-Kerk mooier.

Nee, er zijn andere manieren om een of meerdere dagen Groningen te 'doen'. Er is een bijna verborgen stad, die zich slechts wenst te openbaren aan de oplettende bezoeker. Voor de kieskeurigen die zich ook buiten de 'Diepenring' (de Groningse grachtengordel) begeven, ontvouwt zich een kostelijke stad met fraaie gasthuizen en lommerrijke hofjes - na Leiden en Amsterdam telt Groningen het grootste aantal hofjes van Nederland. De gerestaureerde pakhuizen herinneren hier aan het finest hour van de stad als handelscentrum en bovendien zijn er de voorbeelden van de Amsterdamse School, die - buiten de hoofdstad zelf - hun weerga in Nederland niet kennen.

De geschiedenis van de gast- en weeshuizen gaat terug naar de negende eeuw, toen de kerk en welgestelde particulieren (vaak kinderloze echtparen) zich met de armenzorg en andere vormen van naastenliefde gingen bezighouden. 'Het mes sneed voor hen aan twee kanten', schrijft Edward Houting in Groningen te voet (Uitgeverij Noordboek te Groningen), een van de talrijke cultuur-toeristische gidsjes van de Martinistad. 'Bij hun leven hadden zij goede daden verricht, altijd tot ''Godes eer'', en na hun dood werden zij herdacht in de gebeden van de bewoners, door hun portret in de regentenkamer of in de vorm van opschriften op de gevel van het hofje.'

Liefst 32 gast- en weeshuizen telt Groningen nog. Houting beschrijft er een dozijn van. En in Stadsmonumenten: Een rondgang langs 44 monumenten in de stad Groningen (Uitgever Studio Van Stralen te Groningen) beschrijft stadshistoricus Beno Hofman er eenzelfde aantal.

De bekendste in de binnenstad zijn het Roode of Burgerweeshuis van de 'geestelijke maagden' en het St.Geertruids- of Pepergasthuis dat was bedoeld om 'elendighe arme pelegrams in to herberghen, twe of dre nachte'. Ook is er het St.Anthonygasthuis dat oorspronkelijk is geïnspireerd door het armoede-ideaal van Franciscus van Assisi, het Heiligen Geest Gasthuis, dat het oudste is van de stad en het Jacob- en Annagasthuis dat vanwege de goede keuken de bijnaam 'Lekkerbeetjes-gasthuis' kreeg.

In de Hortusbuurt vlak buiten de Diepenring liggen nog enkele fraaie hofjes waarvan de woningen voornamelijk worden bewoond door studenten en andere jonge mensen. Twee hofjes in de buurt, waar nog de restanten te zien zijn van de oude hortus botanicus van de Rijksuniversiteit, dragen de naam Middengasthuis. Andere fraaie voorbeelden, die onder meer worden beschreven in de Stadswandelgids: Zwerftochten door heden en verleden van Frank den Hollander (Uitgeverij De Geus, Groningen), zijn het St.Martinusgasthuis en het Pieternellagasthuis.

Dat het tegenwoordig geheel door land ingesloten Groningen ooit een open verbinding had met zee en een belangrijk regionaal handelscentrum is geweest, blijkt uit de meer dan tweehonderd pakhuizen die de stad nog telt. Groningen was in de vroege Middeleeuwen al een inningscentrum (van pacht) en lag voor de regionale handel gunstig op het grensgebied van de zeekleigebieden (veeteelt) en de Drentse zandgronden (landbouw). In de loop van de Middeleeuwen ontwikkelt de stad zich dan ook als stapelplaats en markt voor goederen uit de regio.

Een wandeling langs de diepen, met als hoogtepunt het Hoge en het Lage der A, geeft een mooi beeld van de transformatie van de stad van centrale markt- en handelsplaats naar industriestad, van winkel- en cultuurstad naar centrum voor dienstverlening en universiteitsstad. Let daarbij vooral op de vroegste bakstenen gebouwen uit de twaalfde en dertiende eeuw voor de opslag van goederen. In de stad zijn er een tiental bewaard gebleven. De bekendste zijn het Calmershuis - de 'Rembrandt' onder de Groningse monumenten - in de Oude Boteringestraat, het Hinkaertshuis in de Oude Kijk in 't Jatstraat, café De Drie Gezusters en hotel De Doelen aan de zuidzijde van de Grote Markt.

Dat Groningen na Amsterdam de eerste stad is op het gebied van Amsterdamse School-architectuur, heeft het met name te danken aan de bekende oud-stadsarchitect Siebe Jan Bouma. Van deze 'Groningse Dudok' is vooral bekend - en sinds enkele jaren ook berucht - de Oosterparkwijk, die nagenoeg geheel is geïnspireerd door de richting in de bouwkunst die wordt gekenmerkt door vaak schilderachtige effecten.

Maar ook in de binnenstad is de erfenis nog goed zichtbaar van de man die tevens de hand had in de plannen voor het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem, het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen en Madurodam in Den Haag. Vooral Bouma's straatmeubilair is uniek. Zoals de aparte toegangen voor Dames en Heeren tot het ondergrondse urinoir op de Grote Markt, met granieten balustrades en sierlijk gekrulde smeedijzeren hekwerken. Of de transformatorstations aan het Linnaeusplein en in de Nieuwe Ebbingestraat.

Stadsbruggen als de Herman Colleniusbrug, de Plantsoenbrug, de Boteringebrug en de Museumbrug laten zien waarom veel Groningers van mening zijn dat Bouma een eigen variant heeft ontwikkeld van de Amsterdamse School. Wellicht verdient zijn bouwkunst wel het predikaat 'Groningse School'.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden