OP NUMMER 391 WOONDE DUKE ELLINGTON

New York laat zich weinig gelegen liggen aan zijn glorieuze jazzverleden. Uit 'missie-ijver' organiseert Paul Blair daarom wandelingen langs de plekken waar bekende muzikanten woonden....

Saxofonist Sonny Rollins vertelde me jaren geleden in een interview over zijn jeugd in New York: 'We woonden op 377 Edgecombe Avenue, wat ze in die tijd Sugar Hill noemden. Nu is het gewoon Upper Harlem, maar toen heette het Sugar Hill en alle zwarten die een hoop geld hadden, woonden daar. Duke Ellington woonde praktisch naast de deur op nummer 381. Verderop, op nummer 555, woonden de bandleiders Andy Kirk en Don Redman. Iedereen die iets betekende, woonde in die tijd op Sugar Hill.'

Nu loop ik zelf over Edgecombe Avenue, een brede, glooiende straat die aan de linkerkant vrij uitzicht biedt op het vijftig meter dieper gelegen Jackie Robinson Park (met in de verte, aan de overkant van de Harlem River, Yankee Stadium in The Bronx), en die rechts wordt geflankeerd door welvarend uitziende appartementencomplexen. Mijn gids is Paul Blair, een vitale Amerikaanse zestiger die als betaalde liefhebberij een paar keer per week jazzwandelingen door New York organiseert. Deze vrijdagmiddag heeft hij voor zijn Harlem Walk # 2 een gezelschap van een man of tien verzameld: een paar Italianen, een stuk of wat Britten en een Zweedse jazzjournaliste uit Tokio.

We stoppen bij nummer 381 en Paul Blair vertelt dat dit het eerste mooie huis is dat Duke Ellington in New York bewoonde. Eerder, om de hoek op 935 St. Nicholas Avenue, hebben we de plaquette boven de ingang bekeken, die meldt dat Ellington hier van 1939 tot 1961 zijn domicilie had. En Paul Blair wijst ons zelfs nóg een Ellington-adres: 409 Edgecombe Avenue, het toppunt van chic op Sugar Hill. De componist-orkestleider heeft er slechts kort gewoond, maar de prominentste zwarte intellectuelen zoals auteur W.E.B. Du Bois, opperrechter Thurgood Marshall en civil rights-leider Roy Wilkins keken vanuit dit flatgebouw neer op het vlakke deel van Harlem. Ellingtons zoon Mercer hoorde ook tot de uitverkorenen van 409 Edgecombe Avenue, en Ellington-saxofonist Johnny Hodges woonde op nummer 555.

De wandeling voert ons langs St. Nicholas Place terug naar St. Nicholas Avenue. Al lopend somt Paul Blair de beroemde jazzadressen op die we passeren: het hotel van Ellington-trompettist Ray Nance, het penthouse van zangeres Dinah Washington ('Het zag eruit als de binnenkant van een juwelenkistje'), het hoekhuis van Ellington-saxofonist Harry Carney, het souterrain van Ellingtons alter ego Billy Strayhorn (zanger Jimmy Rushing was zijn bovenbuurman), de salon van pianiste Mary Lou Williams waar de jonge Thelonious Monk en Bud Powell kind aan huis waren.

Na twee uur eindigt de tocht bij de architectonisch fraaie huizenblokken van 138th, 139th en 140th Street tussen Frederick Douglass Boulevard en Adam Clayton Powell Boulevard. 'Als je echt ambitie had, wilde je hier wonen', vertelt Paul Blair. 'W.C. Handy en orkestleider Fletcher Henderson hadden hier hun adres, en Dizzy Gillespie heeft er ook een tijdje gewoond.' In de volksmond heet dit buurtje nog altijd het strebers-rijtje, Striver's Row. Daarmee zijn we terug bij Sonny Rollins, want zo noemde de saxofonist in 1957 zijn variatie op Charlie Parkers Confirmation.

Paul Blair woont zelf pas een jaar of vijf in New York, maar als jazzliefhebber van buiten is hij altijd zeer geïnteresseerd geweest in de onderlinge ligging van jazzclubs en de plekken waar muzikanten woonden. Uit 'missie-ijver' wil hij zijn verworven kennis graag delen, temeer omdat New York zich weinig gelegen laat liggen aan zijn glorieuze jazzverleden. 'Wist je dat er in de hele stad maar vijf historical jazz marks zijn? De Ellington-plaquette die we hebben gezien, en verder merktekens op het vroegere huis van Charlie Parker bij Tompkins Square, op de plaats van de Savoy Ballroom, en op de voormalige huizen van Scott Joplin in Harlem en Fats Waller in Jamaica, Queens. De laatste keer dat ik keek, waren zelfs de straattegels met muzikantennamen op 52nd Street verdwenen.'

Over de stand van de eigentijdse jazzclub-scene is Blair niet al te positief. 'De Knitting Factory, waar jarenlang vooruitstrevende muziek te horen was, is weggedreven van de jazz. En verder is dit een stad vol vreselijke jazz-zangeressen.'

Een dag eerder zit ik in de jazzkelder Fez onder het yuppie-achtige Time Cafe in de East Village naast Sue Mingus. Muzikantenweduwen worden vaak terecht gevreesd, zo niet gehaat, maar voor haar gaat die regel niet op. Bassist-componist Charles Mingus mag dan in 1979 zijn gestorven, dankzij de inspanningen van Sue Mingus is zijn muziek nog springlevend. De concerten van de Mingus Big Band, elke donderdagavond in Fez, horen sinds 1991 tot de gegarandeerde hoogtepunten van de New Yorkse jazz. Ik ben er in de loop der jaren al minstens zes keer geweest en nog nooit teleurgesteld. Fez is op het eerste gezicht een tamelijk bedompte kelder, maar in werkelijkheid een ideale speelplek waar muzikanten en luisteraars, zo ongeveer op elkaars lip zittend, gezamenlijk tot kookhitte komen.

Sue Mingus vertelt dat de aanslag van 11 september 2001 ook voor de New Yorkse jazz-scene serieuze gevolgen heeft gehad. 'Alle clubs beneden 14th Street werden getroffen door de malaise, maar wij zijn er nog steeds. Niet slecht voor een big band die toen we begonnen volgens iedereen een krankzinnig idee was. Het publiek is wel met eenderde teruggelopen. We missen de Europese toeristen, maar ook het aantal Amerikaanse toeristen is minder geworden.'

De grotere afhankelijkheid van bezoekers uit New York zelf heeft de meeste jazzclubs ertoe gebracht vroeger te beginnen en te eindigen. 'We hopen allemaal de dinner crowd te trekken, mensen die van hun werk komen en geen zin hebben eerst naar huis te gaan. Vroeger begon onze eerste set om half tien, nu om half negen, en de deur gaat al om half acht open. De Village Vanguard, de Blue Note en Birdland doen het net zo.'

Voor Sue Mingus is het een ironische ontwikkeling. In haar tijd met Mingus was jazz nog nachtbrakersmuziek. Het boek met herinneringen dat ze vorig jaar publiceerde, heet niet voor niets Tonight at Noon. 'Ik weet nog goed dat Max Gordon van de Village Vanguard tegen Mingus zei dat hij de vierde set, die tot vier uur 's nachts duurde, ging afschaffen. ''You're killing jazz'', riep Charles toen, en in zekere zin had hij gelijk.'

Zaterdagavond in Birdland valt van de jazz-malaise weinig te bespeuren. Het forse prijsniveau (voor minder dan honderd dollar kom je hier met z'n tweeën niet weg) staat een uitverkochte zaal niet in de weg. De naam Birdland is eigenlijk een gotspe, want de club heeft niets te maken met het roemruchte Birdland vlakbij 52nd Street, dat in 1949 naar Charlie Parker werd vernoemd en in 1965 op de fles ging. In 1988 kaapten een paar slimme ondernemers die vrijgevallen naam voor een nieuwe club die op Upper Broadway begon en in 1996 naar West 44th Street verhuisde.

Het Birdland van nu is overigens wel een aangename ruimte, waar elke bezoeker een goed zicht op het podium heeft. En de programmering geeft blijk van artistieke durf: vanavond Ron Carter op piccolo-bas met vier cellisten en een ritmesectie. Carter zelf speelt als altijd verre van zuiver, maar hij straalt zoveel warmte en expressie uit dat je hem zijn valse noten snel vergeeft.

Ook het wekelijks optreden van gitaar-veteraan Les Paul, maandagavond in Iridium (Broadway bij 51st Street), trekt een afgeladen huis. Ik ben eigenlijk een week te vroeg, want volgende week viert Paul hier zijn 88ste verjaardag. Maar ook vanavond richt de pionier van de solid body guitar een hilarisch muzikaal feestje aan, met evenveel onweerstaanbare wisecracks als goedgehumeurde muziek.

De keerzijde van de New Yorkse jazz-business wordt dinsdagavond zichtbaar in de Jazz Standard, een kelder in East 27th Street, die adverteert met zijn uitverkiezing tot best jazz club. Als saxofonist Houston Person om half acht zijn eerste set begint, zijn precies veertien betalende bezoekers aanwezig. Het weerhoudt hem er niet van 75 minuten lang met bijtende energie te spelen. Daarmee toont hij zich een waardig vertegenwoordiger van de traditie: de jazz is groot geworden als de triomf over tegenslag.

Ter afronding van de jazz-expeditie drink ik in een Starbucks op Fifth Avenue een kopje koffie met Joris Teepe, de Nederlandse bassist die sinds 1992 met bewonderenswaardige vasthoudendheid een bestaan in New York heeft opgebouwd. We nemen de belangrijkste clubs in de hoofdstad van de jazzwereld nog even door. Het dure segment bestaat uit Birdland, de Village Vanguard, de Blue Note en Iridium (30 à 35 dollar per persoon toegang, plus meestal minimaal 10 dollar verplichte consumptie). Iets minder prijzig zijn Fez, de Jazz Standard en Sweet Rhythm (het vroegere Sweet Basil op Seventh Avenue South). Maar daarnaast telt New York ook tientallen betaalbaardere jazz-etablissementen, zoals de Jazz Gallery (Hudson Street), Smoke (Broadway bij 105th Street) en de Zinc Bar (West Houston Street).

Die laatste club is Joris Teepes geheime aanrader: 'Daar heerst nog de echte nachtsfeer, met veel mooie vrouwen. Het begint om half elf 's avonds, maar dan is er nog niets te beleven.' Zelf gaat hij bij voorkeur op zondagavond naar de laatste set in de Village Vanguard, wanneer de groep van die week zijn engagement besluit. 'Dan komen alle muzikanten luisteren en dan wordt er meestal met meer intensiteit gespeeld. Als het een goede week is geweest, gaan ze door tot eigenares Lorraine Gordon het licht uitdoet.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden