Op hoop van zegen

De commissie-Dijsselbloem is druk doende met het onderzoek naar vernieuwingen in het onderwijs en bespreekt onder meer de komst van het vmbo....

Nog voordat vmbo-scholieren voor het eerst centraal eindexamen doen, het moet in 2001 of 2002 zijn geweest, krijgen de kandidaten van de tv-quiz Twee voor Twaalf een onderwijsvraag voorgelegd: ‘Hoe heet het mislukte onderwijstype dat twee jaar geleden werd ingevoerd?’ Het juiste antwoord, herinnert zich een oud-Kamerlid, levert de letter V op van voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo).

Het wordt in de jaren erna alleen maar erger. De kritiek neemt razendsnel toe, evenals de berichten over ouders die hun kinderen met alle macht naar havo in plaats van vmbo willen sturen. Alles lijkt mis met het vmbo: de scholen zijn te groot, te zwart en te onveilig, te theoretisch voor velen en te makkelijk voor sommigen. Aansluiting met de havo is nauwelijks nog mogelijk en wat moet men toch aan met al die kinderen met gedragsmoeilijkheden?

Het culmineert allemaal in het jaar 2004, dat begint met het doodschieten van conrector Hans van Wieren door een 16-jarige Haagse vmbo-scholier en eindigt met het pleidooi van VVD-fractievoorzitter Jozias van Aartsen die hele schoolsoort maar op te heffen. Vmbo wordt een scheldwoord en vooral geassocieerd met maatschappelijke problemen als segregatie, onveiligheid, gedemotiveerde leerlingen en slechte leerprestaties.

Staatssecretarissen en Kamerleden begonnen de operatie met grootse idealen: de samenvoeging met de sterkere mavo zou de problemen van het noodlijdende voorbereidend beroepsonderwijs (vbo) tegemoet komen. Maar het tegendeel lijkt uitgekomen: het veel grotere vmbo is de vergaarbak van problemen geworden.

In het vroege voorjaar van 1998 stroomt een Scheveningse strandtent vol met overheidsdienaren van het departement van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Enkele tientallen zijn van de partij, van het directoraat Voortgezet Onderwijs, zowel topambtenaren als veel jongere medewerkers en tijdelijke krachten uit het veld. En natuurlijk staatssecretaris Netelenbos. De sfeer is opgetogen. Er wordt gespeecht en getoast. Er is wat te vieren: het parlement heeft unaniem ingestemd met de grootste stelselherziening in het voortgezet onderwijs sinds de Mammoetwet van 1968. Het vmbo komt eraan!

Het feestje is het voorlopige sluitstuk van een onderwijsdiscussie die halverwege de jaren zeventig al was begonnen. ‘Wij zagen de hervormingsplannen voor het beroepsonderwijs als een grote stap in de goede richting’, zegt SGP-fractievoorzitter Bas van der Vlies. ‘Het veld vroeg erom! Nederland had beroepskrachten nodig die goed konden timmeren, maar ook met algemeen vormende vakken op hun toekomst waren berekend. Daar geloofden we echt in.’

De mavo van de Mammoetwet was een rare verzameling van onduidelijke groepen geworden. Er zaten kinderen die meer op hun plek waren in het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo, eerder lts en lhno), maar van hun ouders naar de mavo moesten – het vbo had een slechte naam. Op de mavo waren drie- en vierjarige programma’s, je kon een diploma halen op C- en D-niveau, en niemand wist nog wie wat precies kon. Al helemaal niet bij het middelbaar beroepsonderwijs, waar men hierdoor zeer verschillend gekwalificeerde leerlingen binnenkreeg. ‘En in het vbo was de toestand dramatisch’, zegt oud-schooldirecteur en -onderwijswethouder Jaap van der Aa. ‘Al die verouderde programma’s en die klassikale lessen, al die ouwe troep.’ Oud-staatssecretaris Netelenbos: ‘Het vbo was het afvalputje van het onderwijs. Daar móest iets gebeuren.’

In 1993 vroeg minister Ritzen van Onderwijs ambtsvoorganger Chris van Veen hiervoor de mogelijkheden te onderzoeken. Het commissie-rapport dat in augustus 1994 uitkwam, heette Recht doen aan Verscheidenheid, maar eindigde na 100 pagina’s baanbrekende adviezen vooral bescheiden: ‘De commissie realiseert zich best dat zij inzet op de mooie kant van het verhaal. Zo zóu het kunnen. Daarnaast is er altijd nog de kans op een minder mooi scenario.’

Die maand trad Tineke Netelenbos aan als staatssecretaris. Na zeven jaar in de Kamer was ze vastbesloten haar stempel te drukken op het onderwijs. Het vmbo, dat 60 procent van alle leerlingen in het voortgezet onderwijs zou gaan bergen, leek het perfecte vehikel.

Van Veens rapport bepleitte in plaats van de mavo en het vbo de inrichting van vijf ‘leerwegen’ voor groepen leerlingen: een theoretische leerweg (die doorverwijst naar mbo en havo), een beroepsgerichte (ook voor mbo en leren in de praktijk), een gemengde (combinatie beroepsgericht en theoretisch), een individuele (voor leerlingen die langer over hun opleiding doen en daarbij extra begeleiding nodig hebben) en een arbeidsmarktgerichte leerweg (voor leerlingen die erna meteen gaan werken).

Recht doen aan verscheidenheid werd enthousiast onthaald, maar het kabinet nam niet alles over. De individuele leerweg verviel, een ‘zorgstructuur’ moest leerlingen die dat nodig hebben, begeleiden in wat ‘leerwegondersteunend onderwijs’ ging heten. Er kwam praktijkonderwijs voor leerlingen die vroeger naar lom- en mlk-school gingen. Zo werd het snel groeiende speciaal onderwijs grotendeels in het vmbo geïntegreerd. Overigens zeer tegen de zin van de vso/lom-scholen. Maar volgens hun vertegenwoordigers schuwde Netelenbos daarbij chantage niet: als ze niet met de plannen instemden, kon niemand zeker zijn van zijn baan.

De Onderwijsraad waarschuwde het kabinet voor de positie van de zwakke leerlingen. In de oude situatie was op het vbo veel aandacht voor hen geweest. Dat werd nadrukkelijk minder in de nieuwe situatie. Veel instanties vroegen zich ook af of het wel een goed idee is scholieren die vooral met hun handen willen werken zoveel theoretische vakken (de vijftien algemeen vormende vakken van de basisvorming) te geven. Maar het was Netelenbos’ ideaal om iedereen op een zeker theoretisch niveau te brengen.

‘Netelenbos had het recht vóór zich’, zegt SGP-voorman Van der Vlies, terugkijkend op de periode waarin de besluiten werden genomen. ‘Je had nogal wat pk’s nodig om dat te veranderen.’ Stefanie van Vliet (D66) typeert haar als ‘een blok beton’. Ach, zegt Netelenbos: ‘D66 is ook geen bestuurderspartij. Die krijgen altijd slappe knieën als het op stemmen aankomt.’

De staatssecretaris had in de Verenigde Staten een beleidsstrategie gezien die haar aansprak. ‘Ik opereerde volgens de doctrine 1/3, 1/3, 1/3’, zegt Netelenbos. ‘Als eenderde van het veld geïnteresseerd is, moet je het invoeren. Immers: een ander derde deel weet het nog niet en zal volgen, en het laatste derde deel wil nooit iets. Alleen krijgen die in Nederland alle aandacht, waardoor het lijkt of niemand iets wil.’

Volgens insiders is echter juist bij deze operatie zeldzaam veel met het veld overlegd. En hoewel de meeste adviezen van Onderwijsraad, vakbonden, SER en Raad van State positief waren, leefden er ook zorgen. ‘Ik heb mijn hele politieke leven geijverd tegen die onzalige basisvorming’, zegt toenmalig VVD-Kamerlid Clemens Cornielje. ‘Mijn strijd om bepaalde groepen leerlingen juist praktijkgerichte vakken aan te bieden, stuitte op onoverkomelijke bezwaren bij Tineke. Die koesterde bij wijze van spreken nog het ideaal van vmbo’ers die Grieks en Latijn krijgen.’

De PvdA zat toen zo vast in dat ‘gelijkheidsdenken’, zegt ook Van Vliet, destijds woordvoerder namens D66. ‘Het idee dat je iedereen kunt verheffen, was bij haar heel hardnekkig. Terwijl je een deel van de leerlingen juist niet helpt met alleen maar theoretische vakken.’ In de Kamer, achter de schermen en in het Torentje van premier Kok werd druk overlegd, maar Netelenbos gaf nooit meer dan een klein beetje toe. Van PvdA-woordvoerster Johanneke Liemburg zou het verzet niet komen. ‘Er was al zoveel voorwerk verricht op dit dossier; je kon nauwelijks terug.’ Ook zij vond Netelenbos ‘heel dwingend’ en overtuigd van haar gelijk. ‘Ze zei tegen mij: ‘Je hebt misschien wel gelijk, maar de pers legt zoiets al snel uit als een nederlaag, en dat willen we niet,’ Op die houding ben ik afgeknapt. Werken in het parlement haalt het slechtste in de mens naar boven.’

Niemand wees in die jaren op wat zich in de grote steden aan het voltrekken was: daar groeiden de kinderen op van de eerste en de tweede generatie migranten, die mede door hun taalachterstand de nieuwe schoolsoort in de Randstad zou gaan domineren.

In de Kamerdebatten over het vmbo werd het Netelenbos overigens nooit echt moeilijk gemaakt. Toenmalig D66-Kamerlid Ursie Lambrechts. ‘Probleem was: veel dingen die je zag aankomen, waren gebaseerd op vermoedens, niet meer dan een educated guess.’ En dan was er nog druk vanuit allerlei geledingen. ‘Wij kregen brandbrieven van de uitgeverijen, dat ze alles niet zo snel afkregen en of we het dus wilden tegenhouden’, zegt Lambrechts. ‘Dan ging je zo gesterkt het debat in en dan lag er ineens een brief van de uitgevers dat het tóch ging lukken. Die druk moet vanuit het ministerie zijn gekomen.’

Netelenbos zegt: ‘Ja, ik had haast. Het ging erom de voorhoede te steunen, want je krijgt toch nooit iedereen mee. Als je aan een aardrijkskundedocent vraagt wat hij wil, zal hij alleen maar denken: hoeveel uren krijg ik straks? Je moet kijken naar het grote geheel.’ Tegenstanders van het vmbo werden snel weggezet als querulanten die niet mee wilden met de moderne tijd. ‘Scholen hebben in Nederland erg veel vrijheid’, vindt Netelenbos. ‘Je kunt bijna niets met steun van iedereen invoeren. Als je het anders probeert, wordt er niets besloten.’

Het weerspiegelt haar blik op de verhouding tussen de overheid en het onderwijsveld: dat is er een van de grote getallen en nog niet zo makkelijk in beweging te krijgen. ‘Als je wat wilt, vereist het ook wel doordouwen’, zegt oud-onderwijswethouder Jaap van der Aa. ‘De overheid had vooral contact met een kluwen aan belangenorganen, van pedagogisch-didactische centra tot bonden. Die steunden de plannen. De grote bulk leraren was conservatief en vond het allemaal maar niks.’

Mede daarom was er ook een Procesmanagement VO (PM-VO) ingericht, een groep ambtenaren en onderwijsvertegenwoordigers die de uitvoering van de stelselherzieningen moest begeleiden. ‘Wallage had het PM bedoeld als pendelteam tussen rijksoverheid en veld: uitleg geven, reacties verzamelen en belemmeringen wegnemen’, zegt oud-voorzitter Rein Zunderdorp. ‘Onder Netelenbos werd het meer een vooruitgeschoven post van het rijk. Ze praatte wel met het veld, maar stond nauwelijks open voor signalen dat iets anders moest.’

Toen op 3 februari 1998 over het vmbo werd gestemd, voelde Stefanie van Vliet (D66) niets triomfantelijks. ‘Ik had zeker niet het gevoel: dit hebben we nou samen voor elkaar gebokst. Je gaat mee in zo’n traject, en uiteindelijk wordt er gestemd. Een beetje ook met: op hoop van zegen.’

De Kamer stemde desalniettemin unaniem in met Netelenbos’ voorstel. Ook CDA-Kamerlid Wim van de Camp, die destijds in de oppositie zat. Hij ijverde er zelfs voor een maximale meerderheid achter het wetsvoorstel te krijgen. ‘De vraag voor de fractie was: kunnen we ermee leven? Ja. Is het optimaal? Nee. Maar zeker bij stelselvernieuwingen is van belang dat ze niet met 76 tegen 74 worden aangenomen. Draagvlak is belangrijk.’

Toch vindt Lambrechts niet dat Netelenbos de wet erdoor heeft gedrukt. ‘Wel ging haar opvolger Karin Adelmund anders om met kritiek. Die zei: als er problemen zijn, dan lossen we die op. Dat vond ik wel verfrissend.’ Van der Vlies: ‘Adelmund was veel meer met je in gesprek. ’

Netelenbos zegt daarover: ‘In Nederland heeft men geen geduld voor goede onderwijshervormingen. Met de komst van de Tweede Fase had ik al gezegd: het wordt zwaarder, een deel van de leerlingen zal afstromen. Maar ik had mijn hielen nog niet gelicht, of Karin Adelmund vond het na een paar demonstraties nodig het programma weer af te zwakken.’ Lambrechts: ‘Adelmund zwabberde niet; ze moest veel te kordaat genomen beslissingen bijsturen.’ Cornielje: ‘Vergeet daarbij niet dat Netelenbos de staatssecretaris was van het besluit, en Adelmund van de invoering. Dat is wat anders hoor, zeker bij zo’n complex nieuw stelsel.’

In augustus 1999 ging het vmbo officieel van start. Voor de meeste buitenstaanders bleef dat onzichtbaar. In de scholen werd hard gewerkt, docenten moesten andere vakken en lessen geven, en op steeds meer gebouwen kwamen andere bordjes te hangen.

Maar in hetzelfde jaar begon de kritiek te komen. Schooldirecteuren en leraren keken boos naar Den Haag vanwege de onuitvoerbaarheid van de plannen. Ze vroegen zich af waar de politici hun wijsheid vandaan haalden om het onderwijs hiermee op te zadelen.

Volgens sommigen zat er wel degelijk een systeemfout in de gedachte dat het vbo sterker zou worden door de mavo erbij te halen. Zunderdorp van het Procesmanagement VO: ‘Ik heb het schetsen van de mavo als trekpaard van het vbo altijd heel naïef gevonden. Ik zag eerder het gevaar van de reddend zwemmer die met zijn te zware drenkeling ondergaat.’

De terugblikkers komen niet uit de kip-ei-discussie over de kloof tussen vmbo en het algemeen vormend onderwijs (havo/vwo): ontstond die nu doordat de mavo als vmbo-theoretische leerweg (vmbo-t) formeel bij het beroepsonderwijs ging horen, zoals de critici zeggen? Of was juist het probleem dat vmbo-t-vestigingen zich mavo mochten blijven noemen, en ze vanwege hun populariteit expres gescheiden bleven van de rest van het vmbo, waardoor de nieuwe schoolsoort nooit van de grond kwam? Netelenbos: ‘In Nederland mocht dat allemaal maar, scholen mochten mavo blijven. Daardoor bleven kinderen die er door hun ouders om statusoverwegingen waren geplaatst in de fuik zitten van het verkeerde onderwijs.’

Ondanks alle kritiek op de nieuwe schoolsoort, ziet eigenlijk niemand iets in het weer ontvlechten van mavo, vbo en speciaal onderwijs. Zelfs de criticasters willen niet terug naar de situatie van begin jaren negentig. Van Vliet (D66): ‘De geluiden dat we zouden terugmoeten naar de vakschool: onzin! Tegenwoordig wordt van de leerlingen zoveel meer gevraagd!’

Netelenbos noemt het onheus het vmbo als afvalputje te bestempelen. ‘Ik denk nog steeds dat leerlingen daar beter af zijn dan vroeger, ook de praktisch ingestelde leerlingen die nu wat meer theorie krijgen. De gedachte dat het sinds of zelfs vóór de Mammoetwet allemaal zo veel beter was is een idee-fixe.’

En al laait bij elk gewelddadig incident het vuur weer op, de felste kritiek lijkt zo langzamerhand te verstommen. Dat de commissie-Dijsselbloem zich in het parlementair onderzoek naar de onderwijsvernieuwingen nu ook over het vmbo buigt, heeft volgens Netelenbos dan ook alles te maken met de kortademigheid van de hedendaagse maatschappij: ‘Dat parlementair onderzoek komt veel te snel. We zijn nog geen tien jaar verder en moeten nu al de balans opmaken. Je hebt minstens vijftien jaar nodig.’

Het was allemaal veel soepeler gegaan als zich niet tegelijk met de vorming van het vmbo een aantal maatschappelijke verschijnselen had voorgedaan: leerlingen en ouders werden mondiger, en vooral de grote steden in de Randstad kregen te maken met steeds meer kinderen uit de tweede generatie migranten, die met hier en daar andere waarden en normen en vaak grote leerachterstanden de vmbo’s binnenstroomden.

Netelenbos: ‘Als men het heeft over de mislukking van het vmbo, heeft men het eigenlijk over de problemen in de Randstad.’ Cornielje (VVD): ‘Vooral de media hebben er een handje van problemen van witte en zwarte scholen, geweld, taalproblemen in één adem te noemen met het vmbo.’ Vraag blijft natuurlijk waarom Kamer noch staatssecretaris tijdens de besluitvorming, toen alle bevolkingsstatistieken al deze kant op wezen, voorzag met welke maatschappelijke fenomenen de nieuwe schoolsoort te maken zou krijgen.

‘Goedkoop’ bestempelt CDA-veteraan Wim van de Camp de roep van Van Aartsens om het vmbo weer op te heffen. Hij durft als een van de weinigen met ‘een zekere trots’ terug te kijken op de besluitvorming rondom het vmbo. ‘Het was hoogst noodzakelijk. Goed dat we het gedaan hebben. Er zijn maatschappelijke problemen, zeker, maar het is niet fair om die op het conto te schrijven van het vmbo.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden