Op Hoop Van Zegen Ja - en verder?

Ze zijn er wel: gezaghebbende auteurs die oorspronkelijke, Nederlandse theaterteksten schrijven. Maar ook Maria Goos ('Familie') en Ton Vorstenbosch ('Srebrenica!', 'Wilhelmina') menen dat klassiek buitenlands repertoire nog steeds het toneelbeeld bepaalt....

door Karin Veraart

'Ik kan zeggen dat er van mij wat aankomt', zegt Maria Goos opgetogen. Een nieuw stuk, in een zelfde constructie als destijds met haar theaterhit Familie: bij Het Toneel Speelt, in regie van Willem van de Sande Bakhuyzen. Maar inderdaad, dat wordt pas volgend seizoen, in oktober.

En we spreken dit seizoen.

En dan zien we veel Shakespeare, naast Ibsen, Von Horváth, Molière, Buchner, Schiller, Ionesco, Euripides, Sofokles, Genet, Steinbeck, Moravia en dan zijn we er nog niet. Het klassieke repertoire domineert. Waar zijn de grotere, nieuwe Nederlandse stukken?

Goos beaamt: dat ziet er sombertjes uit. Zij prijst zichzelf gelukkig met Het Toneel Speelt, de groep van Hans Croiset en Ronald Klamer die zich inzet voor oorspronkelijk Nederlands repertoire. Ze mag haar eigen acteurs 'meenemen'. 'Pierre Bokma, Gijs Scholten van Aschat, Peter Blok, Jaap Spijkers. Het Toneel Speelt steekt zijn nek uit, want ik moet nog beginnen', zegt ze. Werktitel: Goodbody Every Evening. Grinnikt. 'Dat is gewoon niet te vertalen naar het Nederlands.'

Het is niet zo dat er niets gebeurt in de wereld van het oorspronkelijk Nederlandse toneel: er worden volop plannen gemaakt, er is begeleiding voor aanstormend talent, een goede drama-schrijfopleiding kwam erbij; er wordt weliswaar een hoop gemord, maar dramaturgen sussen en jonge schrijvers relativeren - optimistische geluiden genoeg. En toch vertaalt zich dat alles maar mondjesmaat naar de grote zaal. Vreemd?

De buitenlandse klassieken hebben zich natuurlijk bewezen, verklaart Goos even later. Dat is minder risico. Zij heeft ook wel eens gemopperd. Het gevoel gehad dat er in het theater geen animo was voor nieuwe Nederlandse dingen, terwijl ze bij de televisie bewierrookt werd om haar scenario's. 'Ten tijde van Gerardjan Rijnders hoefde ik bijvoorbeeld bij Toneelgroep Amsterdam niet aan te komen. Hij zei ronduit dat-ie het verschrikkelijk vond wat ik deed; bovendien had hij natuurlijk ook zijn eigen werk. En nu Ivo, die zegt ronduit dat-ie niet houdt van toegankelijke, invoelende stukken.'

Persoonlijke ervaringen, uiteraard. 'Maar het wringt soms dat het geld zo oneerlijk verdeeld is. TGA krijgt veel subsidie, Het Toneel Speelt veel minder.'

Marge

Heeft het oorspronkelijk repertoire het dan werkelijk zo zwaar? Goos wijst op werk van Ko van den Bosch, Ger Beukenkamp, een groep als Dood Paard, op de Nederlandse lunchvoorstellingen in Bellevue. 'Daar gebeuren leuke dingen. Maar klein. In de marge.'

Klopt, zegt Bellevue-programmeur Helen de Zwart. Aan aanbod geen gebrek voor haar zaal van een man of zeventig. Maar van doorstroming naar de grote zaal is niet of nauwelijks sprake. De Zwart komt van Toneelgroep Centrum, toendertijd al voorvechter van Nederlands toneel. 'We gaven opdrachten veelal aan literaire schrijvers, Leon de Winter bijvoorbeeld. En dat was wel aardig, maar eerlijk gezegd: echt veel kwam er ook niet uit. De continuïteit was nooit hoog.' Toen Centrum in 1987 werd opgeheven, bleven de Nederlandse stukken in de lunchvoorstellingen komen.

Ook De Zwart ziet de veiligheid van een klassiek stuk. 'Maar als er dan weer drie Macbeth's geprogrammeerd zijn, denk ik: daarvan had er best één een mislukt Nederlands stuk mogen zijn.'

Begeleiding van jonge schrijvers is arbeidsintensief. Je steekt er veel in en het duurt een tijd eer je kunt oogsten. 'Je zult ook moeten zeggen: goed geprobeerd, maar geen kwaliteit, we doen het niet.'

En aan de andere kant geldt: een beginnend auteur krijgt weinig betaald, misschien eens achtduizend gulden per stuk, en laat hij twee stukken per jaar kunnen schrijven. De Zwart: 'Ik moet soms vreselijk leuren bij de ondersteunende fondsen. Dus ja, weinig emplooi, belabberde betaling: dat het televisiewezen trekt, is niet verwonderlijk.'

Een oplossing voor een en ander dient zich niet direct aan. Misschien dat er bij de grote gezelschappen toch wat meer aan begeleiding zou moeten worden gedaan. Maar, zegt De Zwart, vaak komt het er niet van. 'Je wordt met groep en al zó opgeslokt door het productieproces.'

Standaardbriefje

Probleem met begeleiding is: het is vaak liefdewerk-oudpapier. Als dramaturg bij De Trust stuurde Dorine Cremers regelmatig werk terug met een standaardbriefje: past niet in de plannen van ons gezelschap, of iets van die strekking. 'We brachten wel oorspronkelijk Nederlands werk', zegt ze, Van Warmerdam is een voorbeeld. 'Je zit toch met je publiekinkomsten en een gevestigd auteur trekt nu eenmaal meer mensen.'

Pakweg drie jaar geleden richtte ze Het Schrijverspodium op, samen met collega Paul Slangen van Hollandia. Om voor elkaar te krijgen dat het nieuwe werk toch aandacht krijgt. Ze lezen en ze bemiddelen, met groepen en productiekernen. Aanvankelijk organiseerden ze readings, onder andere in Bellevue. 'Maar hoe lief die ook zijn, dat kost zaalhuur.' In het begin was er via De Trust wat indirecte financiële armslag, maar dat is nu ook zo goed als over sinds Cremers bij de Theaterwerkplaats in Arnhem werkt waar minder geld beschikbaar is.

Vijf jaar willen ze het volhouden, in ieder geval. Plannen genoeg. Een workshop met Duitse schrijvers. Een Vlaamse poot van Het Schrijverpodium. Een digitale bibliotheek. 'Bijvoorbeeld in Duitsland zijn de toneelauteurs goed georganiseerd; ik zou hier ook een agentschap willen opzetten om schrijvers te promoten. Maar dan moet je natuurlijk eerst het kaf van het koren scheiden.'

Cremers krijgt veel leuke dingen onder ogen en wijst op het meer dan het gemiddelde aantal van 82 inzendingen voor de Taalunie Toneelschrijfprijs. 'Er wordt veel geschreven over onderwerpen van vandaag de dag. De kwaliteit is best goed.' De opleiding dramaschrijven (aan de Hogeschool van de Kunsten in Utrecht) begint vruchten af te werpen, zegt ze.

Ton Vorstenbosch schreef (vaak samen met zijn partner Guus Vleugel) tal van stukken met een Nederlands 'maatschappelijk' onderwerp. Srebrenica! (1996), over de bedenkelijke rol van Dutchbat in ex-Joegoslavië, Angst en ellende in het rijk van Kok (1999) over homohaat en het succesvolle Wilhelmina, Je Maintiendrai.

Vorstenbosch valt op dat er momenteel ook een hoop mensen zijn die niet goed weten waarover ze moeten schrijven. 'Bij werk van jongere collega's denk ik wel: het blijven slagen in de lucht. Er is geen dialectisch kader, geen commentaar waarop het publiek kan inhaken en waarover het een mening kan vormen.' Anderzijds erkent hij: bij de regisseur (of producent) zit vaak een gebrek aan durf - of zin. 'Regisseurs willen vaak hun eigen ei kwijt, en dat lukt dan beter in een adaptie dan in een heel nieuw stuk.'

Ook Vorstenbosch is somber, zo nu en dan. 'De tijd dat iets oorspronkelijk Nederlands helemaal fout was, is voorbij. Mensen vinden het nu leuk om iets van dichtbij te herkennen. Toch klopt het dat er ook dit seizoen weer relatief weinig nieuw werk van omvang is.'

De dochter van de dominee, heet zijn stuk over Annie M.G. Schmidt, dat bij impresario Jacques Senf ligt te wachten tot er een cast omheen is gebouwd. 'Je moet inmiddels bijna alles twee jaar van te voren aankondigen bij een groep of een impresariaat. Op de actualiteit inspelen lukt zo niet', zegt hij spijtig. Eerder kon hij met Gerardjan Rijnders goed uit de voeten als hij 'snel iets satirisch' wilde brengen.

'Eigenlijk loopt het toneel dus altijd wat achter. En dat vind ik wel een beetje een armoedige aangelegenheid.'

Beweging

Er zijn vrolijker geluiden te beluisteren. 'Ton moet gewoon blijven schrijven, niet afwachten', zegt dramaturg Rezy Schumacher van De Theatercompagnie nuchter. 'Hij vindt wel weer een club waarmee hij in zee kan. Dat is toneel: in beweging.'

In vergelijking met een aantal jaren geleden gaat het de goede kant uit, zegt ze. 'Nederlands theater is geen lelijk eendje meer. Dat er nog weinig voor de grote zalen wordt gemaakt, heeft gewoon te maken met het feit dat het tweehonderd jaar lang is tegengewerkt. We hebben geen schrijftraditie. Alles moest buitenlands zijn, Engels, Frans. Dat was chique. Tja en zie wat die Engelsen een traditie hebben, die Fransen!

'Nog steeds, in vergelijking met literatuur, moderne kunst, heeft theater weinig status. Maar het gaat beter. Natuurlijk zijn er uitschieters geweest als Karst Woudstra en Judith Herzberg en Peer Wittenbols daarna; zij waren de wegbereiders. Een goede kweekvijver is het jeugdtheater gebleken: Huis aan de Amstel. Je hebt Het Syndicaat, een voorbeeld bij uitstek. De schrijfopleiding in Utrecht is erbij gekomen, Het Schrijverspodium. Een nieuwe generatie. Maar het is een lange-termijnproces.'

Want de overgang naar de grote zalen moet je behoedzaam voorbereiden, zegt Schumacher. 'Anders gebeurt er wat destijds gebeurde met een stuk als Soekarno van Jan Blokker. Dat kreeg geen goede ontvangst en daarna is het weer een hele tijd stil geweest. En dat wil je niet. Je wilt niet dat het stopt. Dus moet je het in de luwte laten gedijen.' En onderwijl als groot gezelschap goed opletten.

Optimisme ook bij Peer Wittenbols. Sinds 1994 schreef hij twaalf toneelstukken; een baanbrekende rol wil hij zichzelf niet toekennen, wel een constante. Samen met studiegenoot/regisseur Rob Ligthert met wie hij in vaste combinatie werkt, richtte hij in Limburg De Federatie op, dat in de recente fusiegolf opging in Oostpool (Arnhem).

'Ik ben blij gestemd als we het hebben over de stand van het Nederlands theater', zegt hij. Er is niet meer die sfeer van: we kunnen het niet. Wat er meer en meer gebeurt: mensen blíjven schrijven. Niet zo een keer een stuk en dan basta. Dat is ook wat Oostpool op zijn manier nastreeft: 'Cónsequent Nederlands toneel op allerlei plekken wegzetten. De mensen moeten de taal leren liefhebben.'

Het publiek moet wennen. 'Sinds Heijermans is er op een paar pieken na weinig gebeurd. We zijn bezig aan een inhaalslag. Een steeds groter gedeelte is er klaar voor; die groep moet groter. Maar ik heb niet het idee dat we een verloren strijd voeren, integendeel.'

Oostpool, maar ook de andere grotere gezelschappen, zijn zich die ontwikkeling bewust, denkt Wittenbols. 'Ik krijg alle ruimte, schrijf alleen maar. Wij hebben gezegd: dat vinden we belangrijk. Dus gaan ze goed voor me zorgen. Zo heb ik de rust, maar ook de verantwoordelijkheid, word ik uitgedaagd het zo goed mogelijk te doen.'

Verkering

'Een regisseur moet jouw taal weten te begrijpen', zegt auteur Rogier Schippers en wijst op het duo Wittenbols-Ligthert. 'Peer en Rob, die hebben echt verkering. Rob kan meerdere lagen blootleggen in die speciale taal van Peer. Dat is een kóppel.'

Nederland heeft een sterke traditie van regisseurs die hun handtekening willen zetten, zegt ook hij. En ja, een stuk dat nog niet eerder is gebracht, 'daarmee kun je goed op je bek gaan. Maar: ik denk dat er toekomst in zit, ook bij de grote gezelschappen. Je trekt het niet meer met alleen Othello of John Gabriel Borkman. Het Nederlandse stuk heeft zich bewezen en je zou gek zijn om er niet op in te springen.'

Dus: geduld oefenen dan maar?

Niet alleen dat. Een ander aspect, aldus Schippers: 'Ik ken heel veel mensen die die ambitie niet hebben voor een grote zaal te schrijven. Ikzelf ook niet.' Drie stukken schreef hij voor de kleine zaal, de vierde El Dorado (Productiehuis Brabant-ZT/Hollandia) is in de maak, in de regie van Paul Slangen. Binnenkort gaat hij iets doen bij het Noord Nederlands Toneel (NNT).

'Wij hebben Koos Terpstra in huis, die schrijft voor de grote zaal', zegt Dennis Molendijk van het NNT. Daarnaast nodigen ze jonge schrijvers/makers uit en geven schrijfopdrachten aan Fenneke Wekker. 'De ene keer voeren we het ook uit, de andere keer niet. We zullen het niet automatisch produceren, maar we willen wel een traject aangaan: concreet beginnen, uitbouwen, investeren. Want Fenneke staat de eerste twee jaar niet in een grote zaal; zoiets is een langduriger project.

Ook Molendijk wijst op het gemis van een schrijftraditie zoals die in Groot-Brittannië bestaat. 'Wij hebben altijd regisseurs gehad die schreven, neem Koos, Rijnders, Oscar van Woensel, Don Duyns - en uit die situatie zijn ook heel bijzondere stukken voortgekomen. Nu begint het schrijven op gang te komen, maar dat is nog niet kant en klaar voor de grote zaal.'

Mannetje

'Ik vind er weinig aan, de grote zaal,' zegt (toneel-) schrijfster Esther Gerritsen. Zij timmert gestaag aan de weg, in veel gesprekken valt haar naam. 'Ik ga niet heel vaak naar het theater en al helemaal niet naar de grote zaal. Zo'n klein mannetje in de verte, dat vanaf een groot podium naar je staat te schreeuwen.'

In het kader van een essay-opdracht volgde ze het Theaterfestival. 'Iemand zei ergens dat het zo jammer was dat er niet meer Macbeth's in het festival stonden, leuk om te vergelijken. Nou! Als je het saai wilt maken!'

Even later: 'Mijn generatie schrijft meer over wat er nu gaande is, wat ons nu bezighoudt. Vooralsnog schrijf ik vaak over groepjes van twee, drie of vier mensen, hun onderlinge verhoudingen.' Volgend project is een stuk voor de Arnhemse groep Keesen & Co.

Het kan verschuiven. 'Als ik straks grotere verbanden zou wil belichten, dan heb ik meer ruimte nodig, en ja, dan kan het zijn dat ik naar de grote zaal verhuis. Maar ik hoef niet zo nodig, hoor.'

Hans Croiset, strijder van het eerste uur, oprichter van Het Toneel Speelt, is ontstemd. 'Niemand heeft interesse in onze taal.' Ook Croiset vindt dat er te weinig is, dit seizoen. Kleine zaal, daar heeft hij het niet over. 'Wat daar gebeurt is top.' Maar een stuk heeft zich in zijn ogen pas bewezen als het in de grote zaal heeft gestaan. Dan zal blijken of het adem heeft. Dat staat buiten kijf.

'Wij versagen niet. Wij gaan door', roept hij over Het Toneel Speelt. Maar hij is wel verbolgen over het feit dat hun productie Stervelingen van Benno Barnard zo hard is aangepakt. Meedogenloze pers, narrig publiek. Natuurlijk kan iets tegenvallen. 'Maar als Shakespeare aan het begin van zijn carrière zo was neergesabeld, had hij nooit meer een stuk geschreven. Er is geen liefde, die de mensen aanzet tot nuancering.' Eerder zelfhaat.

Nederland kent een vertaalcultuur, benadrukt Croiset. Eigen werk heeft geen prioriteit. Vraag iemand een geliefd Nederlands fragment uit te kiezen, je krijgt Op hoop van zegen. 'Een prachtig stuk als Een Sneeuw, of Een Zwarte Pool, het zit niet in het collectieve geheugen.'

Er moet iets gebeuren, zegt hij even later. De grote zaal mag zijn betekenis niet verliezen. Geef Het Toneel Speelt een normaal bedrag aan subsidie en die Nederlandse stukken die komen er; dat er een breed publiek voor bestaat, heeft Maria Goos' Familie wel bewezen. Het vereist inzet, begeleiding, tijd, geld en doorzettingsvermogen, maar het moet lukken. 'Want zeg nou zelf, dat dit een item is, is toch hartverscheurend.'

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden