Op hoge hakken naar de supermarkt

Nederlanders zien er nog steeds saai uit, klaagt de ene ontwerper. In Londen zit je dichter bij de belangrijke mode-tijdschriften, mijmert een ander....

door Milou van Rossum

NEDERLAND EN MODE waren altijd twee begrippen die eigenlijk niet bij elkaar hoorden. Nederlanders staan er tenslotte om bekend dat ze zich slecht kleden, en vooral niet te veel geld aan hun garderobe willen spenderen. Geen klimaat waarin vernieuwende mode gedijt. Eind jaren tachtig werd dat nog eens bevestigd. Verenigd in GILL deed een aantal Nederlandse merken een poging de wereld te veroveren. Ze stonden in alle Nederlandse bladen, soms in buitenlandse. Maar uiteindelijk konden ze het hoofd niet boven water houden.

Ruim tien jaar later lijkt het tij gekeerd. Dutch Modernism, Dutch Minimalism, Design Power aus Holland, Lumière du Nord, Les Chirurgiens Néerlandais du Vêtement: Nederlandse mode is een begrip geworden, een serieus te nemen stroming in de internationale modewereld.

Dutch Modernism is ook de titel van de tentoonstelling die deze week opent in het Centraal Museum in Utrecht. Conservator José Teunissen nodigde elf ontwerpers of ontwerpersduo's - meer dan de helft van de deelnemers opereert getweeën - uit, die onder hun eigen naam werken en op dit moment internationaal actief zijn.

Viltwonder Claudy Jongstra hing haar ruige, ongepolijste ontwerpen tussen de beelden in de Agnietenkapel. Aziz Bekkaoui laat niet meer dan een video zien en een set bestaande uit een wijde, bewerkte gouden rok met beige truitje. Saskia van Drimmelens ingetogen ontwerpen bungelen in een kale, lichte ruimte aan het plafond. De nadrukkelijk on-Hollandse damesachtigheid van Oscar Suleyman wordt getoond door gezichtsloze etalagepoppen op een catwalk in een Lodewijk XVI-stijlkamer. Zo uiteenlopend ogen aanpak en kleren, dat je je afvraagt of Dutch Modernism wel een beweging is, en niet een willekeurige verzamelnaam voor een aantal ontwerpers die toevallig uit hetzelfde land komen.

'Het zijn vooral een aantal buzzwords, die steeds worden herhaald', zegt Guus Beumer (45). Filosoof en conceptenbedenker Beumer bestiert samen met ontwerper Alexander van Slobbe (41) SO by Alexander van Slobbe. 'En op den duur lijkt er dan vanzelf wat te ontstaan. Die buzzwords zijn: constructie, abstractie, architecturaal werken en, natuurlijk, minimalisme, al heeft SO al in 1993 afstand genomen van dat woord.

'Het is onderhand een beetje een keurslijf geworden, waaraan iedereen lijkt te willen ontsnappen. Maar ik denk dat als je het zo allemaal bij elkaar ziet het minimalisme toch nog een dominante invloed is, waarvan je bij elke ontwerper nog wel iets terugziet.'

'De Nederlandse invloeden zijn niet te ontkennen', zegt ook ontwerper Gerrit Uittenbogaard (29). 'Ik zie mezelf op de eerste plaats als vormgever; dat ik kleding vormgeef is eigenlijk toeval. Dat vormgevingsaspect is denk ik puur Nederlands. Wij doen niet aan thema's als Terug naar 1870 of De jaren zestig.'

'Daarom,' vindt ontwerpster Saskia van Drimmelen (31), 'is het een eerlijke manier van ontwerpen. Het gaat om het kledingstuk, het concept. Het voordeel daarvan is ook dat het allemaal niet zo snel veroudert.'

Van de exposanten was Alexander van Slobbe de eerste die op internationaal niveau aan de weg timmerde. Van Slobbe begon in '89 samen met Nannet van der Kleyn het vrouwenlabel Orson & Bodil. Die samenwerking liep spaak en in 1994 ging hij, gesteund door een fabrikant, over op SO, aanvankelijk voor beide seksen maar al snel alleen voor mannen. SO draaide vanaf '95 mee met de mannenshows in Parijs. Het leek een enorm succes te worden: in 1996 werd SO aangekocht door maar liefst 180 winkels. Maar door productieproblemen werd een groot deel van de collectie dat jaar veel te laat geleverd. Het merendeel van die 180 winkels hield het het seizoen erop gezien met het Nederlandse merk. SO is er inmiddels weer bovenop en doet het vooral in Japan erg goed.

Maar SO is een uitzondering, net als Viktor & Rolf, de twee couturiers die al een paar jaar de lieveling van de internationale modepers zijn en die hun eerste prêt-à-porter collectie verkochten aan zestig modewinkels over de hele wereld. Voor de meeste ontwerpers die aan de tentoonstelling deelnemen, is dat allemaal (nog) ver weg, hoe zeer ze ook geprezen worden.

Neem Keupr/vanBentm. Het duo won in 1998 een prijs tijdens de prestigieuze internationale modewedstrijd in het Zuid-Franse Hyères (opvallend veel Nederlanders slepen daar prijzen weg), volgde, net als een groot deel van de rest van de exposanten in Utrecht, de eerste post-academische cursus van het Fashion Institute Arnhem en deed dus vorig jaar maart ook mee aan de groepspresentatie daarvan in Parijs. Afgelopen oktober was er een eerste, succesvolle, eigen show tijdens de Parijse prêt-à-porter-week.

Na die show plaatsten twee winkels een bestelling. Maar een producent hadden Michiel Keuper (30) en Francisco van Benthem (28) niet, dus moesten ze alle dertig kledingstukken zelf fabriceren. Nee, zo kun je geen bestaan opbouwen. Daarom nemen ze ook opdrachten aan. Keupr/vanBentm, dat onder eigen naam radicale dingen maakt als de geëxposeerde broek-jas-jurk-deur van rood skai, ontwerpt daarnaast de bedrijfskleding voor de Primafoonwinkels. Onlangs zijn ze met hun eigen collectie van prêt-à-porter overgestapt naar haute couture; hun eerste coutureshow is volgende week in Parijs. 'Dat is de beste manier om je ideeën te presenteren, en dat is ons belangrijkste doel.'

Gerrit Uittenbogaard, die grafische,ingenieus geconstrueerde ontwerpen maakt, kan evenmin leven van zijn mode. 'Gelukkig zijn wij hier gezegend met een beurzensysteem,' zegt hij. 'Al besef ik wel dat we daar een keer van af moeten, we kunnen niet fondsen blijven aanschrijven.' Ook Uittenbogaard maakte deel uit van de eerste lichting van het Fashion Institute Arnhem. 'Ik heb daar heel veel aan gehad, internationale contacten gelegd. En daarna ben ik een tijdje door een Frans persbureau vertegenwoordigd geweest, maar omdat er maar geen productie kwam, hield dat op een gegeven moment weer op. Stylisten blijven geen kleren lenen die niet te koop zijn. Ik was een beetje verblind door alle publiciteit en heb nooit goed nagedacht over de vraag of ik nu door wilde gaan met mode als kunstvorm of echt een collectie in de winkels wilde hebben.'

Als tussenoplossing startte hij samen met Natasja Martens (27), met wie hij tegenwoordig samenwerkt onder de naam G+N, de internetsite fashionfugitive.nl. 'Niet om te verkopen, want ik geloof niet zo in verkoop via internet, maar om te laten zien waar we mee bezig zijn. Uiteindelijk willen we toch commercieel gaan produceren.' Hij zucht. 'Het is af en toe allemaal erg frusterend, terwijl ik weet dat we lekker bezig zijn. Als ik op hetzelfde niveau zou schilderen, zou ik geen enkel probleem hebben.'

Een deel van de moeilijkheden van Nederlandse ontwerpers wordt nog altijd geweten aan het feit dat ze vanuit Nederland werken. 'Nederlanders zien er nog steeds saai uit en maken geen statement,' vindt Oscar Raaijmakers (28) van het duo Oscar Suleyman, dat afgelopen voorjaar, met overheidssteun, zijn eerste prêt-à-portershow had in Parijs. 'De mentaliteit is echt: doe maar gewoon. Als wij hoge hakken laten zien, is het meteen van: daarop kun je niet naar Albert Heijn. '

'Er is hier geen eigen productie-apparaat, en als je bijvoorbeeld in Londen zou zitten, zit je dicht bij veel internationaal gelezen tijdschriften,' zegt Saskia van Drimmelen.

Maar volgens Matthias Vriens (36), ex-hoofdredacteur van het internationaal operende Nederlandse modeblad Dutch, ex-rechterhand van Giorgio Armani en thans senior art director bij de Gucci Group, zou het de meeste Nederlandse ontwerpers nog veel slechter vergaan als ze in het buitenland woonden.

'Als je geen geld verdient, red je het nergens, behalve in Nederland. Zodra je in Nederland iets doet dat maar een beetje interessant is, krijg je subsidie. Commercie is echter wel degelijk een aspect van mode. Als dat ontbreekt, ontbreekt iets wezenlijks. Je kunt niet alleen de artiest uithangen, en het is niet realistisch om van mensen te verwachten dat ze een jas aantrekken met drie bulten op de rug.'

Vriens gebruikte in de periode dat hij bij Dutch betrokken was dan ook geen kleren van Nederlanders in modeproducties, al is hij wel te spreken over Viktor & Rolf: 'Niet mijn vocabulaire, maar ze hebben de Nederlandse mode veel gegeven en ze zijn een echte ideeënmachine.'

De Parijse show van het Fashion Institute Arnhem vond Vriens bepaald geen aanbeveling. 'Het was zelfs een ramp', zegt hij. 'Ik kon het echt niet serieus nemen. Alleen maar toeters en bellen en bulten. En iemand die schoot met een pistool waarop er dan een heleboel bloed tevoorschijn kwam. Het leek wel een show van eerstejaars studenten. Terwijl het een enorme kans was; de hele wereldpers was gekomen. Ik schaamde me gewoon. Ik ben dol op Nederland, ik zou het fijn vinden als het echt goed ging met de Nederlandse mode.'

Gerda van Ravenstein is de eigenaar van de gelijknamige winkel in Amsterdam, een van de weinige in Nederland die gespecialiseerd is in avantgarde-labels. Vooralsnog zijn die bij haar voornamelijk afkomstig uit België, de enige Nederlandse merken die ze voert zijn Saskia van Drimmelen en Viktor & Rolf. 'Ik houd alle Nederlanders in de gaten, ga ook altijd maar ze toe in Parijs. Maar kijk bijvoorbeeld naar de laatste collectie van Rozema/Teunissen. Hele mooie stoffen, hele mooie kleuren, goede snit. Maar blijkbaar vinden ze dat hun handschrift zo nog onvoldoende wordt benadrukt, dus hangt er af en toe een soort druppel aan de stof. Dat is niet mooi, dat is teveel.'

Nederlanders hangen de kunstenaar uit en houden te weinig rekening met mensen, aldus Van Ravenstein. Terwijl Belgen daarentegen op de eerste plaats kleermakers zijn, die hun vak uitoefenen. 'Ik heb Orson & Bodil gehad, maar daarvan was de pasvorm echt niet goed. Aziz liep hier ook niet.'

'Veel Nederlandse ontwerpers zitten gewoon een beetje vast', vindt Guus Beumer. 'Ze houden allemaal een format aan van een duootje vormen, een collectietje showen in Parijs en dan maar hopen dat het een internationaal succes wordt. Waarom altijd dat collectietje? Waarom Parijs? Die wereld wordt gedomineerd door Prada en Gucci, het is heel moeilijk om daar tussen te komen. Waarom niet eens een leuke winkel in de Beethovenstraat en de strijd aangaan met Mart Visser? Als je eens wist hoeveel verzoeken wij hier krijgen voor special dresses. Als we er tijd voor hadden, zou dat een fantastische bron van inkomsten zijn. Daar zit een enorme markt.'

Ronald van der Kemp (34) maakte in een stijlkamer van kunstenaar Lion Cachet een Helmut Newton-achtige setting met Roothstein etalagepoppen uit de jaren zestig en zeventig, gestoken in kleren die, in zijn eigen woorden, 'soms neigen naar het Nieuwendijkachtige'. Het is de enige presentatie in het Centraal Museum die iets wegheeft van een gestileerde modefoto; Van der Kemp is van de deelnemers dan ook degene die het meest op de markt is georiënteerd . In Nederland heeft Van der Kemp nooit willen werken. Toen hij tien jaar geleden afstudeerde aan de Rietveld Academie in Amsterdam, vertrok hij meteen naar New York omdat hij 'echt iets wilde betekenen in de mode en ik het gevoel had het het hier allemaal toch te beschermd is. Ik kwam daar natuurlijk aanzetten met heel extreem werk', zegt hij, 'en daar zat niemand op te wachten.' Toch kwam hij terecht bij Bill Blass en het hippe warenhuis Barneys. Sinds een einde kwam aan zijn korte carrière als hoofdontwerper bij Guy Laroche in Parijs, waar hij vorig jaar al na zijn eerste collectie wegging, is hij daar begonnen met een prêt-à-portercollectie onder zijn eigen naam.

'Uiteindelijk', vindt hij met Gerda van Ravenstein en Matthias Vriens, 'gaat mode om kleren die in een winkel moeten hangen en echt gedragen moeten kunnen worden. En het is tijdelijk: wat nu interessant is, is dat over twee jaar niet meer. Maar kleren kunnen ondertussen wel degelijk een verhaal vertellen, bepaalde dingen zeggen over de tijd waarin we leven. Het verveelt me nooit. Elke keer dat ik denkt dat ik het wel gezien heb, krijg ik er toch weer een kick van.'

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden