Op het Tweede Gezicht

De serie geschreven en getekende portretten 'Op het Tweede Gezicht' stopt. De namen van de personen die in bijna drie jaar in deze rubriek zijn 'ontleed', staan onderaan deze pagina....

KEES FENS

Wim Kok had de laatste moeten zijn. Hij is echter al vrij vroeg geportretteerd. Niemand wist toen, dat zijn uiteraard aangeboren Hollanderschap nog zulke groeimogelijkheden had. Over enkele jaren moet hij de volmaakte belichaming zijn van dit land. En alle anderen in de reeks, Pronk zelfs, zullen slechts een schaduw van hem blijken. Ik kijk naar buiten, het is een grijze zomeravond, in dit land onvermijdelijk na een uitbundige dag. Het land heeft weer de plooien van de ernst en het licht is naar zichzelf teruggekeerd. Ik stel me het polderlandschap voor; de rechtzinige sloten, daartussen de weilanden, de koeien beginnen in het laatste licht te vergrijzen. De schapen staan op het droge. Erboven waken de wolken, wat moe na een lange, maar tevreden dag. De polder is zijn eigen gemeenplaats.

Een lange grijze man passeert mijn huis. Het zou Kok kunnen zijn. Ik zou hem niet herkennen. Hij zou een ander of iedereen kunnen zijn. En dat is zijn kracht; hij valt niet op. En dat komt ook door zijn onveranderlijkheid, zoals de polder ook altijd hetzelfde is. Soms oogt hij wat zwaarbewolkt, maar bijna altijd zijn zijn gezicht en gestalte gelijkmoedig. Een enkele keer loopt hij wat gebogen, maar dat doen we allemaal, want we hebben altijd tegenwind. Zijn spreken is even recht als de sloten, even helder als het water erin, maar ook saai, zoals stilstand water dat is. Wie spreekt hier met lichtheid, met onverwachtheden, geestigheden?

De Nederlandse taal is voorbeschikt altijd stroomafwaarts te gaan en, zoals het in de poëzie gelukkig wel gebeurt, de maan stroomt niet mee. Zoals de polder en zoals Kok, is de gesproken taal enkelvoudig. Bijna alle spreken - ik heb het bij het schrijven van de stukken uit deze reeks gemerkt - is een variatie op die enkelvoudigheid. En voor de gebaren geldt hetzelfde. Een Nederlandse arm reikt nooit hoger dan eigen schouderhoogte. En de handen ontvouwen zich alleen ter verklaring, heel licht want onze woorden behoeven geen toelichting. Ze zijn degelijk als een fiets.

Kijk, daar rijdt Kok het Binnenhof op. Hij zit kaarsrecht. Hij gaat naar zijn werk. Als de meesten van ons. Zijn ambt heeft hem nog onpersoonlijker en dus Nederlandser gemaakt, zeker in zijn taal. Als vakbondsleider sprak hij altijd over de 'portemonnaie', niemand kon dat woord zo treffend uitspreken: je zag een wat verouderd stukje leer, met daarin de laatste centen van de minima. Nu spreekt hij in de bijna abstracte taal van de grote economie en verder in gemeenplaatsen, het asfalt van de taal. En de Kamer komt hem in gelijke taal tegemoet. Hoeveel zinnen zijn uit het parlement de geschiedenis ingegaan? Vijf misschien. Dat bewijst onze grootste gave: niet opvallen. Soms lijkt ons land een grasveld, eenkleurig en allemaal gelijke sprieten.

De grootste triomf kent onze democratie in de kleding. Ook in de grijsheid daarvan - al draagt hij donkerblauw - is Kok voorbeeldig. Hij heeft wel zijn best gedaan - dat vinden wij heel mooi, want we doen allemaal ons best; er is geen land waar ieder zo zijn best doet - maar de kleur schiet er niet in. Het is vooral netjes.

De superieure slordigheid van Van Mierlo is voor alle andere politici onbereikbaar. Hij is ook vrijwel de enige die zeer goed en vooral geestig spreekt en ook nog zelf plezier heeft in wat hij zegt, zeker wanneer hij (hoe zeldzaam in dit land) een fraaie aforistische afronding aan zijn betoog weet te maken. Het hele nu demissionaire kabinet is voor mij wit wasgoed aan de lijn in de Hollandse wind. Ik ben genoeg Nederlander om dat mooi te vinden: dat bollen en weer terugvallen in de strakheid, het uitwapperen van eigen witheid, het vlaggen voor het begin van een nieuwe schone week. Van Mierlo hoort er niet tussen. Misschien heb ik aan mijn stuk over hem met het meeste plezier geschreven. Of het zou dat over mevrouw Borst moeten zijn, die overigens een dubbelportret verdient, want ze heeft na de verkiezingen een andere gestalte gekregen.

De cultuurgeschiedenis heeft alles met elkaar in verband gebracht: de waterhuishouding en de democratie, de rechte sloten en Mondriaan, de Amsterdamse grachten en de burgercultuur - gelijke burgers, geen paleisjes aan die grachten - de afwezigheid van grote monumenten en onze aangeboren afkeer van uiterlijkheden en die afkeer weer met het calvinisme, waarmee alles in verband is gebracht. Alsof Nederland met het calvinisme niet een passende godsdienst als een geschenk uit de hemel kreeg.

Naar Frits van Oostrom heeft laten zien, vertoont onze Middelnederlandse literatuur al trekken die wij gewoon zijn op het calvinisme terug te voeren. Wat wij calvinistisch noemen, is gewoon Hollands. Hoewel, ik durf Nederland ook een typsch rooms land te noemen.

Wat is de kracht van de katholieke kerk? Een strenge leer verkondigen, maar een zachte praktijk verdragen. De roomse kerk is de moeder van de gedoogcultuur. En Nederland werd het vaderland ervan. Misschien is er niets democratischer dan die cultuur, want iedereen kent zijn eigen zwakheden. Maar daarom eist hij ook het recht op daaraan toe te geven. Wij zijn verdraagzaam zolang wij zelf verdragen worden, gelijk zolang ons onze eigen kleine ongelijkheid blijft gegund.

Elk portret heeft een bijzonder en een algemeen model. En het eerste wordt naar het tweede gemaakt. Dat tweede model - de Nederlander bijvoorbeeld - is heel algemeen, zo geen verzameling gemeenplaatsen. Maar toch: men toetst het bijzondere aan dat algemene. Dat algemene is voor een deel de verzameling persoonlijke - want aan de eigen persoon ontleende - ideeën van de schrijver van het portret. Hij schrijft dus ook naar eigen beeld en gelijkenis. Hoe meer Nederlander hij zich weet, hoe Nederlandser de meesten van zijn personages zullen worden, maar hoe scherper hij ook de verheugende uitzonderingen ziet. In elk geval: de schrijver is het derde gezicht.

Misschien is het woord dat ik het liefst neerschrijf dit: 'onnederlands'. Ik acht dat adjectief voor een Nederlander het hoogste compliment. Dat kan bewijzen hoe Nederlands ik mijzelf voel. Een paar maanden geleden stond ik even aan de rand van de Beemster. Het land lag plat uit eerbied voor de eeuwigheid voor de zware luchten erboven. Het woei en die wind rook naar gras, 'de auto, ver reeds,/zoemde op de diepe polderweg' om de allermooiste Hollandse regel uit de Nederlandse poëzie te citeren. Ik keek en luisterde en was gelukkig met Gods kleinschaligheid.

Hoeveel Kok kan een mens in zichzelf verdragen?

Kees Fens

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden