Op het menu van het Binnenhof staat vaak alleen een bord zand

Kenmerkend voor het politieke bedrijf is de neiging van politici spelletjes te spelen tot ver voorbij de grens van het begrip dat een burger kan opbrengen, betoogt Jet Bruinsma....

BEGIN JAREN zeventig, ik werkte nog niet zo lang in Den Haag, kwam er tijdens een debat in de Tweede Kamer een bode naar mij toe met een briefje. Daarop stond: 'Je zit te kijken of je een bord met zand moet leegeten.' Het briefje was afkomstig van Joop Voogd, Kamerlid voor de Partij van de Arbeid. Hij had groot gelijk.

Ik moet bekennen dat ik de afgelopen 27 jaar heel veel borden met zand heb gegeten. Saaiheid en duur van veel discussies - die die naam eigenlijk niet verdienen - kunnen hartverscheurend zijn.

Een tweede maagschurend kenmerk van de Haagse cultuur, dat me zo mogelijk nóg meer tegenstaat, is de neiging om politieke spelletjes te spelen tot ver voorbij de grens van het begrip dat een burger kan opbrengen.

Het leukste van werken in Den Haag is eigenlijk dat het heel veel aanleiding geeft om het land in te gaan teneinde zelf te zien hoe het toegaat in de gewone-mensenwereld. In de loop der jaren werd het me steeds duidelijker dat je in Den Haag aan de eindlijn zit van allerlei processen die in de maatschappij allang op gang zijn gekomen.

Sterker nog: Den Haag ligt vaak in een andere wereld. Er zijn twee werkelijkheden, die van de politiek en die van het volk, om het simpel te formuleren. Een enkel voorbeeld.

De politiek knijpt de thuiszorg af om haar te dwingen doelmatig te werken onder het motto: zorg op maat. De werkelijkheid is dat de wijkzuster met de stopwatch in de hand de zorg afraffelt omdat er te weinig geld is voor zorg op menselijke maat. Geldgebrek leidt er soms zelfs toe dat dat terminale patiënten die thuis willen sterven op een wachtlijst terechtkomen. Dat is de macht van de politiek.

Soms werkt het andersom. Er komt een koppelingswet, die onderwijs en gezondheidszorg voor illegalen rantsoeneert, in elk geval financieel. En er is een realiteit waarin illegale patiënten wél worden geholpen ook als ze niet levensgevaarlijk ziek zijn. Dat is de onmacht van Den Haag.

Het voorbereiden van dit verhaal dwong me om terug te kijken. Zijn er verschillen tussen toen en nu? En waar komt de weerzin toch vandaan, die ik bij tijd en wijle tegen politiek voel?

Een paar argumenten voor die weerzin, want aan gratuite beweringen heeft niemand iets. Ik begin bij wijlen Joop Voogd (van het bord zand). Hij was een bewogen en gerespecteerd parlementariër, die zich in de jaren zeventig inzette voor de erkenning van oorlogsslachtoffers.

Als lid van de oppositie kreeg hij wel verbale steun, maar niet zijn zin. Tot een nieuw Kamerlid, lid van een regeringspartij, in 1971 met een motie kwam die niet fundamenteel afweek van wat Joop al jaren achtereen had gevraagd. De nieuwe 'regeringsmotie' werd per omgaande uitgevoerd. De motie-Voogd werd door de regering opnieuw afgewezen en dus verworpen.

Dat gebeurde op 16 november 1971, ik werkte op de kop af een jaar bij de Volkskrant. Kun je nagaan wat een indruk het op mij gemaakt heeft.

Ik waag te betwijfelen of er sindsdien wezenlijk iets is veranderd. Zie de wettelijke regeling voor deeltijdarbeid: het voorstel van GroenLinks (toen nog klein) haalde het niet dankzij die andere oppositiepartij, het CDA. De christen-democraten zouden wel met een eigen voorstel komen.

Nu wil Paars-2 wéér iets anders. Zijn de verschillen écht zo groot? Zou het volk begrijpen waarom het ene wetsontwerp beter is dan het andere? Zouden de mensen hun stemgedrag erdoor laten bepalen?

Het bedenken van een compromis voor politieke meningsverschillen is soms belangrijker dan het voeren van rationeel beleid, zo lijkt het. Zie de eigen bijdragen die vorig jaar werden ingevoerd in het ziekenfonds. De coalitie was verdeeld, dus moest er een list worden verzonnen.

En zo kwam er een regeling uit de bus die onuitlegbaar ingewikkeld is, geld kóst in plaats van bespaart en oneerlijk is bovendien: sommige minima moeten een hogere bijdrage betalen dan andere. Mij dunkt dat die eigen-bijdrageregeling alleen maar verliezers heeft opgeleverd: de patiënten, de ziekenfondskassen en de politiek. Was de eenheid in de coalitie die prijs wel waard?

Misschien waren er goede argumenten om de Turkse kleermaker Gümüs vorig jaar uit te wijzen. Maar die argumenten verliezen alle kracht als tegelijkertijd asielzoekers wegens plaatsgebrek of lastig gedrag uit opvangcentra worden weggestuurd en dus tot illegaliteit veroordeeld.

Zou de politiek niet ook hoedster moeten zijn van moraal?

Maar er zijn ook verschillen. De openbaarheid is tegenwoordig groter dan 25 jaar geleden, al geldt dat niet voor kabinetsformaties. Speeches zijn tevoren beschikbaar, wetsvoorstellen en nota's zijn bekend lang vóór ze officieel zijn gedrukt. Dat was vroeger wel anders. De contacten met bewindslieden, Kamerleden en ook ambtenaren zijn zeker soepeler en informeler dan 25 jaar geleden.

Journalisten hebben de taak om te laten zien hoe de wereld, met al zijn verschillende werkelijkheden, echt in elkaar zit. En als het even kan, moeten we ook uitleggen hoe dat komt. Machtsverhoudingen blootleggen dus. Dat klinkt simpel, maar dat is het natuurlijk niet. Het is trouwens niks nieuws, in de jaren zestig en zeventig vonden we dat ook al.

In Den Haag wordt bij machtsverhoudingen te vaak gedacht aan de relaties tussen de verschillende politieke partijen, vooral die van de coalitie. Niet alleen politici doen alsof dat zo is, óók veel journalisten. Volgens mij is die zienswijze te beperkt. De werkelijke machthebbers zitten niet in Den Haag, maar bij grote bedrijven, pensioenfondsen, verzekeraars, banken. De politieke spelbepalers hebben hun thuisbasis vaak buiten Nederland, in internationale organisaties. Dat wordt wel eens vergeten.

Politiek op zijn smalst - de politiek met een kleine p, zegt Hans Wijers - gaat over een beperkte werkelijkheid. Die kleine politiek komt en kijkt niet verder dan de vierkante kilometer, de vissenkom, de kaasstolp van het Binnenhof. De realiteit daar bestaat voor een groot deel uit koopkrachtplaatjes en de tienden van procenten verschil daartussen. Het zijn de kleine politici die steggelen over de vraag wie en welke partij de eerste handtekening onder een motie mag zetten om ermee de geschiedenis (vaker de vergetelheid) in te gaan.

Verdeeldheid in de coalitie, paars of niet, ja zelfs de kans daarop, leidt nogal eens tot opwinding bij spelers en Binnenhof-watchers. Een kabinetscrisis is natuurlijk het allermooiste wat kan gebeuren, maar een goede tweede op de calamiteitenlijst is dat een minister wordt gedwongen het onaanvaardbaar uit te spreken. Weliswaar is de crisis dan gesmoord, maar er zal een prijs moeten worden betaald. Spannend allemaal.

Toch wil ik het misverstand wegnemen dat ik de beperktheid van veel Haagse journalistiek alleen maar negatief vind. Iedereen hier kent smakelijke verhalen over bedgeheimen en andere roddelpraat over politici. Toch worden die praktisch nooit opgeschreven, omdat ze niet van belang zijn voor iemands functioneren in de politiek. Zo hoort dat ook.

Haagse journalisten worden door de snel verspringende actualiteit gedwongen tot een jacht op feiten en incidenten, die bezinning te vaak onmogelijk maakt. Je moet snel selecteren en dat leidt onvermijdelijk tot vertekening, tot een zekere eenzijdigheid wellicht. Het voorgaande is daarvan een illustratie.

Het kán niet anders of je pikt uit de overvloed aan gebeurtenisjes dingen die na een maand of zelfs na een dag al niet meer relevant zijn. Omgekeerd laat je dingen weg die nu juist bij nader inzien bepalend waren.

Maar als je wacht tot alles duidelijk is, verhinder je de mondige burger om kennis te nemen van de plannen die de politiek aan het maken is. Een ongeïnformeerde burger kan niet deelnemen aan het maatschappelijk debat en kan de volksvertegenwoordiging niet tot de orde roepen. Toch moet dat wél gebeuren.

Maar aan de andere kant: de lezer, kijker of luisteraar gek maken met de waan van de dag en de ondoorgrondelijke veelheid aan incidentjes levert ook geen bijdrage aan de openbaarheid en het inzicht, die voor de democratie zo noodzakelijk zijn.

Daarom denk ik dat we - ondanks de druk van hoofdredacties om met primeurs te komen of tenminste het exclusieve nieuws (soms niet meer dan snippers) van de concurrent ook te brengen - iets meer achter de onmiddellijk zichtbare incidenten moeten kijken. Inzicht komt niet tot stand door het aantal gemelde feiten, maar door de zinvolle ordening ervan. Ik zeg niet dat journalisten (inclusief ikzelf, ik heb achter heel wat nieuws aangehold, terwijl ik beter even had kunnen nadenken) het voortdurend laten afweten. Maar wél, dat we het ordenen te vaak overlaten aan de historici en de politicologen. Maar die hebben er niet alleen jaren voor nodig, ze hebben doorgaans ook nooit de geur van de stallen geroken, zoals mijn collega Jan Joost Lindner dat noemt.

Nog even over dat bord zand gesproken. Natuurlijk moet het parlement zijn wetgevende taak zorgvuldig uitoefenen. Maar zou het daarvoor echt nodig zijn dat wetten en regelingen voortdurend in het openbaar worden herkauwd en vermalen? Dat alle partijen schriftelijk en daarna nog eens mondeling vaak grotendeels dezelfde verhalen afdraaien?

Zeker, parlementaire democratie kan niet bestaan zonder openbaarheid. Maar wetsteksten en partijstandpunten zijn steeds vaker bekend vóór de officiële publicatie ervan. Wat voegt het ritueel terwille van de openbaarheid dan nog toe? Wordt de burger er wijzer van? Zou de openbaarheid écht niet beter te organiseren zijn?

Ik stel die vragen nu wel, maar de antwoorden heb ik ook niet. Om de goeie antwoorden te krijgen, moet je de goede vragen stellen, is mijn ervaring. En de paradox is natuurlijk, dat je pas weet wat de goeie vragen zijn, als je alle antwoorden kent. Nou ja.

Dat ik de Anne Vondelingprijs heb gekregen, is verbazingwekkend. Iemand die, zoals ik, niet houdt van politiek, ziet haar aversie wel op héél bijzondere wijze gehonoreerd. Maar de toekenning van deze prestigieuze prijs vind ik toch vooral verheugend en een grote eer.

De hoofdredactie, die mij heeft voorgedragen en de jury die me heeft bekroond, hebben daarmee aangegeven dat Haagse journalistiek méér mag zijn dan verslaggeving over opgewonden gepeuter op de vierkante millimeter.

Aan de andere kant, politiek is natuurlijk niet alleen maar spel. Dat weet ik ook wel. Soms worden wel degelijk de standaarden gezet en rest degenen die daaraan niet voldoen, de dramatische afgang. Er worden discussies op het scherp van de snede gevoerd, maar ze zijn zo spaarzaam.

Ik ben dus heel blij en vereerd met de prijs. Waar ik moeite mee heb is, dat die is toegekend voor mijn hele oeuvre. Oeuvre? Ik heb stukjes geschreven. Een heleboel zelfs, maar dat gebeurt vanzelf als je maar lang genoeg blijft zitten. Mijn collega Harry van Seumeren, lange jaren Haags redacteur, zei altijd: 'Wij schrijven elke week een boek'. Zo kom je dan toch aan een oeuvre. Dankuwel.

Jet Bruinsma is redacteur van de Volkskrant. Zij ontving gisteren de Anne Vondelingprijs voor politieke journalistiek en sprak daar bovenstaand dankwoord.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden