slag om de buitenruimte

Op elkaars lip: recreëren is een oorlog tegen elkaar geworden

In de rij om met de boot de Loosdrechtse plassen op te kunnen. Beeld Marcel van den Bergh / de Volkskrant

Aan de randen van de werkdag en werkweek slaan we collectief aan het recreëren. En elke groep recreanten eist een eigen plek op in de openbare ruimte – in een sfeer van toenemende prikkelbaarheid.

De toename van de welvaart in Nederland heeft de laatste decennia niet geleid tot een navenante toename van de vrije tijd. Gemiddeld zo’n 42 uur per Nederlander per week: daar moeten we het al bijna een generatie mee doen. En de werkende Nederlanders genieten vrijwel allemaal tezelfdertijd van hun vrije tijd: aan de randen van de dag en de werkweek.

Wilt u dit artikel liever beluisteren? Hieronder staat de door Blendle voorgelezen versie.

Al die recreanten besteden ook steeds meer geld aan de activiteiten die zij gedurende die 42 uur ontplooien. De zogenoemde vrijetijds­industrie – door marketeers bij voorkeur ‘gastvrijheidssector’ genoemd – zou goed zijn voor een omzet van 72 miljard euro en 626 duizend banen. En die industrie heeft zich ontwikkeld in een fysieke ruimte waarvan de omvang de laatste jaren eerder is afgenomen dan toegenomen.

Van de massarecreatie gaat dus een toenemende druk uit op tijd en ruimte. Die ruimte is ook nog eens het toneel geworden van concurrentie tussen recreanten met uiteenlopende wensen. In de tijd van Alleman, de zedenschets van Nederland uit 1963 van cineast Bert Haanstra, trok de dagjesmens er per heren- of damesfiets op uit of posteerde hij zich in de berm om van de aanblik van passerende auto’s te genieten. Nu woedt in de openbare ruimte een permanente slag tussen festivalgangers en stiltezoekers. Tussen liefhebbers en tegenstanders van de wolf. Tussen zeilers en waterrecreanten die zich sneller willen verplaatsen. Tussen windsurfers en kitesurfers. Tussen wandelaars en joggers. En tussen joggers en mountainbikers.

In overzichtelijker tijden konden natuurorganisaties volstaan met de gedragsregel ‘laat niet als dank’: de vermaning aan recreanten om geen ‘schillen en doozen’ achter te laten. Nu proberen zij de genoegens van wandelaars te waarborgen door joggers, barbecues en – sinds kort – drones te weren. Zelfs de categorie fietsers, die in de tijd van Alleman hooguit de varianten ‘snel’ en ‘minder snel’ kende, is sterk gefragmenteerd ­geraakt: voor wielrenners moeten ­andere voorzieningen worden getroffen dan voor mountainbikers. Sinds de komst van de elektrische fiets bungelt de fietser die op eigen kracht is aangewezen onder aan de pikorde van de openbare weg.

Vrije tijd is schaars en moet dus leuk zijn

Onze vrije tijd vormt de inzet van een strijd om schaarse middelen, zegt ­bestuurssocioloog Mark van Ostaijen – die in Tilburg vrijetijdswetenschappen studeerde. ‘Het is een schaars goed, dus het móét leuk zijn. Alles wat dit streven doorkruist, wekt ergernis op. Tijdens de werkweek staan mensen lijdzaam in de file omdat het ongemak min of meer is ingecalculeerd. Maar van een file bij de Beekse Bergen krijgen ze een slecht humeur, omdat papa het door de week al zo druk heeft en in zijn vrije weekend geen zin heeft in gedoe. Vrije tijd moet ­quality time zijn: Gij zult onthaasten. Het randje van de werkweek moet vrij zijn van frictie.’

Het Museumplein in het centrum van Amsterdam. Beeld ANP

Om aan dat streven tegemoet te komen, proberen pretparken de wachttijden voor attracties tot een minimum te beperken. ‘In queue management wordt flink geïnvesteerd’, zegt Van Ostaijen. ‘Maar het beginsel dat we collectief op dezelfde plaatsen en op dezelfde tijdstippen recreëren, staat niet serieus ter discussie. Er is geen inherent economisch mechanisme werkzaam dat ervoor zorgt dat we minder werken naarmate onze productiviteit toeneemt. Hoe meer we werken, hoe meer geld we besteden aan een begrensde hoeveelheid vrije tijd.’

De work and spend cycle, noemde de econoom Juliet Schor de fuik waarin de werkende mens zichzelf heeft gemanoeuvreerd. Hij of zij koopt (veronderstelde) levenskwaliteit in, maar heeft niet meer tijd om daarvan meer te kunnen genieten. Een enigszins wrange weerlegging van de voorspelling van de econoom John Maynard Keynes (1883-1946) dat de werkweek in de huidige tijd nog een luttele vijftien uur zou beslaan.

De grens tussen vrije tijd en werktijd is vervaagd

Hoeveel waarde werkende mensen ook zeggen te hechten aan hun quality time en hoe sterk de ‘gastvrijheidssector’ ook is uitgedijd: vrije tijd blijft – ook semantisch – het restproduct van betaalde arbeid. En de ‘totaalmens’, zoals cultuurcriticus Thijs Lijster de mens noemde die optimaal rendeert tijdens werk en vrije tijd, wíl ook helemaal niet minder werken. In de wereld van de totaalmens vervagen de grenzen tussen werk en vrije tijd die tijdens de Industriële Revolutie werden getrokken.

Werk en vrije tijd waren elkaars spiegelbeeld: het eerste was het ­domein van de prikklok, in het tweede kon de spelende mens zich weer herpakken. Dat ligt besloten in het woord ‘recreatie’, denkt Mark van Ostaijen: de werkende mens herschept zichzelf. ‘Daarnaar verwees ­Johan Huizinga in zijn boek Homo ­Ludens: vrije tijd en spel zijn geen restproducten van arbeid maar wezenlijke kenmerken van het menselijk bestaan.’

‘Onze vrije tijd is een schaars goed, dus het móét leuk zijn’, aldus bestuurssocioloog Mark van Ostaijen. Beeld ANP

Dit was ook de opvatting van de maatschappijcritici die in de jaren zestig en zeventig het ‘van-negen-tot-vijf’-ethos van hun ouders hekelden. De ironie is dat sindsdien werk vergaand is gepenetreerd in onze vrije tijd. Er is een grijze, informele zone tussen beide ontstaan van netwerkborrels, zakendiners en heidesessies. En tijdens de nominale vrije tijd blijft via de smartphone de verbinding met het werk permanent geopend. De postmoderne ‘totaalmens’ heeft zich ver verwijderd van de lonkende perspectieven van Huizinga en Keynes.

Vrije momenten zijn stressmomenten

Alsof dat al niet erg genoeg is, wordt de vrije tijd – of wat daar nog van rest – ook nog eens gereglementeerd door de prestatiedwang van arbeid. Vakantie is verworden tot een bron van stress. Je gebruikt haar om de boeken te lezen die je collega’s hebben aanbevolen. Of om de wandelroute af te leggen waarmee je na terugkeer in de kantoortuin goede sier kunt maken. Alles wat je hebt gedaan en meegemaakt, wordt bijna dwangmatig vastgelegd en via sociale media verspreid. Maar vrije tijd wordt doorgaans niet gebruikt voor de beoefening van ­ledigheid – wat toch een zegenrijke toestand voor de gehaaste mens zou zijn.

In plaats daarvan komen werkende mensen elkaar tegen ‘op specifieke tijden en specifieke plaatsen’, zegt Van Ostaijen. ‘Tezelfdertijd neemt de behoefte toe om zich van elkaar te ­onderscheiden. Vliegschaamte komt niet alleen voort uit ecologische ­gewetensnood, maar ook uit de wens om niet op te gaan in de massa. Je moet tenslotte wel met een verhaal kunnen thuiskomen dat afwijkt van dat van al die andere mensen.’

Permanente strijd in het buitengebied

En zo zal ook de recreatie dichter bij huis steeds verder gefragmenteerd raken, met alle gevolgen van dien voor het gebruik van de openbare ruimte. Want elke groep recreanten eist ruimte op voor zichzelf. En hun wensen staan onderling vaak op gespannen voet: in wandelgebieden voelt de mountainbiker zich buitengesloten, op rivierdijken voelen veel fietsers zich geterroriseerd door ­motorrijders (vooral als die in clubverband recreëren). De fysieke ruimte voor al die recreanten met hun specifieke wensen is niet noemenswaardig uit te breiden. Maar de tijdsdruk op de vrije tijd zou wel aanmerkelijk kunnen worden verlicht: als we niet langer quality time in 42 uur willen proppen, maar bereid zouden zijn om minder dan vijf dagen per week te werken. 

Lees ook 

Rijen voor het Rijksmuseum, wachten bij Artis en dringen in de Keukenhof. Op toeristische plekken is het vaak vervelend druk. Daarom: alternatieve reistips voor het ideale dagje uit.

Het groeiend aantal buitenlandse toeristen zorgt voor extra concurrentie onder ondernemers. De strijd om de bezoeker wordt steeds meer buiten de steden gevoerd. 

Blijkens een enquête van het Voedingscentrum probeert bijna de helft van de Nederlanders minder vlees en vis te eten. Maar als de temperaturen stijgen en de barbecue aangaat, worden die goede voornemens even vergeten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden