Op een uur van Parijs

Martin Sommer keert naar Nederland terug na vijf jaar correspondentschap in Frankrijk. Ten afscheid volgt hij met vrouw en twee (spijbelende) zoons de oude nulmeridiaan van zuid naar noord, van de Spaanse grens tot de Noordzee. Voor een laatste kijkje in de Franse ziel.

Gezien vanaf het zuiden is Frankrijk heel veel groter dan vanaf het noorden. We passeren de departementen Corrèze, Creuse, Cher. Allemaal bossen en leegte, die Groene Meridiaan doet zijn naam wel eer aan. Pas bij de stad Bourges wordt het land gladder. Minder bomen, koeien maken plaats voor graanvelden. Dan kondigen zich bedrijventerreinen aan en rotondes. Was het toeval, schrijft demograaf Hervé le Bras in zijn boek Les trois France (1995), dat de Duitse Panzer bij de wapenstilstand van 1940 deze eeuwenoude cultuurbreuk 'met diabolische precisie' respecteerden, en het zuidelijke stuk Frankrijk overlieten aan maarschalk Pétain en zijn Vichy? Nee natuurlijk. 'Het was la France utile dat Hitler wilde hebben, het nuttige, noordelijke Frankrijk, met mensen en industrie.'

Parijs voelbaar
Na het slaperige Bourges duurt het niet lang meer voordat de greep van Parijs voelbaar wordt. Daar is tegenwoordig een woord voor, parisianisme. We rijden de Sologne binnen, grootste bosgebied van Frankrijk. En je denkt tussen die bomen, Parijs is nog ver. Mevrouw Gardet (75), vrijwillig bibliothecaresse in het dorp Chaon, weet beter. Wat gebeurt er met haar mooie Sologne? 'De Parijzenaars houden alles tegen. We worden vermoord. We zijn gekoloniseerd door industriëlen.'

Daar zijn ze, les Parisiens. De Sologne is het jachtgebied van het grootgrondbezit. Het snelle geld, de stock-opties, de namen van film en televisie. Vroeger werd hier óók gejaagd. Door de adel, die wist wat kon en wat niet. Elegantie en esprit, het wild werd beschermd. Nu is de hele Sologne opgekocht door parvenu's. Marcel Dassault van de wapenfabrieken werd op zijn eigen terrein gearresteerd omdat hij 's nachts met een infraroodgeweer vanachter de koplampen van zijn auto aan het schieten was.

Kogel in je nek
'Als je op een bospad loopt', zegt mevrouw Gardet, 'en je moet nodig, doe het dan maar midden op de weg want als je een halve meter verder achter een boom gaat zitten, krijg je zo een kogel in je nek.'

We haasten ons het privébos uit. Bij Cerdon een bord. Het eerste waar Parijs op staat, 159 kilometer. Het monster-annex-metropool is in aantocht.

Bij het kasteel van Sully steken we de Loire over. Er is een flinke markt, het regent en het waait en boven de altijd prachtige rivier hangt een woeste lucht. Dan begint het eindeloze graan onder de elektriciteitsmasten van de streek de Beauce. Allemaal voor Parijs. 'Op één uur van Parijs' is een begrip. Op die afstand ligt een stedencirkel waarbij Amiens, Reims, Orléans, Tours, le Mans, Rouen horen. Allemaal ongemakkelijk in hun jas, want ze lijden onder de zuigende werking van de hoofdstad. Dus veel stemmen voor het Front National.

De bis-route naar de hoofdstad passeert Etampes. Eén hotel, Hotel de France. Mogen we een rustige kamer? 'Meneer we hebben hier geen rustige kamer.' Dan pas zie ik dat de route national aan de voorkant het spiegelbeeld is van de route national aan de achterkant. Etampes is een oord van verliezers. Winnaars denderen verder naar Parijs. Bij het forenzenstation heb je Café le Départ naast Bar l'Arrivée. Die laatste heeft de handdoek niet voor niets in de ring gegooid.

Parijs
's Ochtends vroeg besluit ik om Parijs heen te rijden. 'Als je Frankrijk wilt begrijpen: blijf vooral niet in Parijs hangen', had ooit een Franse diplomaat me op het hart gedrukt. Goed idee, het land ziet er van 'onderaf' heel anders uit. Niet per se vrolijker. Een slecht idee daarentegen om me in de spits te wagen, die zo'n vijftig kilometer vóór de hoofdstad begint. Op de N20, oude romantische nationale weg naar Toulouse, sukkelen we langs een vuile variant van het gehate Amerika waar Frankrijk toch zo vaak op lijkt.

Kapot asfalt, telefoondraden langs houten palen, verstofte huizen waarin al jaren geen mens meer wil wonen. Formule 1-hotels (149 franc) voor een aseptische wip van baas met secretaresse, rechtopstaande plastic zwembaden, meubelhallen, buffalogrills met felgroene of knalrode daken.

Tien voor acht vertrekken we uit Etampes, half elf hebben we aan de noordkant van de stad het vliegveld Charles-de-Gaulle-Roissy achter ons. En dus eindelijk groot-Parijs, formaat provincie Utrecht, ruim tien miljoen inwoners.

De meridiaan vind ik terug in het dorp Attainville, pal naast de derde rondweg om Parijs die poëtisch 'la Francilienne' heet. Die weg is splinternieuw en ik vraag wethouder Yves Lhermit naar het effect. Het was hier ooit links, zegt hij, nu eindigde Le Pen op de eerste plaats. Waarom? Achtentwintig inbraken in één jaar. Het heeft wel met de Francilienne te maken die hier voorbij scheert en het dorp min of meer afsnijdt van de buitenwereld. Boeven kunnen bliksemsnel vluchten, ze pakken een auto die 200 rijdt en wegwezen.

Ik volg de N1 naar Beauvais. Dit is het kathedralengebied van historicus Georges Duby, ook oorlogsgebied. Picardië is het open schootsveld voor Parijs, schreef geograaf Armand Frémont. Geen stad zonder vernietigd centrum dat moest worden heropgebouwd uit haastbeton. Zusterstad Amiens ligt nog net binnen de cirkel van de Parijse fall-out. Hier moet het derde vliegveld van Parijs komen, pal naast de A1 richting Amsterdam.

Bietenland
Vlakbij ligt in zompig bietenland het dorp Chaulnes, rijkelijk voorzien van protestborden. 'Luchthaven = Tsjernobyl.' 'Nee tegen de luchthaven.' 'Wij waren gelukkig hier.' Chaulnes zou onder de startbaan verdwijnen. De barhoudster van Café le Penalty heeft er geen probleem mee. Zij is vóór het vliegveld, ze moet aan de zaak denken. De boeren, die zijn tegen. 't Is goeie grond hier, zeggen ze. De la bonne terre. La terre. Zola schreef een roman met die titel. Franse boeren zwijmelen over hun grond. De streek de Beauce, onder Chartres, wilde de luchthaven ook niet hebben. 'Het is hier de grond van God', had een burgemeester gezegd.

In Amiens wacht ik in Le Carlton, nogal weidse naam voor het café met die aanduiding. Joseph Gouranton, ingenieur, conseil, urbaniste, staat op zijn kaartje. Ook hij vindt dat het vliegveld er moet komen. De boeren demonstreren om meer geld uit de onteigening te slaan. En dan is er gezeur over de militaire begraafplaatsen uit de Grande Guerre. 'Mijn eigen grootvader ligt op een begraafplaats die weg moet. Pffft.'

Gouranton is een opgewonden standje, activist voor het vliegveld. Hij verklaart zijn fanatisme uit zijn Bretonse wortels. 'Tegen die mondialisering kunnen we niks beginnen. Alleen regionale traditie geeft tegenwicht.' Hij spreekt Bretons, houdt van doedelzakmuziek. 'Ik ben Breton, ik heb wortels.' Hier in Picardië hebben ze niet zulke harde koppen. 'Daarom laten ze zich koeioneren vanuit Parijs.' 's Avonds krijg ik in het restaurant drie smakeloze kaasjes voorgeschoteld, een fabrieksbrie, een babybel met rode plastic korst en een vage geit. Inderdaad. Weinig pit, dat Picardië.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden