Op dit niveau

Voetballers van Marokkaanse afkomst zijn nogal eens de smaakmakers in het stadion, maar stranden ondanks hun talent toch net te vaak onder de top. Hoe komt dat?

Lekker Sap. Sap is 18, voetbalt op een hobbelig veld van Stormvogels in IJmuiden en heet voluit Sabir Akachaou Achefay. Zijn trainer noemt hem Sap. Sap slalomt en pingelt.

Straatvoetbal zit gebeiteld in zijn benen. Na een half uur flitst hij voorbij weer zo'n forse Stormvogel, de bal gekleefd onder zijn voetzool. Een schijntrap, en nog eentje. Naar links, naar rechts, weer naar links. Strak schot, bollend net. Doelpunt.

Sap tuit zijn lippen in standje stoer. Zijn trainer van Pancratius A1 klapt. Pancratius is een aantrekkelijk voetballende, multiculturele ploeg uit Badhoevedorp met veel jongens uit Amsterdam. Op dat moment roept de trainer dus: 'Lekker Sap.'

Een paar dagen later zegt trainer Noreddin el Bakkali: 'Ik hoop voor Sabir dat hij het redt en het betaald voetbal haalt. Het kan nog steeds. Ik heb soms het idee dat hij zelfs te veel traint. Bij de club, bij een privéacademie. Hij loopt voor zichzelf. Tijdens de wedstrijd komt hij soms kracht tekort. Hij wil zo graag.'

We treffen Sabir ook in Amsterdam, tijdens een bijeenkomst in espressobar Buongiorno. De zaak is eigendom van zijn zwager Dries Boussatta, die als oud-voetballer van onder meer AZ de eerste Marokkaanse Nederlander was die Oranje haalde. Na hem volgden Boulahrouz, Afellay en Maher. Sabir draagt een opvallend, bijna wit trainingspak van de nationale ploeg van Duitsland ('Ik vind het gewoon mooi'), ziet er piekfijn gekapt uit en vertelt over zijn ambitie.

Sabir heeft vier broers en vier zussen. Hij is dé voetballer van het gezin. Alles heeft hij ervoor over om te slagen, dus komt hij ook luisteren tijdens zo'n voorlichtingsavond. Met vijftien jongens, onder wie roodharige Hollanders, Antillianen en Surinamers, jongens met petjes achterstevoren en kekke kapsels, kijkt hij naar beelden van idolen als Ronaldo, Zlatan en Michael Jordan. Alle fragmenten bevatten een lesje, over leiderschap, valkuilen onderweg naar de top en wederopstanding na de val.

Een zaaltje vooral zwijgzame jongens, soms al vol teleurstellingen, ondergaat de pratende docenten: Khalid Kasem, advocaat en mentaal trainer, en Boussatta, de man uit de praktijk, tegenwoordig succesvol in zaken. 'Ik wil jullie behoeden voor de fouten die ik heb gemaakt.'

Kasem spreekt de jongens toe: 'Jullie zijn allemaal goede voetballers. Wij vertellen jullie wat er nodig is om succesvol te zijn. Misschien ziet de trainer het niet in je zitten, misschien ben je te veel de hemel ingeprezen.' Later, in een toelichting: 'De bewijsdrang van deze jongens slaat soms door naar de verkeerde kant. Op het pleintje hebben ze soms geknokt, letterlijk. Die vechtmodus blijft te vaak aanwezig. '

De vrijgevochten status van blitskikker op straat strookt niet met collectief denken bij een voetbalclub. 'Het is moeilijk om ze met beide benen op de grond te houden. De allochtone jongen is vaak gedwongen zelfredzaam. Er is, ook door zijn ouders, te weinig zicht op wat hij doet. Er is weinig ruimte voor reflectie. Afgezien van de trainer zijn er weinig die hem corrigeren. Nederigheid is een groot goed, maar die ontbreekt juist.'

De jongen met Marokkaans bloed kan doorgaans geweldig voetballen, mede dankzij die straat, maar toch strandt hij te vaak onder de top. Hij heeft wat dat aangaat een achterstand op de voetballer van Surinaamse afkomst, voor wie de integratie in de Nederlandse samenleving verder is gevorderd. Bovendien profiteerden voetballers als Gullit, Rijkaard, Seedorf, Davids en Kluivert van de unieke combinatie van fysieke eigenschappen als atletisch vermogen, aangeboren kracht en snelheid, en de structuur van de Nederlandse opleiding.

De Marokkaan is nog niet zover. Zo is geen enkele voetballer met een Marokkaans paspoort in de absolute top van de wereld te vinden, terwijl Marokkanen zichzelf beschouwen als een soort Brazilianen. Hoe kan dat, met zoveel talent? In vele gesprekken gaat het dan uiteindelijk onder meer over de trotse cultuur. Borst vooruit, bravoure, bewijsdrift, slechte omgang met tegenslag, met een plaats op de reservebank.

Boussatta: 'Ik zie gelukkig langzaam een mentaliteitsverandering. Het is een kwestie van schaven, van volharding. Het proces van integratie is nog lang niet voltooid.' Hij denkt terug aan zijn jeugd: 'Op straat is het ieder voor zich. Straatvoetbal is voetbal zonder scheidsrechter. Hoe vaak liepen partijtjes niet uit op vechtpartijen? Met talent alleen red je het niet. Topvoetbal vraagt zoveel meer.'

De jongens reageren af en toe op de filmpjes, daartoe aangespoord door Kasem en Boussatta. Veel symboliek: dolk, elixer. Het is als de reis van de held. Hoe het kind Ronaldo van Madeira naar het vasteland van Portugal verhuisde en aanvankelijk huilde van heimwee. Hoe Zlatan Ibrahimovic weerstand ondervond in de kleedkamer in Malmö, omdat hij als tiener dacht dat hij God was.

Tussendoor is Boussatta de meester van de anekdotiek: 'Dennis Bergkamp zat in de jeugd van Ajax altijd in mindere elftallen, maar wat heb ik in de loop der jaren veel respect voor hem gekregen. Bij het Nederlands elftal zag ik pas hoe goed hij was. Een akka (een passeerbeweging), een driedubbele akka, het is allemaal leuk en aardig, maar het gaat om functionele techniek. Kijk zijn goals maar na: daar zit geen blind schot tussen. Ikzelf heb oneindig veel getraind op traptechniek, ook na de training. Ik wilde dat niemand wat op me aan te merken kon hebben. Ik had een extreme mentaliteit. Met meer talent had ik écht ver kunnen komen.'

De voetballer van Marokkaanse afkomst is vaker dan gemiddeld een sensationeel type speler. Een soort Braziliaan, inderdaad. Technisch begaafd, vol lef, brutaal. Speels, met passeerbewegingen. De jongens nemen de straat mee naar het stadion.

Je kunt moeiteloos een mooi elftal samenstellen van Nederlands/Marokkaanse profs: Sinouh (Sparta) in het doel; Boulahrouz (Bröndby), Kali (Roda) en Achenteh (Vitesse) achterin. Op het middenveld: Maher (PSV), El Ahmadi (Aston Villa), Ziyech (Heerenveen) en Afellay (Barcelona); Voorin: Amrabat (Malaga), El Hamdaoui (Malaga), Mokhtar (FC Twente).

Wat dan opvalt, is dat doelmannen en verdedigers moeilijk te vinden zijn. Kali is eigenlijk ook een middenvelder, maar je moet toch iets om ook nog een beetje te verdedigen. Hoe verder naar voren, des te groter het aanbod, want we hebben ook nog veel spelers buiten beschouwing gelaten: Assaidi (Stoke City) bijvoorbeeld, Tannane (Heracles), Basacikoglu (Marokkaans/Turks, Heerenveen), Aissati (Terek Grozny) of Ayoub (FC Utrecht).

Noreddin el Bakkali, de trainer van Pancratius A1, vindt het een mooi elftal, maar hij zou er niet per se trainer van willen zijn: 'Ik werk liever met een mix dan met alleen spelers van één soort. De Marokkaan heeft technische kwaliteiten die de witte jongen vaak ontbeert, maar de witte jongen heeft weer mogelijkheden die de Marokkaan mist. Tactisch inzicht bijvoorbeeld. Onder Marokkanen zijn er nu eenmaal weinig verdedigers en scorende spitsen te vinden. Dat is cultureel bepaald. Kijk ook maar eens naar de Marokkaanse competitie. Pas nu de velden geleidelijk beter worden, vallen meer doelpunten. Voorheen was het bijna altijd 0-0, 1-0 of 1-1.'

En Pim Verbeek, technisch directeur van de Marokkaanse voetbalbond: 'De instelling van de jongens is meestal uitstekend, maar ze zijn gericht op de bal, individueel ingesteld. Ze willen zelf de beslissende actie maken. Dat zit in hun bloed. En ze kunnen niet op de bank zitten. Dan is hun trots gekrenkt. Ze begrijpen dat gewoon niet en gaan twijfelen.'

Elk seizoen leveren de jeugdopleidingen van de clubs in het Nederlandse betaald voetbal nochtans nieuw talent af. Voetballers van de straat, potentiële publiekstrekkers. Ze hebben soms moeite met de groepsdwang in het regime van een elftal. Ze zijn trots, wantrouwig, niet gewend te luisteren naar gezag. Ze kunnen moeilijk overweg met een bijrol. En ze zijn, als het eenmaal goed gaat, gemakzuchtig en snel tevreden, zeker als ze op latere leeftijd geraken. El Bakkali: 'Als een Marokkaanse prof de dertig nadert en goed heeft verdiend, vindt hij het leuk geweest. Dan wil hij echt genieten van het leven, met zijn vrienden.'

Pim Verbeek verdiept zich als technisch directeur van de Marokkaanse bond al vier jaar in de problematiek. Hij is overal in Europa op zoek naar talent met Marokkaanse wortels, dat geschikt is voor de nationale jeugdploegen. De jongens hebben twee paspoorten en kunnen kiezen voor Marokko of hun andere land. Fellaini en Chadli bijvoorbeeld verkozen België.

Verbeek: 'De druk op die jongens is soms enorm. Allereerst bij de keuze voor welk land ze willen uitkomen. Ik heb veel gesproken met Bakkali van PSV. Bij ons was hij van harte welkom, maar op zijn 17de, na drie wedstrijden in het eerste elftal van PSV, heeft hij tien minuutjes meegedaan bij België, in een WK-kwalificatiewedstrijd. Nu kan hij nooit meer voor Marokko voetballen. De toekomst moet uitwijzen of hij verstandig heeft besloten. Zakaria Labyad daarentegen wilde per se voor Marokko uitkomen.'

Dan is daar ook de eventuele keuze voor het snelle geld, menigmaal gemaakt door druk van familie en vrienden. Geduld ontbreekt om te wachten op de juiste club, op de juiste stap voor de geleidelijke opbouw van de loopbaan. Vergetelheid dreigt. Boussoufa vertrok van Anderlecht naar Anzji. Belhanda van Montpellier naar Dinamo Kiev, Labyad als tiener van PSV naar Sporting Lissabon, waarna hij terugkeerde bij Vitesse. Er zijn tientallen voorbeelden van verkeerde keuzen, wat trouwens niet is voorbehouden aan profs van Marokkaanse komaf.

Verbeek ziet gaandeweg het denken veranderen. 'Steeds meer jongens worden uitstekend begeleid door hun thuisfront en minder aan hun lot overgelaten. Ik ken er genoeg die er alles voor over hebben om te slagen in de voetballerij. Maar het blijft moeilijk. Een jongen als Ziyech, die twijfelt over contractverlenging, zou beter honderd wedstrijden voor Heerenveen kunnen spelen.' Hakim Slimani, zaakwaarnemer van menig prof (niet van Ziyech): 'Ik geloof in loopbanen, niet in transfers.'

De gesprekspartners bagatelliseren de mogelijke invloed van de islamitische cultuur op het slagen in het voetbal. 'Bij ons mag je op zondag gewoon voetballen, hoor', zegt Slimani. Veel meer dan een zaak van afkomst is het al dan niet behalen van succes volgens hem een kwestie van achtergrond, van de thuissituatie. Hij ziet, net als Verbeek, steeds meer allochtone ouders die hun talentvolle kind nauwgezet begeleiden, die komen kijken naar wedstrijden, die interesse tonen.

'Gelukkig zie ik de slachtofferrol ook steeds minder. Zo van: ach, ze kiezen toch een Nederlander. Als je denkt dat je het toch niet redt, red je het ook niet, in geen enkele sector. Als je echt wilt, krijg je kansen genoeg.'

Het is ook gewoon een kwestie van integratie en daar gaan decennia overheen. De eerste generatie gastarbeiders kwam naar Nederland om te werken. Vaders leerden geen of nauwelijks Nederlands en hadden geen aandacht voor het voetbal van hun kroost. Die jongens konden beter een goede opleiding volgen, vonden ze. Tegenwoordig ontwaren ze het talent van hun kind, om het te koesteren. De verwachting is derhalve dat steeds meer Marokkaanse jongens zullen doorbreken. Om te variëren op een bekende politicus: het is dus een kwestie van meer, meer, meer in de toekomst.

Toch blijft het volgens Boussatta goed om de jongens een spiegel voor te houden, want de gevaren liggen nadrukkelijk op de loer. Boussatta vertelt over roem en geld, over jongens van 20 die al vier, vijf keer het salaris van hun vader verdienen, die in hun gemeenschap opeens hét mannetje zijn. 'En zaakwaarnemers zien jullie als moneymakers. Denk nooit dat je er dan bent', houdt hij de jongens voor. 'Geld is een gevolg van prestaties, niet andersom.'

Over de media heeft hij ook nog wel een les. 'Ze kunnen je killen.'

Een filmpje over de Italiaanse spits van Feyenoord, Pellè, laat zien hoe die zijn nederigheid verloor, hoe hij van een ultieme teamspeler een op zichzelf gerichte prof werd. 'Ik hoop dat ze 10 procent oppikken van wat we vertellen', aldus Boussatta op het eind van de avond.

Sabir zegt dat hij de voorlichting interessant vond. Hij blijft strijden voor een plaats bij een club in het betaald voetbal. Soms heeft hij het gevoel dat hij veel meer moet laten zien dan anderen, maar hij blijft het proberen.

Tijdens de rust van Stormvogels A1 - Pancratius A1 loopt hij even langs. 'Mooi doelpunt', zegt de verslaggever.

'Dank je.' Sabir lacht verlegen.

undefined

NATIONAAL ELFTAL

Marokko organiseert begin volgend jaar de Afrika Cup, het toernooi om het landenkampioenschap van Afrika. Marokko won het toernooi slechts eenmaal, ondanks de grote reputatie in voetbal. Dat was in het grijze verleden van 1976.

De Marokkaanse bond heeft onlangs een ander bestuur gekozen, dat volgens technisch directeur Pim Verbeek binnenkort een nieuwe bondscoach zal aanstellen. Dick Advocaat, die vertrekt bij AZ en het liefst weer aan de slag gaat als trainer van een nationaal elftal, staat prominent op de namenlijst van de Marokkaanse pers.

Marokko deed in 1998 voor het laatst mee aan het WK voetbal. Sterspeler van toen was Mustapha Hadji, die dat jaar werd uitgeroepen tot Afrikaans voetballer van het jaar.

undefined

ORANJE ÉN MAROKKO

Dries Boussatta (41, geboren in Amsterdam) heet officieel Driss, maar al sinds de kleuterschool noemt iedereen hem Dries. Hij voetbalde tegen Marokko en met Marokko. Eerst tegen Marokko, met het Nederlands elftal, op 28 april 1999, onder bondscoach Frank Rijkaard. Boussatta, de eerste Nederlandse Marokkaan in Oranje, werd uitgefloten door duizenden Marokkanen op de tribunes in Arnhem. Hij zou een landverrader zijn. 'Maar ik had niets te kiezen. In Marokko was het ons kent ons bij het selecteren van spelers voor de nationale ploeg.'

Hij was groot nieuws in Marokko. Na Rijkaard kwam Van Gaal, die het niet in Boussatta zag zitten, zo was al gebleken bij Ajax. En dus greep de rechtsbuiten de kans aan om ook drie interlands voor Marokko te spelen. Hij kon nog overstappen, omdat de drie wedstrijden voor Oranje oefenduels waren.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden