Op de snijplank

Steeds meer Nederlanders besluiten hun lichaam na hun dood ter beschikking te stellen aan de wetenschap. Er is zelfs een overaanbod....

Anderhalf jaar geleden vroeg zijn vrouw: wil je eigenlijk begraven of gecremeerd? ‘Geen van twee’, antwoordde hij tot haar verbazing. ‘Ik wil op de snijplank.’

Een groeiend aantal mensen schenkt zijn of haar lichaam na het overlijden aan de wetenschap. Hun stoffelijk overschot wordt onder meer gebruikt voor proefoperaties en anatomische lessen voor aankomend artsen.

Het aantal aanmeldingen overtreft inmiddels ruimschoots de vraag. Het VU Medisch Centrum, met een bestand van 1700 mensen, is al een tijdje gesloten voor nieuwe aanmeldingen. Want meer dan veertig nieuwe lichamen per jaar heeft het anatomisch instituut niet nodig. Het Leids Universitair Medisch Centrum krijgt twee keer zoveel aanmeldingen als in de jaren negentig. Bij het AMC in Amsterdam is zelfs sprake van een verdriedubbeling sinds 2000.

De anatomische instituten gebruiken gemiddeld zo’n veertig tot vijftig lichamen per jaar. Het AMC spant de kroon met 120 lichamen. Het verbaast de anatomen weleens dat ze zoveel aanbod krijgen, terwijl ze beslist niet actief werven. Zo heeft het AMC heeft vijfduizend ‘vrijwilligers’ in het bestand staan die hun lichaam aan de wetenschap schenken.

De Utrechtse oud-administrateur Jacques Drabbe (78) grinnikt zachtjes bij de gedachte dat hij na zijn dood nog een tijd zal ronddobberen in een bak formaldehyde, terwijl studenten links en rechts uit zijn lichaam halen wat ze nodig hebben. Drabbe heeft nauwelijks nog familie en dus is er geen behoefte aan een graf ‘waar men om mij kan zitten treuren’. Hij vindt het eigenlijk wel een mooie gedachte dat zijn stoffelijk overschot nog van enig nut kan zijn.

Volgens de Wet op de lijkbezorging moet een stoffelijk overschot worden begraven of gecremeerd of worden geschonken aan een anatomisch instituut. Meer smaken zijn er niet. Over de motieven van de mensen die kiezen voor ‘de derde bestemming’ is weinig bekend. Maar uit gesprekken met de aanmelders weet Henk Groenewegen, hoogleraar anatomie aan het Amsterdamse VUmc, wel dat het vooral uit idealisme is. ‘Het zijn hele gewone mensen die de medische wetenschap graag een dienst bewijzen.’

Soms spelen financiële en praktische motieven een rol: want in tegenstelling tot een begrafenis of crematie is de ‘de derde bestemming’ gratis. ‘Maar dat argument geldt slechts voor een kleine minderheid’, benadrukt Groenewegen.

‘Wat is er nou mooier dan jezelf weggeven? Als dàt geen christelijk gebaar is’, zegt Cecile Hillen (39) die zich als donor aanmeldde toen ze midden twintig was. Onlangs zette ze haar donorschap om in een ter beschikking stelling. Hillen is blij dat ze op deze manier ‘iets terug kan doen voor de wereld.’ Zo ziet de 59-jarige beeldhouwster Dunnewold (59) het ook. ‘Het is toch mooi als anderen op die manier nog iets aan je hebben?’

Volgens anatoom Antoon Moorman van het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam is het taboe op de dood minder groot dan vroeger. En zijn de mensen nuchterder geworden. De meeste mensen die hun lichaam ter beschikking stellen, zien hun dood inderdaad nuchter onder ogen.

‘De zin van het leven zit ‘m juist in de dood’, vindt de man die in het begin van dit verhaal vertelde op de ‘snijplank’ te willen eindigen. Hij is ongeneeslijk ziek en wil niet met zijn naam in de krant. ‘Stel je voor dat je onsterfelijk bent. Dat je alles wat je vandaag kunt doen, ook morgen of overmorgen kunt doen. Dat zou pas afgrijselijk zijn.’

Cecile Hillen werkt in de uitvaartbranche. ‘Voor mij is de dood iets alledaags. Het hoort erbij.’ De buitenwereld schrikt nog weleens van die nuchtere houding, merkt mevrouw Dunnewold als ze kennissen vertelt dat ze haar lichaam ter beschikking heeft gesteld. ‘De meeste mensen steken liever hun kop in het zand. Ze willen niet weten dat ze ooit ook doodgaan.’ En dus houdt ze het tegenwoordig maar voor zich dat ze haar lichaam ter beschikking heeft gesteld.

Wellicht speelt de ontkerkelijking een rol bij de groei van het aantal mensen dat zich bij een anatomisch instituut meldt. De geïnterviewden voor dit verhaal geloven niet in een ziel of in een hiernamaals. Het ontzielde lichaam heeft voor hen niets heiligs. ‘Dood is dood’, zegt de een. ‘Je bent er toch niet meer bij’, zegt de ander. ‘Ze mogen ook kattenvoer van mij maken.’

Voor de nabestaanden is de terbeschikkingstelling vaak wel ingrijpend. Want er is geen begrafenis of crematie. ‘Het is wat cru ten opzichte van de mensen die je achterlaat’, vindt Drabbe. ‘Die moeten immers heel snel afscheid van je nemen. Maar ja, ook zonder mijn lichaam erbij kunnen ze natuurlijk een samenkomst organiseren om nog even na te babbelen.’

Na het overlijden moet het stoffelijk overschot liefst binnen 24 uur, uiterlijk 48 uur, bij de universiteit arriveren. De balseming moet beginnen voordat het verstervingsproces in de organen op gang komt.

Na het wetenschappelijk gebruik krijgt het stoffelijk overschot een onbekende bestemming. De nabestaanden krijgen niet te horen waar het lichaam van hun partner of familielid voor wordt gebruikt. Van veel lichamen worden de organen gebruikt door er losse, deels geplastificeerde, preparaten van te maken.

Andere lichamen worden in zijn geheel bewaard, maar deels geopend, zodat studenten kunnen zien hoe organen zoals nieren, blaas en baarmoeder ten opzichte van elkaar liggen. Zulke lichamen kunnen na de les weer terug in de conserveervloeistof, vertelt de Rotterdamse anatoom Klein-Rensink van het Erasmus. ‘We hebben wel lichamen die al veertig jaar meegaan.’

Zelf snijden in een stoffelijk overschot mogen eerstejaars studenten medicijnen steeds minder. ‘Er is minder tijd voor anatomie in het curriculum’, vertelt de Amsterdamse anatoom Henk Groenewegen van het VUmc. ‘Bovendien maken eerstejaars er te vaak een rommeltje van. Daarom zijn het meer demonstraties, waarbij twaalf studenten toekijken als een lichaam wordt geprepareerd.’

Is het gebruik van echte lichamen nog wel nodig in deze tijd van drie-dimensionale technieken en computersimilaties? Ja dus, daarover zijn de anatomen het roerend eens. ‘Het vastpakken van het orgaan, het omdraaien en erachter kijken. Tasten en zien tegelijk en de structuur voelen, dat is essentieel voor het leerproces’, vindt de Rotterdamse anatomie professor Klein-Rensink.

‘Elk lichaam zit weer anders in elkaar’, benadrukt zijn Amsterdamse collega Groenewegen. ‘Het patroon waarin de bloedvaten zich vertakken is bij iedereen anders. Er zijn zelfs grote verschillen in de manier waarop organen liggen ten opzichte van elkaar.

‘Eerstejaars zijn ook altijd verbaasd als ze een echt lichaam van binnen zien. Verbaasd over hoe klein de baarmoeder is en hoeveel vet er in de meeste lichamen zit, niet zozeer onder de huid, maar ook om het hart en de andere organen. Dat weten ze doorgaans niet.’ En echte lichamen blijven ook nodig voor proefoperaties voor medisch specialisten in opleiding.

Het aantal lichamen dat ter beschikking wordt gesteld is maar klein in verhouding tot het aantal mensen dat geregistreerd staat als orgaandonor. Dat zijn er 2,7 miljoen, goed voor ongeveer zeshonderd daadwerkelijke orgaandonaties in 2005. Cecile Hillen schenkt liever haar lichaam aan de wetenschap. ‘De kans dat van een donor de organen ook echt worden gebruikt is erg klein. Dat hangt van zoveel factoren af. Nu weet ik vrijwel zeker dat mijn lichaam een nuttige bestemming krijgt.’

Mensen die twijfelen tussen orgaandonatie of ter beschikking stelling zouden voor het eerstemoeten kiezen, vindt Klein-Rensink van het Erasmus. ‘Een orgaandonor kan immers van levensreddende betekenis zijn.’

In de praktijk zijn het echter vaak oudere mensen die zich ter beschikking van de wetenschap stellen. En 60 jaar geldt als maximumleeftijd voor orgaandonatie. ‘Ik ben 78’, vertelt Jacques Drabbe. ‘Wat moeten ze nog met die oude rommel?’

Bij het VUmc melden zich vrijwel nooit jonge mensen. ‘Zo’n stap zetten mensen pas rond hun vijftigste. En voordat wij ze krijgen zijn ze op zijn minst zeventig of tachtig. Voor orgaandonatie heb je echt een jongere doelgroep nodig. Dus we zitten elkaar niet in de weg’, aldus Groenewegen.

Helemaal zeker dat een anatomisch instituut gebruik van ze zal maken, zijn de ter beschikking gestelden niet. Cecile Hillen heeft haar begrafenisverzekering voor alle zekerheid aangehouden. ‘Voor het geval de universiteit te veel aanbod krijgt.’

De mensen die in het bestand van het VUmc zitten, worden vrijwel gegarandeerd gebruikt. Overaanbod voorkomt de VU door geen nieuwe aanmeldingen in behandeling te nemen. ‘Maar we krijgen veel vragen en aanmeldingen. We overwegen de lijst weer open te stellen en er een bepaling aan vast te knopen dat we geen gebruik maken van het aanbod als er op een bepaald moment te veel lichamen zijn. Het heeft iets onprettigs, maar misschien kan het niet anders.’

De meeste anatomen zijn overigens niet van plan zichzelf ook ter beschikking te stellen. ‘Er zijn sowieso weinig medici die zich melden’, weet Groenewegen. ‘Bij onze studenten roept zo’n stoffelijk overschot toch afgrijzen op. Ze zijn jong. Het is vaak de eerste dode die ze zien. Het ruikt niet aangenaam, waardoor de meeste studenten een flinke drempel over moeten om zich over zo’n lichaam te buigen. Die herinnering weerhoudt hen er wellicht van zichzelf aan te melden.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden