Op de man

De sportjournalistiek bevindt zich in een neerwaartse spiraal. Spelers, trainers en bestuurders zijn onbereikbaar. Gevolg? Nog meer aandacht voor het levend stratego dat Ajax heet.

Soms zet hij tijdens een voetbalwedstrijd het geluid van de televisie uit. Dan ziet hij alleen het voetbal, het pure voetbal, tweeëntwintig spelers in gevecht om de bal, zonder geklets, zonder ruis.


Maar sportjournalist Guus van Holland (63) weet als geen ander dat het schrijven en praten over een voetbalwedstrijd minstens zo belangrijk is als de wedstrijd zelf, dat een geoefende pen de heroïek van een spits of de tragiek van een trainer, getergd ijsberend voor zijn dug-out, feilloos kan beschrijven en duiden.


Meer dan dertig jaar was Van Holland sportjournalist. Hij schreef vooral over wielrennen en voetbal, eerst voor de Volkskrant, later voor NRC Handelsblad. Donderdag nam hij afscheid met een pessimistisch gestemde rede, voorgedragen in het Amsterdamse Rode Hoed. De strekking: de sportjournalistiek bevindt zich in een neerwaartse spiraal.


De overweldigende hoeveelheid media-aandacht voor het levend stratego dat zich in de bestuurskamer van Ajax afspeelt, met Cruijff als kolonel en Louis van Gaal als bom, beschouwt Van Holland als een illustratie bij zijn opvattingen.


Van Holland is niet de enige die dat vindt. Er wordt gemord, langs de velden, in de cafés en van achter de flat-screentelevisies, door journalisten en door liefhebbers van het voetbalverhaal. Niet alleen de perikelen bij topclubs, ook de duizelingwekkende transfersommen en meerdaagse huwelijksfeesten in Italië waar schaars geklede modelletjes de catering verzorgen, bijzaken, in de ogen van Van Holland, worden doorgaans nieuwswaardiger bevonden dan de voetbalwedstrijden zelf.


Ook schudden ze hun hoofd over verslaggeving die soms bestaat uit aaneengeschreven quootjes van het kaliber 'Als je met 2-0 achterkomt, ben je niet blij', verslagen zonder enige duiding, zonder dominante aanwezigheid van de journalist.


Ze fronsen hun voorhoofd over de steeds groeiende aandacht voor bijzaken. Natuurlijk zijn niet alle collega's het eens met Van Holland. En zelf beseft hij ook wel dat hij klinkt 'als een verbitterde ouwe lul die vindt dat vroeger alles beter was.' Maar los van elk waardeoordeel staat vast dat de voetbaljournalistiek de afgelopen dertig jaar sterk veranderd is, in het kielzog van het voetbal zelf.


In de periode dat Guus van Holland over voetbal schreef, is voetbal een bedrijf geworden, werden de internationale voetbalbonden FIFA en UEFA - en op kleinere schaal ook de KNVB - multinationals die een product in de markt zetten; het product voetbal. Evenredig met deze ontwikkeling gingen voetballers Italiaanse maatpakken en gouden kettingen dragen, aangeschaft van een salaris waarbij de Balkenendenorm afsteekt als een schappelijke fooi.


Het voetbal groeide en de voetbaljournalistiek groeide mee. Behalve de NOS en de landelijke kranten hebben ook commerciële zenders, regionale en soms internationale kranten, voetbalmagazines, praatprogramma's en websites verslaggevers langs de lijn staan. Het gevolg: in de jaren zeventig stonden er na een belangrijke wedstrijd honderd journalisten in de gemengde zone, nu is het journaille bij een WK-finale ongeveer 1.500 man sterk.


Uitslagen verschijnen live op internet, naast de live stream op internet verschijnt een geschreven verslag en omstreden beslissingen van een scheidsrechter zijn binnen een mum van tijd trending topic op Twitter.


Dat heeft zijn weerslag gehad op de journalistieke inhoud van de krantenverslagen. 'We hebben eind jaren tachtig bij NRC Handelsblad, een avondkrant, de discussie meegemaakt of we een dag na de wedstrijd nog wel een verslag in de krant moesten zetten', zegt Van Holland. Hij was voor, natuurlijk. Hij vindt sport vergelijkbaar met kunst. 'Over een goede film wil je ook een recensie lezen, om te kijken of de recensent dezelfde film heeft gezien als jij, of een heel andere.'


Uitzonderingen daargelaten stijgen voetbalverslagen niet boven het niveau van een ANP-bericht uit, vindt Van Holland. 'Het is een aaneenschakeling van kleedkamerquotes. Ook mijn buurman kan met een microfoon bij een willekeurige kleedkamer gaan staan om spelers te vragen hoe de wedstrijd was.' Maar hij mist het historisch besef en de analytische vaardigheden, het gezag en de eigenzinnigheid van een goede sportjournalist. En de eerbied voor de sporter, die mist hij ook. 'Voetballers zijn geen circusartiesten, maar topsporters.'


Kees Jansma (64), voormalig voetbaljournalist bij de NOS en Canal Plus en perschef van het Nederlands elftal, heeft dezelfde ontwikkelingen meegemaakt. Maar de stelling dat voetbaljournalistiek in een crisis verkeert vindt hij onzin. Voetbaljournalisten falen niet, ze worden door hun werkgevers over de kling gejaagd, betoogt hij.


In het beeld dat hij schetst worden voetbaljournalisten samen met hun vakmanschap en goede bedoelingen vermorzeld tussen een hedendaags Scylla en Charybdis: de door en door commerciële voetbalmachinerie enerzijds en de nieuwshonger van redactiechefs anderzijds.


'Ik zei het in de jaren negentig al: voetbal wordt de melkkoe van de media, want voetbal verkoopt. En een onbarmhartig hoog tempo van het nieuws leidt onvermijdelijk tot vervlakking van de journalistiek.'


In dit opzicht is de sportjournalistiek overigens niet uniek. De ontwikkelingen die zich hebben voltrokken in en om de Nederlandse stadions zijn vergelijkbaar met wat er op het Binnenhof is gebeurd. Ook de politieke verslaggeving is in een paar decennia tijd tien versnellingen omhoog gegaan. Een andere parallel met de Haagse journalistiek is de opkomst en de triomftocht van de persvoorlichter. De moeite die journalisten zich moeten getroosten om een spits van Ajax of FC Twente te ondervragen, is vergelijkbaar met de bochten waarin politiek verslaggevers zich wringen voor een interview met Geert Wilders.


In de tijd dat Guus van Holland begon als sportjournalist was het nog mogelijk om na de training van Feyenoord of Ajax het veld op te wandelen en een praatje te maken met de topspelers. De iets mindere goden stonden gewoon in het telefoonboek. Nu is er maar een handjevol journalisten dat over een dusdanig netwerk beschikt dat ze nieuws uit de eerste hand kunnen brengen.


De onbereikbaarheid van spelers, trainers en clubbestuurders heeft volgens Van Holland geleid tot een toename van speculatieve en insinuerende nieuwtjes. 'Kijk naar dat voorval met die knipogende Kroaat, die verantwoordelijk zou zijn voor de uitschakeling van Ajax in de Champions League. Dat is puur speculeren, zonder dat daar enig onderzoek aan ten grondslag ligt. Maar iedereen wil het hebben, ook de serieuze kranten, omdat dat het onderwerp is waar het in de kroeg over gaat.' Het handjevol journalisten dat goed is ingevoerd in wat er op een trainingskamp of in de bestuurskamers gebeurt, is vaak schatplichtig aan zijn tipgever. Jaap de Groot, chef van de sportredactie van De Telegraaf, ghostwriter en goede vriend van Johan Cruijff, ligt in alle andere Nederlandse media onder vuur vanwege zijn partijdige verslaggeving in de kwestie Cruijff en Ajax.


Dat soort beschuldigingen glijden als olie langs zijn lijf, zegt hij. Als hij maar nieuws heeft. 'Nieuws maken is het speerpunt van onze redactie, omdat hard nieuws het enige is waar je je als sportmedium nog mee kunt onderscheiden.' En voetbalnieuws, vindt hij, hoeft niet afkomstig te zijn van de grasmat. Wat op de transfermarkt of in de bestuurskamer gebeurt, is evengoed voetbal.


Dat journalisten klagen dat ze niet meer rechtstreeks in contact komen met voetballers begrijpt hij niet. 'Met een goed netwerk kom je er altijd doorheen. Wij hebben dat netwerk, daar zet ik op in door journalisten de tijd te geven een portefeuille op te bouwen.' De Groot, ook een generatiegenoot van Van Holland, vindt de voetbaljournalistiek van nu stukken interessanter dan die van vroeger, maar hij zegt begrip te hebben voor de nostalgie van Van Holland. 'Ik snap zijn verlangen naar de ziel van de sport.'


Ook De Groot zit naar eigen zeggen liever in een fauteuil met een goed voetbalverhaal dan dat hij een reeks hijgerige tweets leest, maar hij ziet dat zijn jongere collega's daar minder moeite mee hebben. En de mensen willen het lezen, daar gaat het om.


En hoe zit het met jonge verslaggevers, mannen en vrouwen die vergroeid zijn met internet en gewend zijn aan voorlichters? Bart Vlietstra (33), redacteur van het tijdschrift NU Sport, gelieerd aan de NU.nl, heeft een twitteraccount, leest z'n nieuws van internet, maar schrijft zelf liever lange, evenwichtige, verhalen dan korte nieuwtjes, verhalen waar behalve de voetbaltechnische kwaliteiten van een speler ook andere elementen uit diens leven in naar voren komen.


Hij heeft een broertje dood aan de 'quootjescultuur' en aan voetbaltalkshows als Voetbal International, hij kijkt liever naar een diepgravender programma als Sportpaleis De Jong, met Wilfried de Jong of leest een voetbalverhaal in Hard Gras.


Maar Vlietstra ziet ook dat het snelle nieuws 'wordt gevroten als een gek', en weet dat een deel van de inkomsten die worden vergaard door het vele 'klikken' op de website, bij het tijdschrift NU Sport terechtkomt.


Als die website genoeg op blijft leveren kan hij voetbalverhalen maken, zoals hij ze het liefste maakt: evenwichtig, verhalend, met aandacht voor context en details en waarin alle partijen aan het woord komen.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden